Orthopedie

Card Set Information

Author:
kensmet
ID:
254931
Filename:
Orthopedie
Updated:
2014-01-22 15:34:24
Tags:
loco
Folders:

Description:
bewegingsstelsel
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kensmet on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. wat zijn de voornaamste functies van de motorische bezenuwing van een spier?
    • - trofisch (voedend) bij sectie treedt atrofie op
    • - willekeurige contractie
    • - rusttonus: dit speelt mee in de reflexen
  2. trigonum lumbale van Petit: waar ligt dit en hoe is dit begrensd?
    • - laterale zijde, lumbaal
    • - begrensd door M. obliquus externus naar voor, crista iliaca naar onder en M. latissimus dorsi naar achter toe
  3. functie van de rotatorcuff?
    welke spieren behoren hiertoe?
    • - stabilisatie van het caput humeri tegen de cavitas glenoidalis
    • - M. supra/ infraspinatus, Teres minor en subscapularis
  4. welke twee zenuwen verzorgen de abductie en exorotatie in het schoudergewricht?
    • - N. Axillaris (M. deltoïdeus en teres minor)
    • - N. supraspinatus (M. supra- en infraspinatus)
  5. wat vormt de beste test voor de integriteit van de N. Medianus? en waarom?
    • - (on)mogelijkheid tot opponeren van de duim
    • - M. opponens pollicis wordt enkel geïnnerveerd door de N. Medianus
  6. gestoorde proef van fremont wijst op een letsel van welke zenuw? 
    door parese van welke spier komt dit?
    • - letsel van de N. Ulnaris (ramus profundus)
    • - parese van de M. aDductor pollicis
  7. welke vasculonerveuze elementen worden vervat in de sulcus bicipitalis medialis?
    - N. Medianus, A.V. Brachialis
  8. waar op zijn perifere verloop is de N. Radialis het kkwetsbaarst?
    - ter hoogte van het caput radii waar hij omheen het collum draait (radius-kop fractuur, luxatie..)
  9. wat zijn de functies van het bot?
    • - mechanische steunfunctie
    • - plaats voor de hematopoëse
    • - biologische functie in het Ca2+ en PO43- metabolisme
  10. een verplaatste fractuur zal je beoordelen volgens verschillende parameters. welke?
    • - eventuele verkorting
    • - asafwijkingen
    • - contact tussen de breukvlakken
    • => dit volgens de drie vlakken in de ruimte
  11. wanneer treedt een stressfractuur typisch op? welk mechanisme ligt hiervan aan de basis?
    • - bij een plotse toename van het activiteitsniveau
    • - overstijgen van de draagkracht van het bot: structureel falen en botafbraak
  12. waar zullen stressfracturen typisch voorkomen?
    • - femurhals
    • - 2e metatarsaal
    • - tibia (mediaal en proximaal)
  13. inwendig bloedverlies ten gevolge van een fractuur zal het grootst zijn bij welke fractuur?
    - bekkenfractuur
  14. een primair verwikkelde fractuur gaat gepaard met schade aan?
    + 3 voorbeelden (één per structuur)
    • - belangrijke bloedvatenn zenuwen of inwendige organen
    • => suppracondylaire humerus#: A. Brachialis
    • => bekkenfractuur: blaas, urethraschade
    • => knie#: uitval N. peroneus communis
  15. wat leert de anamnese u bij een fractuur?
    • - onderscheid laag-hoogenergetisch trauma
    • - ontstaanmechanisme kan verder onderzoek of beeldvorming sturen
    • - aard van de fractuur kan u iets elren over ontstaanmechanisme (agressie..)
  16. bij een fractuur zal tijdens het klinisch onderzoek steeds wat routinematig worden getest?
    • - perifere pulsaties
    • - doorbloeding
    • - sensiebele en motorische functies
  17. het aangewezen beeldvormingsonderzoek bij een intra-articulaire bloeding is?
    echografie
  18. wanneer biedt CT een duidelijke meerwaarde bij fracturen?
    en waarom?
    • - complexe en/ of intra-articulaire fractuur
    • - door de analyse in drie vlakken
  19. welke patiënten zullen best een total body CT-scan ondergaan bij verdenking van fracturen?
    - bewusteloze en zwaargewonde patiënten
  20. welke vier fasen onderscheid men bij de botheling?
    • - inflammatiefase (dag 0-7)
    • - zachte callus (week 2-4)
    • - harde calluse (maand 2-3)
    • - remoddelering (na maand 3)
  21. tijdens de tweede fase van botheling (zachte callus) worden twee kragen van osteoblasten gevormd aan beide uiteinde die naar elkaar toegroeien.
    dit mechanisme kan zowel bevorderd worden als worden tegengewerkt. hoe?
    • - bevorderend = lichte beweging
    • - verhinderd door rigiede fixatie
  22. reductie van fracturen bij jongen patiënten gebeurt best?
    - gesloten reductie via tractie of manipulatie
  23. wat zijn de voor en nadelen van gipsimmobilisatie?
    • - voordelen: behoudt van vascularisatie, afwezigheid littekens en risico op infectie
    • - nadelen: lange immobilisatieduur en minder controle over het behoudt van repositie
  24. wat zijn de huidige indicaties voor relatieve immobilisatie door tractie?
    • - bij jonge kinderen wordt dit nog vaak uitgevoerd (femurfracturen)
    • - bij volwassenen enkel wanneer in afwachting van HK of behandeling van weinig of niet verplaatste acetabulum fracturen
  25. de voornaamste voor- en nadelen van chirurgische fixatie zijn?
    • - voordelen: goede correctie van de as, stevige fixatie => snelle mobilisatie
    • - nadelen: verstoring van de vascularisatie (pseudarthrose), risico op postoperatieve infectie en littekenvorming
  26. vertraagde botheling wordt veroorzaakt door een gestoorde bloedvoorziening. de voornaamste oorzaak van een gestoorde bloedvoorziening is?
    nicotineabusus
  27. wat zijn de klinische kenmerken van het acuut compartimentssyndroom?
    • - toenemende, oncrontroleerbare pijn
    • - pijn bij passieve beweging van het lidmaat
    • - hard, gespannen lidmaat
    • - optreden van paresthesiën 
    • - motorische functiestoornissen
    • - afwezige arteriële pulsaties (eindstadium)
  28. welke alarmtekens onderscheid je bij klachten van lage rugpijn?
    • - algemeen
    • malaise
    • koorts
    • gewichtsverlies
    • langdurig gebruik cortico's, druggebruik, HIV, immunosuppressiva
    • leeftijd <18 of >55j
    • VG van kanker
    • - ruggerelateerd
    • uitstraling onder de knie
    • proggressief verergerend
    • gepaard met sensibel/ krachtverlies
    • toenemende postop pijn
    • cauda-equina symptomen
    • recent trauma
    • nachtelijke pijn
    • structurele houdingsafwijkingen
  29. waarom voer je bij een chronische lumbago toch een goede anamnese en klinisch onderzoek uit?
    • - uitsluiten van andere mogelijk oorzaken:
    • abdominale pathologie (aneurysma, ulcus, retroperitoneale tumor)
    • gynaecologische oorzaken
    • renale pathologie
    • osteoporose
    • infectie
  30. wanneer wordt de test van Lasègue  als positief beschouwd?
    wanneer er pijn optreedt die uitstraalt tot ONDER het niveau van de knie
  31. DD lumbale discushernia
    • acute lumbago
    • => scheefstand van de rug, acuut optreden van de pijn en paravertebrale spierspasmen

    DD obv uitstraling
  32. wanneer is een MRI aangewezen bij een lumbale discushernia?
    • - optreden van neurologische symptomen
    • - langer dan vier weken aanhoudende klachten
  33. welke klinische investigaties voer je uit bij verdenking van een cauda-equina syndroom?
    • - inspectie van de gang
    • - rechtkomen van stoel zonder leuning
    • - hiel/ teenstand
    • - evaluatie sensibele en motorische bezenuwing vh OL
    • - peri-/ anale gevoeligheid
    • - sfinctertonus
  34. wat zijn de mogelijke oorzaken van een cauda-equina syndroom en welke technische onderzoeken kun je hiervoor gebruiken?
    • - centrale discushernia
    • - epidurale bloeding of abces
    • => MRI
    • - infectie
    • => PBO (CRP)
    • - trauma met retropulsie van een wervellichaam
  35. DD neurogene en vasculaire claudicatio?
    • - neurogene:
    • verbetert bij voorovergebogen houding (houding heeft geen effect bij vasculaire)
    • aanwezigheid van pulsaties
    • verbetert niet bij staan
    • voosheid en scherpe pijn ipv krampen en spanningsgevoel
  36. spondylolyse of spondylolisthese kan in beeld worden gebracht door?
    • - spondylolisthese door klassieke RX
    • - spondylolyse door een schuine opname
    • => in initiële stadium vals negatief: Te-scan (hotspot)
  37. klachten die kunnen voorkomen bij spondylolisthese zijn?
    • - lage rugpijn
    • - uitstralend posterieur soms tot onder de knie
    • - afvlakken lumbale lordose
    • - paravertebrale spierspasmen
  38. voornaamste symptoom bij een wervelkolomtumor is? en van wat is dit het gevolg?
    • - pijn
    • - secundair aan de verzwakking van het metastatisch proces
  39. osteoporose is een voornamelijk traag progressief proces, waar kan het zich echter plots manifesteren met welke typische klinische tekens?
    • - thv de wervelkolom
    • plots lengteverschil
    • lage rugpijn
    • spinale deformiteiten (toename thoracale kyfose)
  40. acromioclaviculaire luxatie kan op RX gevisualiseerd worden door een specifieke opname, welke?
    - AP met gewicht in de hand = stressopname
  41. bankart letsel is een letsel van?
    - het labrum, is samen met de glenohumerale ligamenten afgescheurd
  42. welke schouderluxatie is verreweg het meest frequent?
    welke schade wordt hier voornamelijk gezien?
    • - unilaterale traumatische anterieure
    • - schade aan de rotatorencuff, N. Axillaris, bankartletsel (labrum) en Hill-Sachs letsel (beenderige impactie posterieur)
  43. bij een recidief kan de reductie van een schouderluxatie (anterieur) iets gemakkelijker verlopen. hoe behandel je dit?
    - pt. in buiklig, gewicht in de aangetaste arm en laten afhangen
  44. welke zijn twee belangrijke voorwaarden voor een reductie van een anterieure schouderluxatie?
    • - pijnstilling
    • - spierrelaxatie
  45. welk klinisch teken is zeer betrouwbaar in het diagnosticeren van een posterieure schouderluxatie?
    • - de onmogelijkheid om de schouder in exorotatie te brengen
    • => pt. houdt zijn arm in adductie en endorotatie
  46. light bulb sign wordt gezien bij welk letsel?
    - posterieure schouderluxatie op AP-opname
  47. wat is bursitis calcarea?
    welk symptoom treedt op de voorgrond en wanneer? waarom?
    • - calcifiëring van peri-articulaire elementen (bursa, rotatorcuff) rond de schouder
    • - pijn => 's nachts
    • - tijdens de resorptie fase van het hydroxyie-apatiet door de inflammatie errond
  48. wat is een gevolg van een langbestaande rotatorcuffscheur?
    • - naar proximaal migreren van de humeruskop
    • => contact met het acromion: artrose, KB-degeneratie, pijn 
    • = cuffscheurarthropathie
  49. partiële diktescheur van de rotatorcuffspier thv de bursa: meest waarschijnlijke oorzaak?
    impingement
  50. partiële diktescheur van de rotatorcuffspier,articulair: meest waarschijnlijke oorzaak?
    - ontoereikende bloedvoorziening in combinatie met degeneratieproces
  51. functie verlies in de schouder door rotatorcuffspierscheuren kan leiden tot?
    frozen shoulder: verlies van zowel actieve als passieve beweeglijkheid
  52. SLAP-letsel: QUID?
    • - superior labrum anterior tot posterior
    • = letsel van de aanhechtingsplaats van het caput longum bicipiti
  53. hoe wordt een SLAP letsel meestal opgelopen?
    bij werpactiviteit
  54. waarom faalt conservatieve behandeling van een SLAP letsel meesstal?
    door de beperkte vascularisatie
  55. waar detecteer en puncteer je best een zwelling van het ellebooggewricht?
    posterolateraal
  56. waarom wordt er bij kinderen vaker een avulsie van de mediale epicondylus aangetroffen dan ruptuur van het ulnair collateraal ligament?
    - bij kinderen zijn de ligamenten nog sterker dan de benige elementen, lig. blijft intact maar trekt de epicondylus los => avulsie
  57. door welke elementen wordt de stabiliteit van de elleboog vnl. bepaald?
    • - proc. Coronoïdeus
    • - ulnair collateraal ligament
  58. een patiënt met een anterieure schouderluxatie houdt zijn arm vnl in? vgl met posterieure?
    • aBductie, exorotatie
    • => post: adductie en endorotatie (exorotatie is niet mogelijk!!)
  59. wat mag voor en na de reductie van een elleboogluxatie zeker niet vergeten worden
    evaluatie van de neurovasculaire toestand!!
  60. wat is de meest stabiele positie voor immobilisatie van de elleboog?
    - matige flexie (niet overdreven <zwelling in de eerste 24u) en pronatie
  61. bij een fractuur van het olecranon treedt er een verplaatsing op, door wat en naar waar?
    hierdoor is .. niet meer mogelijk?
    • - door de M. Triceps naar proximaal
    • - actieve extensie van de elleboog (pijn)
  62. welke vasculonerveuze elementen worden bedreigt bij een supracondylaire humerfractuur ?
    • - N. Medianus
    • - A. Brachialis
  63. het belang van de stabiliserende functie van de radiuskop vloeit voort uit?
    - de valgusstand van de elleboog (ter hoogte van de flexie-extensie aas)
  64. type II en III radiuskopfracturen worden gemakkelijk gezien op RX, I niet. hoe kan je dit klinisch opsporen?
    - drukpijn over de radiuskop tijdens pro-/ supinatiebeweging (passief)
  65. er zijn twee mogelijke opties voor de behandeling van een type II radiuskopfractuur. wanneer zal men opteren voor optie één en wanneer voor optie twee?
    • - conservatief wanneer het verplaatste fragment <30% van de radiuskopoppervlakte beslaat
    • - chirurgische fixatie en repositie wanneer >30% vd oppervlakte OF bij een mechanische bewwegingsbeperking
  66. een monteaggifractuur is een combinatie van twee letsels: welke?
    • - MIDdiafysaire ULNA-fractuur
    • - radiuskop-LUXATIE
  67. bij een ulnafractuur is het van belang zeker een bepaald RX-incidentie uit te voeren. welke en waarom?
    • - strikt lateraalwaartse opname
    • - na te gaan of de as doorheen het capitellum nog overeenkomt met de stand van de radiuskop ((sub)luxatie nagaan)
  68. een combinatie van een middiafysaire fractuur van de radius met een carpo-ulnaire luxatie wodrt ... genoemd?
    galeazzi fractuur
  69. therapie bij epicondylitis?
    • - conservatief: rust + aanpassen van het activiteitsniveau
    • - NSAID (tijdelijke verlichting van de inflammatie)
    • - injectie met depotcortico's mag herhaald worden


    • bij falen
    • - HK release van de peesinsertie
  70. testen van de polsflexoren en extensoren gebeurt met de vingers geplooid of gestrekt? en waarom deze houding?
    • - polsextensoren: vingers geplooid (uitschakelen vingerextensoren: veroorzaken ook een extensie in het polsgewricht => vals negatief)
    • - polsflexoren: vingers gestrekt (uitschakelen van de vingerflexoren)
  71. bij een pouteau fractuur is de distale radius epiphyse verplaatst naar?
    - dorsaal (Smith naar palmair)
  72. de voornaamste populatie die een polsfractuur doet is?
    - vrouwen >50j (osteoporose)
  73. fractuur van de radius en scafoïd treden op in verschillende standen van de pols, welke?
    • - radiusfractuur: hyperextensie
    • - scafoïd: hyperflexie
  74. waarom is er bij een scafoïd-fractuur een verhoogt risico op non-union en avasculaire necrose?
    • - wordt initieel vaak gemist en dus niet behandeld
    • - slecht gevasculariseert
  75. wanneer wordt een scafoïdfractuur gefixeerd?
    • - bij een verplaatste fractuur
    • - fractuur ter hoogte van de proximale pool (intrede van de A. ligt distaal risico op AN proximale deel)
  76. epauletteteken= QUID?
    een zeer 'hoekige' schouder, komt voor bij een schouderluxatie (humeruskop is verplaatst naar caudaal => vervlakken van het deltoideusreliëf en dus hoekiger worden van de schouder)
  77. een bennett fractuur is een fractuur van? een typisch kenmerk hier is?
    • - fractuur van de basis van metacarpaal I (duim)
    • - belangrijke verplaatsing o.i.v. de abductor pollicis (functieverlies!)
  78. bij een luxatie van de vinger neem je toch een RX. om wat uit te sluiten?
    • - fractuur
    • - avulsie
  79. wat wordt verstaan onder een Malletvinger, hoe stel je de diagnose en wat is belangrijk hierbij(onderzoek)?
    • - afscheuren van de extensor digitorum
    • - via RX: nagaan of de avulsie gebeurt met botschilfer of zonder => wanneer een stukje bot nog aan de pees hangt is dit prognostisch gunstiger
  80. hoe kan een letsel van de flexor digitorum SUPERFICIALIS worden opgespoord?
    - flexie van de vinger terwijl de andere vingers in extensie worden gehouden (uitschakelen van de flexor digitorum PROFUNDUS)
  81. boutonnière-misvorming: synoniem?
    knoopsgatsmisvorming (centrale extensorpess is afgerukt: proximale falanx zit gevangen tussen de twee collaterale extensorpezen)
  82. wat is een stenerletsel en wat betekent dit voor de behandeling?
    • - bij een skiërsduim (geforceerde abductie) zal het ulnair collateraal ligament volledig scheuren en komt hierdoor boven de M. adductor te liggen => spontane genezing is onmogelijk
    • => HK is nodig
  83. carpale instabiliteit komt voornamelijk voor bij?
    scafolunair gewricht
  84. TFCC=?
    triangulair fibrocartilagineus complex = meniscoïde structuur tussen ulna en carpus
  85. TFCC-scheuren geven voornamelijk last thv?
    ulno-carpale zijde, dorsaal bij pro/ supinatiebewegingen
  86. wanneer is de test van Phalen positief?
    - maximale flexie van de polsen: wanneer <60s de symptomen worden gereproduceerd is de test positief
  87. teken van tinel:?
    • - aanslaan van de N. Medianus: positief wanneer tintelingen en pijn => carpaal tunnelsyndroom
    • - hetzelfde kan ook uitgevoerd worden bij het tarsaaltunnelsyndroom: N. Tibialis wordt aangeslaan thv de mediale malleolus: tintelingen thv teen 1 tot 3
  88. teken van phinkelstein:? wanneer wordt dit uitgevoerd?
    • - duim plooien in de handpalm: ulnaire deviatie door onderzoeker.
    • => wanneer de pijn wordt uitgelokt is het positief
    • wordt uitgevoerd bij DeQuervainn-tenosynovitis
  89. aandoening van Dupuytren=?
    • - fibromatose van de palmaire fascia samen met nodulaire verdikkingen 
    • => gefixeerde flexiestand
  90. wanneer zal de aandoening van Dupuytren agressiever zijn?
    • - bij jongere patiënten
    • - associatie met andere fibromatosen
    • - radiaire zijde-aantasting
  91. triggerfinger=? welke vingers zijn het vaakst aangetast?
    • - nodulaire verdikking van de flexorpees thv het metacarpophalangeaal gewricht. pees kan niet vlot meer onder de annulaire ligamentjes door bewegen en geraakt gelockt in flexie toestand
    • - middel en wwijsvinger
  92. een triggerfinger is soms geassocieerd met?
    • - diabetes
    • - RA
  93. bij welk type heupfractuur is het risico op AN het grootst en waarom?
    • - intracapsulaire dus femurhals#
    • => doorbloeding gaat van hals naar femurkop en is dus onderbroken
  94. bij een heupfractuur zien we klinisch typisch?
    • - been in adductie en exorotatie
    • - schijnbare verkorting vh lidmaat
    • - elke beweeglijkheid (actief of passief) is pijnlijk
  95. DD bij een heupfractuur is?
    • - heupluxatie met of zonder acetabulumfractuur <hoog energetisch trauma
    • - pubisfractuur: osteoporose + val= laag energetisch
    • - wervelring fractuur: hoog energetisch + instabiel!! intrapelvische oraagnschade en bloeding
  96. typisch anamnestisch verhaal bij heupartrose:
    • - mechanisch pijnpatroon: startstijfheid, neemt toe bij belasting
    • - evolutie: toename van de pijn (in rust en 's nachts) samen met functie beperking (bewegingsbeperking)
  97. typische kliniek bij heupartrose?
    • - gefixeerde exorotatie (afh. v. tijdstip)
    • - flexiecontractuur (opsporen met test van Thomas) !! gaat gepaard met hyperlordose en flexie in de knie (+knie-overbelasting)
    • - +e trendelenburg: mankend gangpatroon
  98. RF op AN van de femurkop?
    • - nicotine
    • - ethanol
    • - cortico's
    • - HIV
    • - heuptrauma (luxatie, fractuur)
    • - ziekte van Crohn, Gaucher, Caisson
    • - RA, pancreatitis, sikkelcelanemie, myeloproleferatieve aandoeningen
    • - VG bestraling
  99. wat zijn de voornaamste oorzaken van een heupimpingement en hoe kan dit opgespoord worden?
    • - botaanwas op de femurhals, diep acetabulum (coxa profunda)
    • - FADIR-test: Flexie, ADductie en Interne Rotatie: vgl met contralaterale zijde!
  100. snapping hip: oorzaken en DD?
    • - iliotibiale luxatie over de grote trochanter, iliopsoassnapping, acetabulumscheur
    • - vooral laatste twee moeilijke DD => arthro-CT of MR
  101. R/ van snapping hip hangt af van? + R/ opties in die gevallen
    • - snapping op de voorgrond: uitlokkende beweging vermijden of acceptatie
    • - pijn op de voorgrond: cortico's
    • - ernstige gevallen: HK
  102. welke zenuw is betrokken bij het ziektebeeld van meralgia paresthetica?
    • N. cutaneus femoris lateralis
    • => pijn + paresthesiën posterieur en laterale zijde van het been
  103. een stressfractuur komt voornamelijk in welke populatie van mensen voor? en waarom?
    - jonge mannen met hoog activiteitsprofiel => herhaaldelijk zware belasting van de heup
  104. - welk type stressfractuur van de heup heeft de beste prognose en waarom?
    - inferomediale stressfractuur = compressie fractuur <=> superolaterale stressfractuur wat een tensiefractuur is: grote tendens tot verplaatsing
  105. R/ stressfractuur van de heup
    • - inferomediaal (compressie): conservatief => rust en steunverbod
    • ! follow-up RX => wnr ongunstig verloop of aanhoudende symptomen => HK
    • - superolaterale en verplaatste fracturen => HK (interne fixatie)
  106. hoe onderscheid je de mediale en laterale epicondylus van de femur op RX?
    • adhv het tibiaplateau
    • - lateraal is dit ietwat convex
    • - mediaal is dit wat concaaf 
    • => respectievelijke epicondyl
  107. welk onderscheid helpt je bij de DD van een knieletsel tijdens de anamnese?
    • - plots (vaak traumatisch ontstaan) ipv spontaan opgetreden
    • - hoofdklacht: pijn, doorzakken, zwelling of blokkage
  108. er zijn twee voorname oorzaken van een meniscusletsel. beide komen voor op een andere plaats waar en welke?
    • - degeneratief scheuren van de meniscus: thv de achterste hoorn vd meniscus
    • - jonge personen: traumatisch: radiare of perifeer longitudinale scheuren
  109. DD meniscusletsel met?
    • - mediaal: mediale collaterale band
    • - lateraal: iliotibiale band
  110. R/ meniscusletsel
    • - degeneratieve
    • conservatief: rust + NSAID
    • cortico
    • bij blijvende last => hK (!versnelling degeneratief proces <verhoogde belasting KB)
    • - traumatisch
    • => perifere scheur: hechting (jonge pt. kan soms zelfs spontaan helen)
    • => centrale scheur: resectie
  111. wat is de normale evolutie bij een voorste kruisbandruptuur?
    • - acute fase: pijn, zwelling en instabiliteit
    • - later: resolutie van de pijn en zwelling, onzekerheidsgevoel en instabiliteit blijft
  112. Voorste en achterste kruisband ruptuur: welke klinische testen?
    • - stabiliteitstesten: lachmantest voor beide
    • - VKB: pivot-shift test
    • - AKB: sagging van de knie in lig met 90° flexie van de knie
  113. medialeband letsels worden onderverdeel in drie graden: wat zijn de specificaties?
    • - I: uitrekking=strain => enkel pijn bij valgusstress
    • - II: volledige scheur, intact posteromediaal kapsel => pijn + instabiliteit (enkel in flexie vd knie)
    • - III: volledige scheur + scheur posteromed kapsel + instabiliteit in flexie EN extensie vaak ook scheur VAKB
  114. welk letsel kan aanleiding geven tot de aandoening van Pelligrini-Stieda? hoe?
    - letsel van de mediale band: evolueert naar chronische inflammatie met soms calcificaties van de mediale band
  115. bij kraakbeenletsels onderscheid men twee types, elke geassocieerd met een eigen prognose: explain
    • - full thicnkess tear: tot op het subchondrale bot: goede prognose door participatie van het subchondrale bot (aanw van bloedvaten en mesenchymale stamcellen)
    • - partial thickness tear: slechtere prognose: gaat niet spontaan gaan helen
  116. bij de behandeling van een patellapeesluxatie door middel van kinesitherapie wordt extra aandacht besteedt aan?
    - versterking van de M. vastus medialis obliquus: stabiliseert de patella naar mediaal
  117. welke behandeling is  bij een patellapeestendinose tegenaangewezen zijn?
    bij welke andere pathologie is dit nog gecontraïndiceerd?
    • - lokale infiltratie met cortico's => kan een spontane peesruptuur induceren door het katabool effect
    • - retrocalcaneaire bursitis
  118. wat zijn voorbeschikkende factoren voor het iliotibiale-band-frictiesyndroom?
    • - beenlengteverschil: aan het langste been dan
    • - varuscompositie van de knie
    • - strakke tractus iliotibialis
  119. Welke DD met het iliotibiale-band-frictiesyndroom moet zeker gemaakt worden?
    • - met radiaire laterale meniscusscheur: zelfde pijnpatroon: laterale kniepijn, uitstralend naar boven en onder bij sportactiviteit
    • => MR
    • => klinisch: painful arc
  120. wat kan dezelfde last geven als een mediale meniscusscheur?
    - plicasyndroom: embryonaal overblijfsel van het patellofemorale gewrichtskapsel dat ontsteekt door impingement tss trochlea.
  121. wanneer moet je denken aan osteonecrose van de knie?
    - plots opgekomen nachtelijke pijn bij een patiënt met beginnend degeneratief knielijden of onder cortico's
  122. belangrijk bij RX opname bij vermoeden van arthrose is?
    • opname van het gewricht waar de arthrose wordt vermoed in een belastte positie (knie en heup al staande)
    • => anders wordt de gewrichtsvernauwing systematisch onderschat
  123. wat wijst waarschijnlijk op een subtalair probleem?
    - instabiliteit op oneffen grond <functie van het calcaneo-talair gewricht.
  124. welke klinische tekenen kunnen erop wijzen dat bij een inversietrauma ook botschade aanwezig is?
    • - pijn over de posterieure zijde vd malleoli
    • - onmogelijkheid tot steunname op de aangetaste voet voor meer dan vier stappen
  125. hoe kan je klinisch een eenvoudige sprain van een echte ligamentruptuur onderscheiden?
    • - sprain=elongatie: steunname levert geen probleem, beperkte zwelling en pijn en geen toename van de laxiteit
    • - ruptuur: zeer pijnlijke/ onmogelijke steunname, belangrijke zwelling en ecchymose en toename van de laxiteit bij in-/ eversie
  126. enkelfractuur: wanneer wordt een gipsimmobilisatie gedaan zonder open reductie?
    • - geïsoleerde malleolusfracturen DISTAAL van het tibiofibulair gewricht= intrinsiek stabiel genoeg
    • - de rest via open reductie: osteosynthese
  127. achillespeesruptuur kan conservatief en HK worden behandelt. hoe en waarom, wanneer?
    • - conservatief door zeer lange immobilisatie (gips tot aan de knie later enkel onderbeengips) met steunverbod
    • !! hogere recidiefkans
    • indicatie: mensen met diabetes en AIZ (door infectierisico en wondproblemen bij HK
    • - HK hechten van de pees en snelle mobilisatie: wond en infectierisico
  128. hoe stel je de verantwoordelijke spier aan het licht die aan de basis ligt van een achillespeestendinose? (door verkorting)
    • - gastrocnemeus: oorsprong ligt boven de knie dus ontspant bij flexie van de knie, wnr dan beperkte dorsiflexie van de enkel => oorzaak is soleus
    • - beperkte dorsiflexie bij extensie en niet bij flexie van de knie => gastrocnemeus
  129. platvoet (planus) en holvoet (cavus) zijn meestal ook geassocieerd met een bijkomende statiekafwijking: welke?
    • - platvoet met valgus afwijking aan het achterste gewricht
    • - holvoet met varus afwijking
  130. onderscheid tussen een flexiebele en rigiede platvoet
    • - flexibele: geen bewegingsbeperking en voetgewelf wordt gevormd bij spieractiviteit (op de tenen staan)
    • - rigide: bewegingsbeperking (vnl. in-/ eversie) <benige brug tss calcaneum en os naviculare
  131. bij een hallux valgus zal ter hoogte van de naar mediaal verplaatste basis van metatarsaal zich een bunion vormen. waarom is het gecontraïndiceerd om dit weg te nemen?
    - gevaar op infecties zoals osteomyelitis: zeker bij voorbeschikte mensen zoals diabetici!
  132. wat is een mortonneurinoom?
    hoe ontstaat het en waar komt het het vaakst voor?
    • - perineurale fibrose van de gemeenschappelijke digitale zenuw (voet)
    • - door frictie thv de metatarsaalkoppen
    • - tussen metatarsaal 3 en 4
  133. oorzaken van een stressfractuur?
    • plotse toename in activiteitsniveau
    • overgewicht (meestal in combinatie met vorige)
    • biomechanische afwijkingen (varusheup)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview