chemie

Card Set Information

Author:
Saralien
ID:
250399
Filename:
chemie
Updated:
2013-12-08 09:20:18
Tags:
chemie
Folders:

Description:
Toegepaste chemie
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Saralien on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is het verschil tussen organische en anorganische chemie?
    • Organische chemie:
    • =koolstofchemie
    • verbindingen met vrijwel altijd koolstofatomen, vaak vergezeld van waterstofatomen.

    bv vetten, koolhydraten

    • Anorganische chemie:
    • verbindingen met normaalgesproken geen koolstofato(o)m(en), soms ook met koolstofato(o)m(en).

    bv koolstofdioxide, zouten, metalen, water
  2. Geef weer hoe atomen, moleculen, moleculaire stof, kern, protonen, neutronen zich tov elkaar bevinden.
    • kern (protonen+neutronen)
    • ->atomen
    • ->moleculen
    • ->moleculaire stof
  3. Vertel over de nummering bij voorvoegsels: voor wat staat 1,2,3,4,5,6,7,8,9,10?
    • Voorvoegsels:
    • 1 mono
    • 2 di
    • 3 tri
    • 4 tetra
    • 5 penta
    • 6 hexa
    • 7 hepta
    • 8 octa
    • 9 nona
    • 10 deca

    Meta, eta, propa, buta en dan verder zoals bekend: penta, hexa, nona, deka
  4. Voor wat staat de covalentie van een atoom?
    Het aantal atoombindingen van een atoom.
  5. Geef de covalentie van:
    H
    C
    O
    H
    F
    Cl
    Br
    I
    S
    N
    P
    Si
    • H 1
    • C 4
    • O 2
    • H 1
    • F 1
    • Cl 1
    • Br 1
    • I 1
    • S 2
    • N 3
    • P 3
    • Si 4
  6. Wat is het verschil tussen een element en een verbinding? Geef voorbeelden.
    • Element:
    • Een stof die uit één soort atoom bestaat.
    • Bv: helium, waterstof

    • Verbinding:
    • Stof die uit meerdere atomen bestaat.
    • Bv: water, aardgas
  7. Wat is het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel?
    • zuivere stof:
    • bestaat uit één soort deeltjes.
    • (deze stoffen kan men niet scheiden of sorteren omdat de deeltjes telkens weer bij elkaar komen)

    • mengsel:
    • bestaat uit meerdere soorten deeltjes.
    • Een mengsel kan uit elementen en verbindingen bestaan.
  8. Wanneer ontstaan waterbruggen?
    • Bij een binding met
    • O-H
    • N-H
  9. Welke gegevens vindt men per element terug in de tabel van Mendeljev?
    • Atoomnummer = aantal protonen
    • Atoommassa = protonen + neutronen
    • Elektronenconfiguratie (met bovenaan de binnenste schil
  10. Hoeveel protonen en elektronen bevat Hg22+?

    Geg van Hg:
    -atoomnr: 80
    • Protonen: 2 x 80= 160
    • Elektronen: 158
  11. Hoeveel protonen en elektronen bevat CO32-?

    Gegevens C:
    atoomnummer: 6

    Gegevens O:
    atoomnummer: 8
    • Protonen: 6 + (3x8)= 30
    • Elektronen: 32
  12. Hoe worden de stoffen onderverdeeld?
    • Metalen
    • Moleculaire stoffen
    • zouten
  13. Hoe komen metaalatomen voor?  Steeds per 1, per 2?
    Metalen komen steeds voor per 1 atoom.
  14. Wat zijn valentie-elektronen?
    Elektronen die optreden bij bindingen tussen atomen; hoofdzakelijk de elektronen in de laatste schil.
  15. Vertel over de elektronenconfiguratie.
    Verschillende energieniveaus=schillen: K L M N O

    • Max aantal elektronen: 2.n2
    • 1e schil K (n=1): max 2 elektronen
    • 2e schil L (n=2): max 8 elektronen
    • 3e schil M (n=3): max 18 elektronen
    • 4e schil N (n=4): ùax 32 elektronen

    Op de buitenste schil sowieso max 8 elektronen
  16. Wat is een covalente binding?
    Een covalente binding of atoombinding is een binding tussen atomen waarin de atomen één of meer gemeenschappelijke elektronenparen hebben. Niet-metalen gaan met elkaar covalente bindingen aan.
  17. Wat is een onverzadigde binding? Geef voorbeelden.
    Binding tussen 2 C-atomen in een molecule, waarbij er sprake is van een dubbele (C=C) of drievoudige C-C binding.

    Bv Alkenen, alkynen, onverzadigde vetzuren
  18. Wat is een verzadigde binding? Geef voorbeelden.
    Een molecuul dat uitsluitend enkelvoudige C-C bindingen heeft.

    bv Alkanen, verzadigde vetzuren
  19. Wat zijn isomeren?
    Stoffen die met elkaar overeenkomen doordat ze dezelfde moleculeformule hebben, maar een andere structuurformule.
  20. Wat is een substitutiereactie?
    Geef een voorbeeld.
    • Chemische reactie waarbij een atoom(groep) A wordt vervangen door een andere atoom(groep) Q.
    • Hierbij wordt een binding doorbroken (C-A) en vervangen door een nieuwe binding (C-Q).
    • Bij verzadigde ketens.

    Bv -C-C-C- + Cl2
  21. Wat is een additiereactie? Geef een voorbeeld?
    Chemische reactie waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul wordt gevormd.

    Bv C=C-C + H2O
  22. Wat is pH? Wanneer is een oplossing zuur of basisch?
    • De pH is een maat voor de zuurgraad van een waterige oplossing.  De pH van een neutrale waterige oplossing ligt bij kamertemperatuur rond de 7.
    • Zure oplossing: pH lager dan 7
    • Basische oplossig: pH hoger dan 7
  23. Wat is een buffermengsel?
    Wat gebeurt er indien er een zuur of base aan wordt toegevoegd?
    een oplossing die de H3O+ -concentratie constant houdt , zelfs al wordt er door een chemische reactie H+ geproduceerd of verbruikt.

    Het ontstaat door zowel een zwak zuur als een bijhorende zwakke base aan een waterige oplossing toe te voegen.

    Als er in een gebufferde oplossing H+ wordt bijgemaakt , kan dat door de aanwezige zwakke base worden opgenomen onder vorming van een zwak zuur.

    Als er H+ uit de oplossing wordt verbruikt, wordt nieuw H+ vrijgemaakt uit het zwakke zuur onder vorming van een zwakke base.
  24. Wat is oxidatie?
    Illustreer adhv een formule.
    Chemisch proces waarbij een stof (reductor) elektronen afgeeft aan een andere stof (oxidator).

    Fe2+ -> Fe3+ + e-
  25. Wat is reductie?
    Ilustreer aan de hand van een schema'tje.
    Chemisch proces waarbij een stof elektronen opneemt.

    Fe3+ + 3 e- -> Fe(s)
  26. Wat is een antioxidant?  Hoe gaan ze te werk? Geef enkele voorbeelden.
    Een antioxidant is in staat om schadelijke vrije radicalen te neutraliseren, die door hun ongepaarde elektron sterk geneigd zijn moleculen uit de omgeving te oxideren.

    De meeste oxidanten doen dit door met de vrije radicalen te reageren, waardoor ze onschadelijk worden.

    Bv Vit C, citroenzuur, Vit E, seleen, urinezuur, BHT en BHA.
  27. Wat is een alcohol? Geef een voorbeeld van de simpelste vorm.
    Een organische verbinding met een hydroxylgroep gebonden met een organische koolstofketen.

    Bv C-OH  = Methanol
  28. wat is een fenol?
    Een organische binding bestaande uit een bezneenring (6 koolstofatomen) waarvan één waterstofatoom is testubtitueerd door een hydroxylgroep (OH).
  29. Wat is een alkanol?
    Alkanen waar 1 H is vervangen door een OH-groep.
  30. Wat is het verschil tussen, primaire, secundaire en tertiaire alcoholen.
    • Primaire:
    • Alcohol waarbij de hydroxylgroep is gebonden aan één koolstofatoom.

    • Secundaire:
    • Alcohol waarbij de hydroxylgroep is gebonden aan twee koolstofatomen.

    • Tertiaire:
    • Alcohol waarbij de hydroxylgroep is gebonden aan drie koolstofatomen
  31. Wat zijn alkaanzuren? Wat is de standaard formule? Geef een synoniem.
    Alkanen waarin een CH3 groep is vervangen door een COOH-groep.

    Standaardformule: Cn H2n+1 COOH

    Synoniem: carboxyzuren
  32. Wat is een carboxylgroep?
    COOH
  33. Wat is een hydroxygroep?
    OH
  34. Vetzuren zijn alkaanzuren.  Leg kort uit.
    Vetzuren zijn alkaanzuren met 12 of meer C-atomen.
  35. Geef de molecuulformule van:
    -methaanzuur
    -ethaanzuur
    • -CH2O2
    • -C2H4O2
  36. Welke soorten isomerie bestaan er?
    • 1. Structuurisomerie:
    • volgorde van de atomen is anders

    • 2. Stereoisomerie:
    • Volgorde van de atomen is dezelfde, de ruimtelijke ordening is anders

    2.1 Cis-trans:

    • ! Voorwaarden:
    • -starre (dubbele) binding tussen 2 C-atomen
    • -2 verschillende groepen aan beide C-atomen

    • -cis: aan dezelfde kant (bv allebei boven dubbele binding)
    • -trans: aan andere kant (bv links en rechts van de dubbele binding)

    2.2 Spiegelbeeld of optische isomerie:

    Gaat enkel bij asymmetrische moleculen; hierbij is het spiegelbeeld niet identiek.
  37. Vertel over de spiegelbeeld isomerie bij melkzuur.
    • Melkzuur
    • =2 hydroxypropaanzuur
    • =C3H6O3

    Melkzuur dat in de spieren ontstaat is rechtsdraaiend omdat sommige bacteriën enkel rechtsdraaiend melkzuur aanmaken. (lichtstraal waarin de moleculen worden bekeken buigt naar rechts).--> CH3 buigt naar links.

    • Linksdraaiend melkzuur wordt moeilijker verwerkt door de lever. Verzuring bij baby's wgs onvoldoende ontwikkelde lever.
    • -> CH3 naar rechts.
  38. Wat is een aldehyde en hoe ontstaat het?  Waar in een molecule komen ze voor?
    Hoe gaat de naamgeving?
    Een functionele groep, bestaande uit een carbonylgroep waaraan een waterstofatoom + koolstofatoom verbonden is OF een organische verbinding van zo'n groep.

    Ontstaan: primaire alcohol wordt geoxideerd.

    Voorkomen: aan het einde van een keten

    Naamgeving: -anal
  39. Wat is een carbonylgroep?
    Een functionele groep die bestaat uit een koolstofatoom dat met een dubbele binding covalent verbonden is aan een zuurstofatoom.
  40. Wat is een keton?  Hoe ontstaat het en waar in de keten komt het voor?
    Hoe gaat de naamgeving?
    • Organische stof waarbij een carbonyl-groep C=O verbonden is met 2 C-atomen.
    • Midden in een keten.

    Voorkomen: midden van een keten

    • Naamgeving:
    • -anon
  41. Wat zijn esters?
    Organische verbindingen die ontstaan door reactie van een zuur met een alcohol of saccharide.

    Ontstaan: condensatiereactie
  42. Wat is een amine?
    Welke soorten bestaan er?
    Geef voor elke ondersoort de algeme structuur weer
    Een functionele groep bestaande uit een stikstofatoom met daarnaa verbonden drie koolstof- en/of waterstofatomen.

    • *primaire amine:
    • aan het stikstofatoom is één alkylgroep gebonden (en 2 waterstofatomen)

    •      -H
    • R-N    
    •      -H

    • *secundaire amine:
    • aan het stikstofatoom zijn 2 alkylgroepen gebonden (en 1 waterstofatoom)

    •      -H
    • R-N     
    •      -R'

    • *tertiair amine:
    • aan het stikstofatoom zijn 3 alkylgroepen en gebonden (en geen waterstof)

    •      -R''
    • R-N
    •      -R'
  43. Wat zijn amiden?
    Een amide is een N-atoom gebonden aan de carbonylgroep. (C=O)
  44. Wat is een ether?
    Een organische verbinding van de algemene vorm R-O-R', waarbij de centrale zuurstofatoom een directe binding heeft met twee koolstofatomen die deel zijn van een alkyl (C-O)- of arylgroep (ring).
  45. Wat is een aminozuur?
    Hoe noemt men een aminozuur met 2 C-atomen in?
    Bevat zowel een carboxylgroep -COOH (kenmerkend voor een zuur) als een aminogroep -NH2 (kenmerkend voor een amine).

    Amino-ethaanzuur
  46. Wat zijn eiwitten?
    • Grote klasse van biologische moleculen, die bestaan uit polymere ketens van aminozuren die verbonden zijn door peptidebindeingen.
    • Polypeptiden die op een bepaalde manier zijn ruimtelijk opgevouwen.
  47. Welke structuren bestaan er binnen een eiwit?  Beschrijf ze kort?
    • *primaire structuur:
    • volgorde van de aminozuren in de keten.
    • Oneindig veel combinaties mogelijk: 20aantal aminozuren
    • ! Belangrijk voor eigenschappen van de proteïne

    • *Secundaire structuur:
    • Besschrijft de conformatie of ruimtelijke gerichtheid van de peptideketen.
    • !Peptidebinding speelt hierin een belangrijke rol.

    Geen vrije rotatie mogelijk rond de NC-binding, maar de twee vlakken kunnen wel verdraaien tov elkaar.

    Meest voorkomende structuren: helix (bv keratine), vouwblad (bv in natuurzijde)

    • *Tertiaire structuur ('vouwing'):
    • Manier waarop de helix of het vvouwblad van proteïnen zich in de ruimte strekt.
    • Wordt vooral bepaald door interacties tussen de zijketens:
    • waterstofbruggen, zwavelbruggen, ionbindingen.
  48. Wat is denaturatie?
    • Volledige vernietiging van de secundaire en tertiaire structuur door invloed van pH, zoutconcentratie en temperatuur.
    • Meestal omkeerbaar maar niet altijd.

    Bij labiele structuur door zwakke bindingen.
  49. Wat zijn enzymen?
    • =fermenten = biokatalysatoren
    • Eiwit dat een bepaalde reactie in of buiten een cel katalyseert (mogelijk maakt of versnelt) zonder daarbij zelf verbruikt te worden of van samenstelling te veranderen.
  50. Enzymen zijn biokatalysatoren.  Leg uit.
    Het enzym verbindt zich tijdens de reacties kortstondig met het substraat.

    • Substraat = datgenen dat met de stofwisseling of verteering een reactie aangaat; deel van de molecule waarop het enzym inwerkt.
    • ! Voor elke enzyme is er een specifiek substraat.

    Vaak is een co-enzym nodig: tussenstuk.
  51. Geef twee voorbeelden van enzymen en leg ze kort uit.
    • *Amylase:
    • naam van verteringsenzymen die amylose/amylum afbreken.
    • -soort hydrolase (neemt watermolecuul op)-> hydrolyse
    • -soort sacharidase (splitst polysachariden)

    bv bij zet mbv amylase sachariden om in honing

    • *Peptidase (=protease):
    • Enzymen die eiwitten en andere aminozurenketens afbreken.
    • -kan de verbinding tussen twee aminozuren hydrolyseren
  52. Wat is hydrolyse?
    Afbraak van eiwitten.
  53. Hoe kan men de sachariden indelen?  Geef van elke soort enkele voorbeelden?
    • Monosachariden:
    • glucose, fructose

    • Disachariden:
    • sacharose (tafelsuiker: glucose + fructose)
    • maltose (glucose + glucose)

    • Polysachariden:
    • zetmeel (aaneenschakeling van min. 3 glucose moleculen)
  54. In welke vorm kan glucose voorkomen?

    Teken beide.
    • -cyclische keten (gesloten)
    • -alifatische keten (open)
  55. Wat zijn lipiden?
    Vetachtige stoffen die (meestal) onoplosbaar zijn in water en oplosbaar in alcohol door hun lange koolstofwaterketens.
  56. Hoe kunnen lipiden worden ingedeeld?
    • 1. complexe (hydrolyseerbare) lipiden:
    • -Oliën en vetten (=triglyceriden mengsels)
    • -wassen
    • -fosfolipiden

    • 2. Enkelvoudige (niet hydroliseerbare) lipiden:
    • -terpenen
    • -steroiden
    • -prostaglandenen
  57. Vertel over de opbouw van triglyceriden.
    Glycerol:        Vetzuren

    CH2OH          HOOC-R1

    CH OH    +    HOOC-R2 

    CH2OH          HOOC-R3

    =

    CH2-O-CO-R1

    CH -O-CO-R2  +  3H2O

    CH2-O-CO-R3
  58. Wat is het verschil tussen een olie en een vet?
    • Vet:
    • Als een olie bij kamertemperatuur vast is. Als in het vetzuurgedeelte geen dubbele binding is.
    • bv frituurvet

    • Olie:
    • Als een olie bij kamertemperatuur vloeibaar is.  Stollen bij een lagere temperatuur dan vetten.
    • Als in het vetzuurgedeelte een dubbele binding is.
    • Bv zonnebloemolie
  59. Waarin verschillen wassen met vetten?
    Hierbij is het glycerol niet veresterd met vetzuren, maar wel met monoalcoholen.--> hoger smeltpunt dan triglyceriden.
  60. Wat zijn omega-3-vetzuren?
    Geef enkele voorbeelden (afkortingen).
    Hoe herken je ze?
    Waarom spreekt men van omega-3-vetzuren?
    Waarvoor zijn ze goed?
    Een groep meervoudig onverzadigde vetzuren.

    Vb: ALA, EPA, DHA

    Herkenning: vermelding n-3

    Naam: de eerste dubbele binding in de meervoudig onverzadigde vetzuurketen ligt bij de derde C-C binding (vf omega uiteinde gezien).

    Nut: Verlaging van ongunstige LDL cholesterol en triglyceridengehaltes.
  61. Wat is nucleinezuur? 
    Geef voorbeelden.
    Complexe molecule waarin een groot aantal bouwstenen (nucleotiden) aan elkaar geschakeld zijn.

    De volgorde van de nucleotiden bepaalt de genetische informatie.

    Bv: DNA (genetische informatie), RNA (overdracht van informatie)
  62. Wat zijn nucleotiden?
    Wat is hun functie?
    Hoe herken je ze?
    Vormen een groep bio-organische verbindingen die de bouwstenen voor DNA en RNA vormen.

    • -Belangrijke, regulerende functie in het metabolisme van de cel. 
    • -Ze maken onderdeel uit van belangrijke co-enzymen

    • Hoe te herkennen:
    • lange keten met O-P-OH atomen aan een pentose
  63. Wat zijn kunststoffen?  Leg de verschillende soorten uit en geef voorbeelden.
    Kunststoffen = alle chemische verbindingen die door niet-natuurlijke chemische processen wordt gemaakt.

    • Thermoplasten:
    • smelten bij sterke verhitting doordat ze (zo goed als) geen dwarsverbindingen bevatten

    bv: Polyetheen (PE), Polyvinylchloride (PVC), ABS, Polypropeen (PP)

    • Thermoharders:
    • =duroplasten
    • blijven hard als ze worden verhit omdat ze dwarsverbindingen bevatten

    bv: DAF, MF, -aldehyde

    • Elastomeren:
    • polymeren met rubberachtige eigenschappen omdat ze geen dwarsverbindingen hebben.

    bv NR (natuurrubber), PUR
  64. Wat is polymerisatie? Leg de verschillende soorten uit.
    Polymerisatie= het ontstaan van een molecuul dat bestaat uit een sequentie van meerdere identieke of soortgelijke delen (monomere eenheden) die aan elkaar zijn gekoppeld.

    • Additiepolymerisatie:
    • dit wordt gebruikt voor de polymerisatie van alkenen en alkynen, bijvoorbeeld tot polyetheen maar ook rubber. Deze polymerisatiereactie wordt meestal additie genoemd en wordt geïnitialiseerd door een radicaal. Net door deze radicaalvorming kan een keten erg snel gemaakt worden. Nadeel is wel dat als twee radicalen met elkaar binden, het polymeer niet meer kan 'aangroeien'. Additiepolymeren zijn altijd ketenpolymeren.

    • Condensatiepolymerisatie:
    • Tijdens de polymerisatiereactie ontstaat naast het polymeer, ook nog een klein molecuul. Vaak is dat water, soms ammoniak, methanol of waterstofchloride.
    • Dubbele binding is noodzakelijk!
    • Er wordt uitgegaan van moleculen die twee functionele groepen hebben.
    • hierdoor gevormd: polyester (reactie van carbonzuurgroepen en alcoholgroepen), polyether (reactie van twee alcoholgroepen)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview