NIMA marketing A hoofdstuk 10

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
249770
Filename:
NIMA marketing A hoofdstuk 10
Updated:
2013-12-02 05:21:21
Tags:
NIMA marketing hoofdstuk 10 Nederlands
Folders:

Description:
NIMA marketing A hoofdstuk 10 Nederlands
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is een SBU?
    Strategic Business Units
  2. Wat is een PMC?
    Product Markt Combinaties
  3. Uit welke twee delen bestaat de balans?
    debetzijde en creditzijde
  4. Wat valt onder debet?
    De vermogensbehoefte
  5. Wat valt onder credit?
    De middelen waarmee men in de vermogensbehoefte voorziet
  6. Wat is een balans?
    Een weergave van de financiele situatie van een organisatie op een bepaald moment
  7. Wat zijn in de balans activa en passiva?
    Activa zijn de bezittingen en passiva zijn de schulden
  8. Wat is het verschil tussen vaste en vlotte activa?
    Vaste activa hebben een middenlange tot lange omlooptijd (van ongeveer meer dan een jaar) en vlottende activa een snelle omlooptijd, van korter dan een jaar
  9. Hoe is de omlooptijd in verhouding tot de omloopsnelheid?
    Een hoge omloopsnelheid hoort bij een korte omlooptijd. Een lage omloopsnelheid hoort bij een lange omlooptijd
  10. Wat is omzetsnelheid?
    De omloopsnelheid van de voorraad tegen verkoopwaarde
  11. Hoe bereken je de omloopsnelheid op basis van de inkoopwaarde?
    omzet tegen inkoopwaarde : gemiddelde voorraad tegen inkoopwaarde
  12. Hoe bereken je de omloopsnelheid op basis van eenheden?
    omzet in eenheden : gemiddelde voorraad in eenheden
  13. Hoe bereken je de omzetsnelheid?
    omzet tegen verkoopwaarde : gemiddelde voorraad tegen verkoopwaarde
  14. Is de uitkomst van de berekening van de omzetsnelheid of omloopsnelheid een kengetal?
    Ja
  15. Waarin splitsen we het totale vermogen?
    Eigen vermogen en vreemd vermogen
  16. Waar bestaat het eigen vermogen uit?
    Het geplaatste aandelenkapitaal en de reserves
  17. Is nog niet uitgekeerde winst een deel van het eigen vermogen?
    Ja
  18. Noem twee kenmerken van aandeelhouders
    • 1. Ze zijn mede-eigenaar (en mede-verantwoordelijk) van het bedrijf
    • 2. De winst/het verlies is afhankelijk van de bedrijfsuitkomsten
  19. Welke twee andere benamingen voor eigen vermogen bestaan er?
    • 1. risicodragend vermogen
    • 2. ondernemend vermogen
  20. Moet eigen vermogen altijd ter beschikking van de organisatie staan?
    Ja
  21. Is een verschaffer van vreemd vermogen mede-eigenaar van een organisatie?
    Nee, die is schuldeiser
  22. Wat ontvangen verschaffers van vreemd vermogen i.p. van de organisatie?
    Een vaste rente, ongeacht de uitkomsten van het bedrijf
  23. Wat zijn twee andere benamingen voor vreemd vermogen?
    • 1. risico-mijdend vermogen
    • 2. niet-ondernemend vermogen
  24. Zijn voorzieningen ook vreemd vermogen?
    Ja
  25. Waarin splitsen we vreemd vermogen op?
    • 1. langdurig-tijdelijk vermogen
    • 2. kortdurend-tijdelijk vermogen
  26. Wat is (ongeveer) de grens tussen langdurig en kortdurend tijdelijk vermogen?
    Een jaar
  27. Wat is de vermogensmarkt?
    De totale vraag naar en het totale aanbod van vermogen
  28. Waarin splitsen we de vermogensmarkt?
    De kapitaalmarkt en de geldmarkt
  29. Wat verhandelen we op de kapitaalmarkt?
    Langlopende en middellanglopende vermogentransacties
  30. Welke transacties vinden plaats op de geldmarkt
    Kortlopende vermogenstransacties
  31. Welke twee functies kan het aandelenkapitaal hebben?
    Een waarborgfunctie en een financieringsfunctie
  32. Wat is een aandeel?
    Een bewijs van deelneming in het maatschappelijk kapitaal van een nv of een bv
  33. Wat zijn niet volgestorte aandelen?
    De volledige nominale waarde van deze aandelen is nooit voldaan aan de kas van de organisatie
  34. Wat is een aandeel aan toonder?
    De bezitter van het bewijsstuk van het aandeel is ook eigenaar van het aandeel. Daardoor kan het makkelijk aan derden worden gegeven.
  35. Noem de 4 soorten reserves die in het eigen vermogen kunnen zitten
    • 1. winstreserve
    • 2. agioreserve
    • 3. herwaarderingsreserve
    • 4. reorganisatiereserve
  36. Wat is agioreserve?
    Ontstaat als aandelen boven 100% worden geplaatst
  37. Wat is herwaarderingsreserve?
    Dat ontstaat als de activa van een organisatie in waarde toenemen.
  38. Wat is de reorganisatiereserve?
    Deze reserve ontstaat als maatregelen worden getroffen waarbij niet alleen het verlies verdwijnt, maar er reserve overblijft. Een dergelijke reorganisatie vindt plaats als de organisatie (langere tijd) verlies lijdt
  39. Effecten of fondsen zijn...
    verhandelbare waardepapieren
  40. Wat is een obligatie?
    Een bewijs van deelneming in een geldlening, uitgegeven door een publiekrechtelijk lichaam (staat, gemeente etc), instelling of onderneming
  41. Wat is een coupure?
    Een deel van een obligatielening
  42. Waarin verschilt een obligatie van andere aandelen?
    Bij obligaties wordt een vast rente percentage uitgekeerd
  43. Wat is een onderhandse lening?
    Een lening die buiten de effectenbeurs om door 1 of meer geldgevers wordt verstrekt
  44. Is een onderhandse lening lang of kort vermogen?
    Lang
  45. Is een onderhandse lening eigen of vreemd vermogen?
    Vreemd
  46. Wat is het verschil tussen een obligatie en een onderhandse lening?
    Een obligatie kent emissie kosten en emissie risico, een onderhandse lening niet.
  47. Wat is een achtergestelde lening?
    Een lening die bij faillissement pas terugbetaald wordt als alle schuldeisers zijn betaald.
  48. Wie is er betrokken bij een achtergestelde lening?
    De NIB, Nationale Investeringsbank
  49. Is een achtergestelde vreemd of eigen vermogen en waarom?
    Allebei, omdat het niet eigen is, maar wel risicodragend
  50. Aan wie worden achtergestelde leningen verstrekt?
    Goedlopende, winstgevende bedrijven die extra risicodragend vermogen nodig hebben en daar niet op een andere manier in kunnen voorzien.
  51. Behoren voorzieningen tot het vreemd of tot het eigen vermogen?
    Vreemd
  52. Waarin splitsen we voorzieningen op?
    Korte termijn voorzieningen en lange termijn voorzieningen
  53. Noem 2 voorbeelden van korte termijn voorzieningen
    dubieuze debiteuren, onderhoudsverplichtingen
  54. Noem 2 lange termijn voorzieningen
    groot onderhoud, pensioen
  55. Wat is leverancierskrediet?
    De goederen worden geleverd/ontvangen voordat er wordt betaald
  56. Wat is afnemerskrediet?
    Betaling gaat vooraf aan goederen ontvangst/levering
  57. Wat is een ander woord voor winst- en verliesrekening?
    Resultatenrekening
  58. Hoe noemen we de resultatenrekening ook wel?
    Winst en verliesrekening
  59. Wat staat er in de resultatenrekening?
    De omzet en kosten van een organisatie met als saldo de winst
  60. Hoe bereken je de omzet?
    Afzet maal prijs
  61. Wat is het bedrijfsresultaat?
    Omzet min alle kosten
  62. Wat is het nettobedrijsresultaat?
    Omzet min de kosten min de belastingen
  63. Wat is accountability?
    De relatie tussen marketingactiviteiten en het effect daarvan
  64. Hoe noem je de relatie tussen marketingactiviteiten en het effect daarvan?
    Accountability
  65. Wat is ROI?
    Return on investment, geeft de verhouding weer tussen geinvesteerd vermogen en de winst
  66. Wat is ROS?
    Return on Sales, de relatie tussen winst en de omzet
  67. Wat is de nettowinstmarge?
    ROS, return on sales, de verhouding tussen de winst en de omzet
  68. Hoe bereken je de ROI?
    winst : gemiddeld geinvesteerd vermogen maal 100%
  69. Hoe bereken je de ROS?
    winst : omzet maal 100%
  70. Welke 3 gegevens zijn nodig om een investeringsselectie te maken?
    • 1. investeringsbedrag
    • 2. economische levensduur/bruikbaarheidsduur
    • 3. cashflow voor elke jaren van economische bruikbaarheid
  71. Wat is cashflow?
    Het saldo van de kasontvangsten en uitgaven
  72. Welke twee investeringsselectiemethodes kennen we?
    • 1. Terugverdientijdmethode of pay-back methode
    • 2. Netto contante-waardemethode
  73. Hoe bereken je hoeveel van je investering je na x jaar terugverdient volgens de terugverdientijdmethode?
    • 1. Bepaal de jaarlijkse cashflow; winst of verlies van dat jaar plus de investering van dat jaar (bvb bij economische levensduur van 4 jaar 1/4de deel, dit is dan lineaire afschrijving) 
    • 2. De terugverdientijd kun je aflezen door de cashflows bij elkaar op te tellen. Het jaar waarin de investering wordt behaald is de terugverdientijd
  74. Welke twee voordelen heeft de terugverdientijdmethode?
    • 1. eenvoudige berekening
    • 2. terugverdientijd moet zo kort zijn dat risico's zijn te overzien
  75. Welke twee nadelen heeft de terugverdientijdmethode?
    • 1. er wordt geen rekening gehouden met cashflows ontvangen na terugverdientijd, dus de winst
    • 2. er wordt geen rekening gehouden met de tijdswaarde van geld
  76. Wat is de contante waarde?
    Huidige waarde van een toekomstige geldstroom
  77. Hoe kun je € 5000 + 10% van € 5000 ook opschrijven?
    1,10 x € 5000
  78. Hoeveel is € 5000 waard over twee jaar als de rente 10% is?
    € 5000 x 1,10 tot de macht 2, dus € 5000 x 1,10 x 1,10
  79. Wat is een contante waarde factor?
    De factor waarmee de contante waarde stijgt of daalt
  80. Hoe bereken je de netto contante waarde?
    Je verminderd de contante waarde met de inverstering
  81. Hoe bereken je de contante waarde?
    Toekomstige cashflows met behulp van de contantewaardefactoren te herleiden naar dit moment
  82. Hoe bereken je de netto contante waarde?
    Reken per jaar uit: winst/verlies + investering maal contante waarde factor (bij een rendementseis van 10% is deze factor 1/10 voor jaar 1, 1/10 tot de macht 2 voor jaar 2 etc). Uitkomsten bij elkaar optellen, investering eraf trekken, klaar
  83. Wanneer is een project aanvaardbaar bij de netto contante waarde methode?
    Als de netto contante waarde positief is. Voorkeur gaat uit naar project met de hoogste netto contante waarde.
  84. Van welke twee factoren gaat de portfolioanalyse uit?
    Marktgroei en relatief marktaandeel
  85. Wat is de portfolioanalyse?
    Een overzicht die inzage geeft in de positie van de producten/merken van een onderneming m.b.t. de marktgroei en het relatieve marktaandeel
  86. Waarin wordt de portfolioanalyse weergegeven?
    De portfoliomatrix
  87. Hoe ziet de portfoliomatrix eruit?
    • Op de horizontale lijn staat het relatieve marktaandeel, links=hoog, rechts=laag
    • Op de verticale lijn staat de marktgroei, boven=hoog, onder=laag
  88. Hoe bereken je het relatieve marktaandeel van een product/merk?
    Het marktaandeel van het eigen product/merk delen door dat van de grootste concurrent.
  89. Tussen welke kengetallen loopt de schaalverdeling van het relatieve marktaandeel in de portfoliomatrix?
    10 tot 0,1
  90. Welke schaalverdeling is gebruikelijk voor de marktgroei in de portfoliomatrix?
    0 tot 20%
  91. Staan er ook producten/merken van andere ondernemingen in de portfoliomatrix?
    nee
  92. Is de portfoliomatrix een momentopname?
    Ja
  93. We delen de portfoliomatrix op in 4 gelijke blokken, welke benamingen geven we de producten/merken die in die blokken staan?
    stars, problem children/wild cats/question marks, dogs en cash cows
  94. Wat zijn vier kenmerken van stars in de portfoliomatrix?
    • 1. bevinden zich in een sterk groeiende markt
    • 2. Hebben veel investeringen in reclame en distributie nodig om hun marktaandeel te behouden
    • 3. hebben een relatief groot marktaandeel
    • 4. leveren veel geld op
  95. Wat zijn drie kenmerken van cash cows in de portfoliomatrix?
    • 1. groot marktaandeel in weinig groeiende markt
    • 2. investeringen zijn niet meer nodig
    • 3. kasontvangsten zijn bij deze producten/merken het hoogst
  96. Wat zijn 3 kenmerken van dogs in de protfoliomatrix?
    • 1. laag marktaandeel in nauwelijks groeiende markt
    • 2. investering daarom niet wenselijk
    • 3. deze producten/merken dienen i.p. te worden afgestoten
  97. Wat zijn kenmerken van problem children?
    • 1. laag relatief marktaandeel in sterk groeiende markt
    • 2. er dient fors geinvesteerd te worden in deze producten
    • 3. men maakt door de hoge investeringen en laag marktaandeel in dit stadium meestal verlies met deze producten.
  98. Wat is de voornaamste functie van de portfoliomatrix?
    Een planningshulpmiddel
  99. Waarom is het onverstandig om alleen cash cows te hebben in een product portfolio?
    Als de cash cows inkomsten teruglopen is er geen opvolger
  100. Wat is een reden om dogs niet af te stoten?
    Ook al is het marktaandeel relatief laag, in sommige gevallen leveren ze nog steeds veel inkomsten op
  101. Hoe noemen we de portfoliomatrix ook wel?
    BCG-matrix of Boston Consulting Group matrix
  102. Wat is een BCG-matrix?
    Boston Consulting Group matrix, ofwel portfoliomatrix
  103. Wat is een Boston Consulting Group matrix?
    portfoliomatrix of BCG-matrix
  104. Welke 4 investeringsstrategieen, horend bij de portfoliomatrix, kennen we?
    • 1. Build-strategie
    • 2. Hold-strategie
    • 3. Harvest-strategie
    • 4. Desinvesterings-strategie
  105. Welke investeringsstrategie gebruik je voor de cash cows?
    Harvest-strategie; investeringen tot een minimum beperken, zoveel mogelijk cashflow genereren.
  106. Welke investeringsstrategie gebruik je voor de dogs?
    Desinvesteringsstrategie; men wil product op termijn elimineren
  107. Welke investeringsstrategie gebruikt men voor de problem children?
    Build-strategie; gericht op relatieve marktaandeel te vergroten
  108. Welke investeringsstrategie gebruik je voor de stars in de portfoliomatrix?
    Hold-strategie; met doet investeringen om grote relatieve marktaandeel te behouden

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview