NIMA marketing A hoofdstuk 11

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
255910
Filename:
NIMA marketing A hoofdstuk 11
Updated:
2014-01-13 12:06:30
Tags:
NIMA marketing hoofdstuk 11
Folders:
NIMA marketing A hoofdstuk 11
Description:
NIMA marketing A hoofdstuk 11
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Welk instrument uit de marketingmix is het belangrijkste en waarom?
    Product, omdat alle andere instrumenten daar afhankelijk van zijn.
  2. Op welke 3 manieren kunnen we de term 'product' interpreteren?
    een tastbaar product, een dienst en een ruilobject.
  3. Noem 3 voorbeelden van het product als ruilobject
    affectie, geld, informatie, status, ideeën
  4. Waarom is de marketing van een dienst lastiger dan die van een product?
    De dienst moet ook nog tastbaar gemaakt worden, een product niet.
  5. Hoe noemen we het als een producent emotionele waarde toevoegt aan het kale product?
    toegevoegde waarde of product-plus
  6. Hoe noemen we het als een product behalve een functionele, ook een emotionele waarde krijgt?
    essentiële meerwaarde
  7. Wat bepaalt de ondergrens van de verkoopprijs?
    De marketing- en productiekosten
  8. Wat bepaalt de bovengrens van de prijs van een product?
    De waardering van de klant
  9. Geef de definitie van de productmix
    De inzet, combinatie en afstemming van de productinstrumenten ten behoeve van een specifieke doelgroep door een bepaalde organisatie
  10. Welke elementen zijn er binnen de productmix?
    kwaliteit, vormgeving, verpakking, merk en merknaam, assortiment, service, garantie, klachtenbehandeling
  11. Wat betekent productmix in de detailhandelsmarketing?
    assortimentsmix
  12. Geef de definitie van het product
    Het geheel van materiele en immateriele eigenschappen van een goed of dienst. Ofwel alles wat op de markt kan worden aangeboden voor consumptie, verbruik, gebruik of attentie, waarmee in een specifieke behoefte kan worden voorzien.
  13. Hoe kun je de definitie van een product kort omschrijven?
    Een product is een bundel van behoefte bevredigingselementen.
  14. Hoe noemen we de materiële en immateriële kenmerken van een product?
    producteigenschappen of productattributen
  15. In welke drie categorieën onderscheidt Leeflang binnen het product?
    • fysieke product
    • uitgebreide product
    • totale product
  16. Hoe noemt men het fysieke product ook?
    het kale product
  17. Wat bevat het uitgebreide product?
    het kale product plus de eigenschappen die de producent eraan heeft toegevoegd.
  18. Wat is het totale product?
    uitgebreid product plus eigenschappen die de consument eraan toekent
  19. Welke 5 categorieën onderscheidt Kotler van het product?
    • core benefit
    • basic product
    • expected product
    • augmented product
    • potential product
  20. Hoe noemt men het core benefit ook wel?
    kernproduct of kernbehoefte
  21. Wat is het basic product?
    De vertaling van het core benefit naar een concreet product
  22. Wat is het expected product?
    het geheel van eigenschappen en condities die een consument bij een product verwacht.
  23. wat is het augmented product?
    het expected product, plus de door de producent toegevoegde eigenschappen zoals service, spaarprogramma's, leveringsvoorwaarden etc. Hiermee kan de producent zich onderscheiden.
  24. wat is het potential product?
    het product zoals het in de toekomst zou kunnen zijn. Met alle toevoegingen en veranderingen die het product kan ondergaan.
  25. Hoe noem je de eigenschappen van een product die iets zeggen over het imago van de gebruiker?
    expressieve eigenschappen
  26. Wat zijn symbolische eigenschappen?
    expressieve eigenschappen
  27. Hoe noem je de eigenschappen die geen expressieve, maar functionele betekenis hebben?
    functionele producteigenschappen
  28. hoe noem je instrumentele producteigenschappen ook wel?
    functionele producteigenschappen
  29. Wat is de definitie van functionele- of instrumentele producteigenschappen?
    De producteigenschappen waarmee de afnemer in een functionele, technische behoefte kan voorzien
  30. wat is de definitie van de expressieve- of symbolische producteigenschappen?
    De attributen waarmee de afnemer uiting kan geven aan onder meer zijn persoonlijkheid en/of levensstijl.
  31. Volgens welke twee methodes kunnen we consumentenproducten indelen?
    • indeling tussen verbruiks- en gebruiksgoederen
    • indeling van Copeland
  32. Wat maakte Copeland?
    Een indeling in consumentengoederen
  33. Wat is een kenmerk van verbruiksgoederen?
    Ze gaan hooguit drie jaar mee
  34. Noem twee andere benamingen voor verbruiksgoederen
    • niet-duurzame goederen
    • fast moving consumer goods
    • fmcg
  35. Wat zijn fmcg?
    Fast moving consumer goods
  36. Geef de definitie van fmcg
    Consumptiegoederen met een hoge aankoop frequentie door consumenten. Veelal convenience goods met een hoge omloopsnelheid en lage marge per eenheid product.
  37. Wat zijn twee andere benamingen voor gebruiksgoederen?
    • duurzame producten
    • durables
  38. Geef de definitie van durables
    duurzame consumentenproducten die minstens drie jaar meegaan
  39. Waarop is de indeling van Copeland gebaseerd?
    Consumentengedrag
  40. Is de indeling van Copeland een productindeling?
    Nee, een indeling van consumenten koopgedrag
  41. Op welke twee criteria is de indeling van Copeland gebaseerd?
    • mate van overweging voorafgaand aan de koop
    • mate van bereidheid tot mentale en fysieke inspanning
  42. In welke vier categorieën heeft Copeland zijn indeling ingedeeld?
    • convenience goods
    • shopping goods
    • specialty goods
    • unsought goods
  43. Wat is een andere naam voor convenience goods?
    gemaksgoederen
  44. Noem kenmerken van convenience goods
    • weinig bereidheid tot fysieke of mentale inspanning
    • relatief lage prijs
    • verschillende variëteiten zijn min of meer substitueerbaar
    • relatief hoge aankoopfrequentie
    • geen behoefte aan voorlichting en vergelijking
  45. In welke drie groepen delen we convenience goods?
    • stapelgoederen
    • impulsgoederen
    • emergency-goederen
  46. Noem twee kenmerken van stapelgoederen
    • merkentrouw
    • regelmatige aankopen
  47. Wat zijn impulsgoederen?
    zonderplanning gekocht, meestal na confrontatie met reclame/product zelf
  48. wat zijn emergency-goederen?
    worden gekocht als de behoefte eraan urgent is (paraplu)
  49. Wat zijn de spelregels om convenience goods te marketen?
    • intensieve distributie in zo veel mogelijk verkooppunten
    • daardoor een lang distributiekanaal
    • relatief zwakke merkenvoorkeur, daarom klanten bindende acties voeren zoals spaarkaart
    • verkoop in zelfbediening
    • lage marges voor tussenhandel
    • nadruk op verpakking en point-of-purchase-reclame
  50. Noem vier kenmerken van shopping goods
    • bereidheid fysieke/mentale inspanning
    • behoefte aan voorlichting en vergelijking
    • relatief hoge prijzen
    • vaak onderhevig aan technische ontwikkelingen en modegevoelig
  51. In welke twee groepen delen we shopping goods?
    homogeen en heterogeen
  52. Wat zijn de spelregels voor het marketen van shopping goods?
    • selectieve distributie, meestal in winkelcentra
    • kort distributiekanaal
    • nauwe samenwerking fabrikant en winkeliers
    • merknaam product is minder belangrijk dan naam winkel
    • winkelier verzorgt daarom reclame (of joint advertising)
    • persoonlijke verkoop detaillist belangrijk
  53. Noem 3 kenmerken van specialty goods
    • keuze is reeds voor koopproces gemaakt
    • weinig bereidheid mentale inspanning
    • bereidheid hoge fysieke inspanning
  54. Wat zijn de spelregels voor de marketing van specialty goods?
    • hogere prijs
    • selectieve of exclusieve distributie
    • grote samenwerking fabrikant en dealer
    • intensieve promotie (bvb joint advertising)
  55. Wat zijn unsought goods?
    producten die consumenten (nog) niet wensen of niet kennen
  56. In welke twee groepen delen we unsought goods?
    • new unsought goods
    • regular unsought goods
  57. Wat zijn new unsought goods?
    innovaties, nog niet bekend bij consumenten
  58. Wat zijn regular unsought goods?
    producten die de consument (nog) niet wil aanschaffen
  59. Is een shopping good altijd een shopping good?
    Nee, het verschilt per consument wat een product voor hem/haar is.
  60. Wat is de definitie van mass custumisation?
    Een proces waarbij ondernemingen (informatie) technologie en management methodes toepassen om producten snel en efficient aan te kunnen passen aan de wensen van de individuele consument.
  61. Noem drie voorbeelden van mass customisation
    • keuken op gewenste afmeting gemaakt
    • auto in gewenste kleur
    • iphone met gravure
  62. Wat is het verschil tussen mass customisation en mass individualisation?
    mass customisation geeft de klant keuze uit een aantal aan te passen opties, mass individualisation laat de klant kiezen binnen de mogelijkheden van de producent.
  63. In welke sector wordt mass individualisation veel toegepast?
    B2B
  64. In welke vier groepen delen we mass customisation in volgens Pine en Gilmore?
    • cosmetische mass customisation
    • transparante mass customisation
    • cooperatieve mass customisation
    • adaptieve mass customisation
  65. Wat is cosmetische mass customisation?
    buitenkant van een product aanpassen
  66. Wat is transparante mass customisation?
    Binnenkant van een product aanpassen
  67. Wat is cooperatieve mass customisation?
    binnen- en buitenkant product aanpassen
  68. Wat is adaptieve customisation?
    producten niet aanpassen/klant past product zelf aan
  69. Bij welke sector is de variatie aan producten groter? Industriele- of consumentenmarkt?
    Industriele (meer onderdelen nodig om 1 pen te maken)
  70. Op basis van wat delen we de industriële producten in?
    • hoe de industriele kopers het product benaderen (hoe waardevol het is)
    • hoe het product gebruikt zal worden
  71. In welke vier groepen delen we de industriële producten?
    • productiemiddelen
    • halffabricaten
    • gereedschappen
    • grond- en hulpstoffen
  72. Wat zijn twee andere benamingen voor productiemiddelen?
    • kapitaalgoederen
    • duurzame goederen
  73. Wat bedoelt men met plant en equipment?
    Plant zijn de gebouwen en equipment de installaties
  74. Zijn productiemiddelen onderdeel van het product?
    nee
  75. Hoe noemen we de gebouwen en installaties in de industriële product indeling?
    productiemiddelen, kapitaalgoederen of duurzame goederen
  76. Wat zijn halffabricaten?
    producten die als onderdeel van een ander product worden gebruikt.
  77. Hoe noemen we de kleine hulpmiddelen die we in het productieproces gebruiken binnen de industriële product indeling?
    Gereedschappen
  78. Wat zijn grond- en hulpstoffen binnen het industriele productie proces?
    De grondstoffen worden verwerkt in het uiteindelijke product. De hulpstoffen worden niet verwerkt in het uiteindelijke product, maar worden wel gebruikt in de totstandkoming ervan.
  79. Noem voorbeelden van hulpstoffen
    smeerolie, gas, electriciteit etc
  80. In welke vier groepen delen we industriele producten als we het hebben over 'echte' industrie (fabrieken etc)?
    • industrial equipment
    • industrial materials
    • industrial supplies
    • industrial services
  81. Waaronder vallen gebouwen, gereedschappen en werkuitrusting in de alternatieve indutriele productindeling?
    industrial equipment (industriele uitrusting)
  82. wat is een ander woord voor industrial equipment?
    industriele uitrusting
  83. Waartoe behoren grondstoffen, halffabricaten, fabricaten en fabricage materialen binnen de alternatieve industriele productindeling?
    industrial materials
  84. Wat is een ander woord voor industriele materialen en grondstoffen?
    industrial materials
  85. Waartoe behoren verpakkingsmateriaal, productievoorzieningen en reservemateriaal binnen de alternatieve industriele productindeling?
    industrial supplies
  86. wat is een ander woord voor industriele voorzieningen?
    industrial supplies
  87. Waartoe behoren industriele dienstverlening, adviezen, consultants etc binnen de alternatieve industriele productindeling?
    industrial services
  88. wat is een ander woord voor industriele diensten?
    industrial services
  89. Welke twee industriele productindelingen kennen we?
    • een algemene
    • een specifiek voor 'echte' industrie, fabrieken etc.
  90. Wanneer is een product een consumentenproduct?
    Als een consument het koopt
  91. Wanneer is een product een industrieel product?
    Als een organisatie het koopt
  92. Welke markt heeft minder afnemers, de consumentenmarkt of de industriele markt?
    industriele markt
  93. Welke markt heeft meer aanbieders, de consumentenmarkt of de industriele markt?
    De consumentenmarkt
  94. Waar vinden grotere orders plaats, in de consumentenmarkt of de industriele markt?
    in de industriele markt
  95. Welke markt kent alleen een afgeleide vraag?
    De industriele markt
  96. Waarom heeft de vraag in de industriele markt een gezamenlijk karakter?
    Er zijn meerdere producten nodig om gezamenlijk een nieuw product te maken
  97. In welke markt is het aantal personen dat bij een koop betrokken is, doorgaans groter?
    industriele markt
  98. Geef de definitie van 'dienst'
    Een product waarvan de specifieke kenmerken in belangrijke mate immaterieel van aard zijn
  99. Wat is de uitgebreide definitie van 'dienst'?
    Een ontastbare en relatief snel vergankelijke activiteit, waarbij tijdens de interactieve consumptie directe behoeftebevrediging centraal staat en geen materiële bezitsvorming wordt nagestreefd.
  100. Wat is het producten/dienstencontinuum?
    Een schaalverdeling tussen dienst en product
  101. Wat ontwierp Shostack?
    Het producten/dienstencontinuum
  102. In welke vijf groepen delen we diensten?
    • kennisdiensten
    • kunde diensten
    • uitbestedingsdiensten
    • facilitaire diensten
    • toeleverings- en adviesdiensten
  103. Welke twee groepen diensten zijn eigenlijk altijd met elkaar verbonden?
    kennis- en kunde diensten
  104. Wat is een uitbestedingsdienst?
    Een dienst die de afnemer ook zelf had kunnen doen, zoals schoonmaken
  105. Wat zijn facilitaire diensten?
    infrastructurele diensten
  106. In welke groep diensten horen uitzendbureaus, adviseurs en accountants?
    toeleverings- en adviesdiensten
  107. Tot welke groep diensten behoren de diensten van telecombedrijven, luchtvaartmaatschappijen, internetproviders en banken?
    facilitaire diensten
  108. Wat zijn kerndiensten?
    een op zichzelf staande dienst
  109. Wat zijn facilitaire of ondersteunende diensten?
    Een dienst die deel uitmaakt van een andere dienst
  110. Wat voor dienst is een restaurant?
    Een kerndienst
  111. Wat voor dienst is een leverancier van serviesgoed?
    Een facilitaire of ondersteunende dienst
  112. In welke drie groepen delen we diensten in, gezien vanuit het productieproces?
    • dienst wordt voortgebracht door voornamelijk mensen (mensen gebonden diensten)
    • dienst wordt voortgebracht door zowel mensen als machines
    • dienst wordt voortgebracht door voornamelijk machines (machine gebonden diensten)
  113. Wat zijn twee benamingen voor diensten die door zowel mensen als machines worden voortgebracht?
    • systeemgebonden diensten
    • organisatiegebonden diensten
  114. Wat is een voorbeeld van machine gebonden diensten?
    drukkerijen, betaalautomaten, telecommunicatie
  115. Wat is een voorbeeld van mensen gebonden diensten?
    adviseurs, tandarts, tuinman
  116. Wat is een voorbeeld van systeemgebonden diensten
    horeca, verzekeringsmaatschappij, bank
  117. Op welke twee categorieen kan een dienst gericht zijn?
    • mensen (gezondheidszorg, bioscoop)
    • machines (reparaties en onderhoud)
  118. Uit welke twee zaken kan dienstverlening bestaan?
    • fysiek product (operatie, kapper)
    • niet-fysiek product (advies, onderwijs)
  119. Wat is het verschil tussen commerciele- en niet-commerciele dienstverlening?
    In de commerciele dienstverlening wordt de prijs bepaalt door vraag en aanbod (tertiaire sector), in de niet-commerciele dienstverlening werkt dat anders (kwartaire sector)
  120. Wat is het verschil tussen consumentendiensten en zakelijke diensten?
    consumentendiensten worden afgenomen door consumenten, zakelijke door organisaties
  121. Hoe noemen we diensten waarbij de dienst op zich het belangrijkste is?
    core services
  122. Hoe noemen we diensten waarbij de dienst een bijzaak is? (zoals reparatieservice)
    auxiliary services
  123. Wat zijn de vijf kenmerken van een dienst?
    • productie en consumptie vallen samen
    • dienst is ontastbaar
    • dienst is vergankelijke
    • dienst is moeilijk te standaardiseren
    • afnemers produceren mee
  124. Zijn diensten homogeen?
    Nee, altijd heterogeen
  125. Wat bedoelen we met interactieve consumptie?
    De consumptie van een product komt tot stand door de interactie tussen producent en afnemer gedurende de tijd dat de dienst wordt geleverd.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview