g.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
253
Filename:
g.txt
Updated:
2009-10-14 04:30:23
Tags:
Nederlandse \'g\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. gaan
    to go
  2. gaar
    done (meat)
  3. gang; de
    passage; corridor
  4. garage; de
    garage
  5. garderobe; de
    wardrobe; cloakroom
  6. gas; het
    gas
  7. gaskachel; de
    gasheater
  8. gast; de
    guest
  9. gastheer; de
    host
  10. gat; de
    hole
  11. gauw
    quick; swift
  12. gazon; het
    lawn
  13. geallieerden; de
    Allies
  14. gebak; het
    pastry
  15. gebakje; het
    pastry; tart
  16. gebeuren
    to happen
  17. gebied; het
    area; territory
  18. gebit; het
    set of teeth
  19. geblesseerd
    injured
  20. geboorte; de
    birth
  21. geborgenheid; de
    security
  22. gebouw; het
    building
  23. gebrek; het
    lack; want; shortage
  24. gebrekkig
    defective; imperfect
  25. gebruik; het
    use; custom
  26. gebruiken
    to use
  27. gedicht; het
    poem
  28. gedrag; het
    behaviour; conduct
  29. gedragen (zich)
    behave oneself
  30. geel
    yellow
  31. geen
    no; not a; not any
  32. geestig
    funny; witty
  33. gegeven; het
    datum
  34. gegeven
    given
  35. gegroet
    good-bye
  36. geheel; het
    whole
  37. geheim; het
    secret
  38. geheugen; de
    memory
  39. gehoor; het
    hearing; audience
  40. gehoorzaam
    obedient
  41. gein; de
    fun
  42. geit; de
    goat
  43. gek; de
    madman; crazy
  44. gekleurd
    coloured
  45. gelaat; het
    face; countenance
  46. geld; het
    money
  47. gelden
    to be valid; apply
  48. geldig
    valid; available
  49. geleden
    ago; before
  50. gelegen
    situated
  51. gelegenheid
    occasion; opportunity
  52. gelijk
    equal
  53. gelijk hebben
    to be right
  54. gelijkmatig
    uniform; even
  55. geloof; het
    belief
  56. geloven
    to believe
  57. gelovig
    believing; pious
  58. gelovige; de
    believer
  59. geluk; het
    happiness
  60. gelukken
    to succeed
  61. gelukkig
    happy; lucky
  62. gelukwens; de
    congratuation
  63. gemak; het
    ease; comfort
  64. gemakkelijk
    easy; comfortable
  65. gemeen
    mean; dirty; common
  66. gemeenschappelijk
    communal; common
  67. gemeente; de
    municipality; parish
  68. gemiddeld; de
    average
  69. genaamd
    named
  70. genade; de
    grace; mercy
  71. geneesheer; de
    physician
  72. generaal
    general
  73. genezen
    to cure
  74. geniaal
    brilliant; genius
  75. genie; de
    genius
  76. genieten
    to enjoy
  77. genoeg
    enough
  78. genoegen; het
    pleasure; delight
  79. gerecht; het
    dish; course
  80. gerechtsdienaar; de
    constable
  81. gerechtshof; het
    court of justice
  82. gesloten
    colsed
  83. gesneden
    sliced
  84. gesorteerd
    sorted
  85. gesprek; het
    conversation
  86. geste; de
    gesture
  87. getuige; de
    witness
  88. getuigen
    testify; give evidence
  89. getuigenis; het
    evidence; testimony
  90. geur; de
    fragrance; scent
  91. gevaar; het
    danger
  92. gevaarlijk
    dangerous
  93. geval; het
    case
  94. gevangen
    caught
  95. gevangene; de
    prisoner
  96. gevangenis; de
    prison
  97. geven
    to give
  98. gevoel; het
    feeling
  99. gevolg; het
    consequence; result
  100. geweer; het
    rifle
  101. gewoon
    ordinary; usual
  102. gewoonlijk
    usually
  103. gewoonte; de
    custom; habit
  104. gezag; het
    authority
  105. gezang; het
    singing; song
  106. gezegde; het
    saying; expression
  107. gezel; de
    fellow; mate
  108. gezellig
    sociable; cosy
  109. gezicht; het
    sight; face
  110. gezin; het
    nuclear family
  111. gezond
    healthy
  112. gezondheid; de
    health
  113. gezouten
    salted
  114. gids; de
    guide
  115. gier; de
    vulture
  116. gieren
    to scream
  117. gierig
    avaricious; mean
  118. gierigaard; de
    miser
  119. gieten
    to pour
  120. gieter; de
    waterring can
  121. gij
    thou
  122. giraf; de
    giraffe
  123. gist; de
    yeast
  124. gisteren
    yesterday
  125. glad
    smooth
  126. glas; het
    glass
  127. glijden
    to slide; glide
  128. glimlach; de
    smile
  129. glimlachen
    to smile
  130. glimmen
    to glimmer; shine
  131. glimp; de
    gllimpse; gleam
  132. glinsteren
    to glisten
  133. globaal
    rough; broad
  134. gloeien
    to glow
  135. gloeilamp; de
    light bulb
  136. god
    God
  137. goddelijk
    divine
  138. godsdienst; de
    religion
  139. goedkoop
    cheap
  140. golf; de
    wave; gulf; golf
  141. golfbaan; de
    gold course
  142. goochelaar; de
    magician
  143. goochelen
    to conjure; juggle
  144. gooien
    to throw
  145. goud; het
    gold
  146. gouden
    golden
  147. goudkleurig
    gold coloured
  148. graad; de
    degree
  149. graaf; de
    earl; count
  150. graag
    gradly; willingly
  151. graan; het
    corn; grain
  152. graat; de
    fish bone
  153. gracht; de
    canal; moat
  154. graf; het
    grave; tomb
  155. grandioos
    grandiose
  156. grap; de
    joke
  157. gras; het
    grass
  158. grasveld; het
    lawn
  159. gratie; de
    grace; pardon; reprieve
  160. gratis
    free
  161. graven
    to dig
  162. gravin; de
    countess
  163. grazen
    to graze
  164. grens; de
    limit; border
  165. griep; de
    flu
  166. grijpen
    to seize; grab
  167. grijs
    grey
  168. grijsaard; de
    old man
  169. grimlach; de
    grin; sneer
  170. grimmig
    grim; sullen
  171. grissen
    to snatch
  172. groei; de
    growth
  173. groeien
    to grow
  174. groen
    green; fresh
  175. groente; de
    vegetables
  176. groenteboer; de
    greengrocer
  177. groentje; het
    greenhorn
  178. groep; de
    group
  179. groet; de
    greeting
  180. groeten
    to greet; salute
  181. grof
    coarse; rough
  182. grond; de
    ground; soil
  183. grondig
    thorough
  184. groot
    great; large; tall
  185. grootmoeder; de
    grandmother
  186. grootouders; de
    grandparents
  187. grootvader; de
    grandfather
  188. gruwelijk
    horrible. atrocious
  189. gunstig
    favourable

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview