unidad 9

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
256925
Filename:
unidad 9
Updated:
2014-01-16 15:34:29
Tags:
Spaans
Folders:

Description:
spaanse woordjes unidad 9
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. persoonlijke betrekkingen
    las relaciones personales
  2. bij de familie horen
    ser de la familia
  3. team, ploeg
    el equipo
  4. collega
    el/la colega
  5. werk
    el curro
  6. dienst, service
    el sercivio
  7. dezelfde
    el/la mismo/-a
  8. bericht, sms'je
    el mensaje
  9. aan wie?
    A quien?
  10. gebruiken
    usar
  11. contact opnemen met
    ponerse en contacto con
  12. ouders
    los padres
  13. kleinkind, kleinzoon/kleindochter
    el/la nieto/-a
  14. lievelings-
    preferido/-a
  15. verliefd (op)
    enamorado/-a (de)
  16. generaal
    el general
  17. gepensioneerd
    jubilado/-a
  18. echtgenoot
    el marido
  19. opa/oma
    el/la abuelo/-a
  20. vijand(in)
    el/la enemigo/-a
  21. vader
    el padre
  22. gefrustreerd
    frustrado/-a
  23. oppositie
    la oposición
  24. oom/tante
    el/la tìo/-a
  25. docent(e) geneeskunde
    el/la profesor/a de medicina
  26. vrouw; echtgenote
    la mujer
  27. moeilijk, zwaar
    difìcil
  28. journalist(e)
    el/la periodista
  29. jong
    joven
  30. (jongere) zus
    la hermana (menor)
  31. gescheiden
    separado/-a
  32. vermoord
    asesinado/-a
  33. in een goede stemming, met een goed humeur
    de buen humor
  34. vrijgevig (jegens)
    generoso/-a (con)
  35. (oudere) broer
    el hermano (mayor)
  36. dynamisch
    dinàmica/-a
  37. fobie (voor)
    la fobia (a)
  38. enig
    ùnico/-a
  39. neef/nicht (kind van oom/tante)
    el/la primo/-a
  40. nahtleven
    la vida nocturna
  41. avontuur
    la aventura
  42. schuinschrift
    la cursiva
  43. neef/nicht (kind van broer/zus)
    el/la sobrino/-a
  44. echtgenoot/echtgenote
    le/la esposo/-a
  45. uitvinden, verzinnen
    inventar
  46. kop, titel
    el tìtulo
  47. thriller, detective
    la  novela policíaca
  48. gelijk, hetzelfde
    igual
  49. achternaam
    el apellido
  50. lid
    el miembro
  51. grootouders
    los abuelos
  52. broers en zussen
    los hermanos
  53. ouders
    los padres
  54. regelmatig
    con frecuencia
  55. buurman/buurvrouw
    el/la vecino/-a
  56. hit
    la canción de moda
  57. zomer
    el verano
  58. moordenaar(es)
    el/la asesino/-a
  59. identificeren
    identificar
  60. uitleggen
    explicar
  61. ons, onze
    nuestro/-a
  62. aangepast
    adaptado/-a
  63. bezittelijk voornaamwoord
    el posesivo
  64. jullie
    vuestro/-a
  65. en heel Spanje
    en toda España
  66. eenvoud, ongekunsteldheid
    la naturalidad
  67. het enige
    lo ùnico
  68. kerstmis
    la(s) Navidad(es)
  69. halfbroers en -zussen
    los medio hermanos
  70. centrum, midden
    el centro
  71. zijde
    el lado
  72. combineer
    • combine
    • (inf. combinar)
  73. tonen
    mostrar (ue)
  74. (zich) voorstellen, indenken
    imaginar (se)
  75. inhoud
    el contenido
  76. veraling
    la traducción
  77. ...uit het begin...
    ...de principios de...
  78. eeuw
    el siglo
  79. Europees
    europeo/-a
  80. geboortecijfer
    la tasa de natalidad
  81. geboren worden
    nacer (zc)
  82. laag
    bajo/-a
  83. echter
    sin embargo
  84. weggaan
    irse
  85. spoedig, snel
    pronto
  86. woning
    la vivienda
  87. jongeren
    los/las jóvenes
  88. werkloos zijn
    estar sin trabajo
  89. vormen
    formar
  90. paar, stel
    la pareja
  91. in vergelijking met
    en comparaciòn con
  92. samenleving
    la sociedad
  93. scheiding
    el divorcio
  94. 0,5 promille
    0,5 por mil
  95. wet
    la ley
  96. hoog
    alto/-a
  97. buiten (... om)
    fuera (de)
  98. huwelijk
    el matrimonio
  99. noch, en ook niet
    ni
  100. vrijgezel, alleenstaand
    soltero/-a
  101. samenwonen
    convivir
  102. ettelijk, heel wat
    bastantes
  103. samen
    juntos/-as
  104. aspect
    el aspecto
  105. verslag
    el informe
  106. scheiden
    divorciarse
  107. steeds minder kinderen
    cada vez menos niños
  108. trouwen
    casarse
  109. verrassen
    sorprender
  110. reageren
    reaccionar
  111. vreugde
    la alegrìa
  112. verdriet
    la pena
  113. werkelijk?, echt?
    De verdad?
  114. Serieus?
    En serio?
  115. Dat kan niet waar zijn!
    No puede ser!
  116. Wat zeg je me nu?
    Qué me dices?
  117. Ongelooflijk!
    Increìble!
  118. Mijn God!
    Dios mío!
  119. Wat een geluk!
    Qué suerte!
  120. Wat ben ik daar blij om!
    Cuànto me alegro!
  121. Zonde! Wat jammer!
    Qué pena!
  122. Wat spijt me dat!
    Cuànto lo siento!
  123. contact opnemen
    entrar en contacto
  124. de jongen met de rode trui
    el chico del jersey rojo
  125. (hij/zij) zit naast me
    està sentado a mi lado
  126. zij met dat lange haar
    la del pelo largo
  127. haar
    el pelo
  128. yoga
    el yoga
  129. met elkaar opschieten, elkaar begrijpen
    entenderse (ie)
  130. de blonde op de hoek
    el rubio de la esquina
  131. blond
    rubio/-a
  132. sport(st)er
    el/la deportista
  133. surfen
    hacer surf
  134. een baard hebben
    llevar barba
  135. gezet, mollig
    gordito/-a
  136. Ecuadoraan(se)
    el/la ecuatoriano/-a
  137. intelligent
    inteligente
  138. temperament
    el temperamento
  139. nog niet
    todavìa no
  140. tamelijk
    bastante
  141. aangenaam, aardig
    agradable
  142. karakter
    el caràcter
  143. lijken, overkomen
    parecer (zc)
  144. verlegen
    tìmido/-a
  145. serieus
    serio/-a
  146. donker (haar)
    moreno/-a
  147. dik
    gordo/-a
  148. slank
    delgado/-a
  149. klein
    bajo/-a
  150. lang
    alto/-a
  151. knap
    guapo/-a
  152. onsympathiek
    antipàtico/-a
  153. gezellig
    sociable
  154. snor
    el bigote
  155. bruin haar hebben
    tener el pelo castaño
  156. blauwe ogen hebben
    tener los ojos azules
  157. oog
    el ojo
  158. kaal
    calvo
  159. sollicitatiegesprek
    la entrevista de trabajo
  160. kaart(je), formulier
    la ficha
  161. persoonlijk
    personal
  162. verzekering
    el seguro
  163. (persoons-)gegevens
    los datos (personales)
  164. gegeven
    el dato
  165. nationaliteit
    la nacionalidad
  166. geboortedatum
    la fecha de nacimiento
  167. burgerlijke staat
    el estado civil
  168. woonplaats
    el dimicilio
  169. opmerking
    la observaciòn
  170. kandidaat/kandidate, sollicitant(e)
    el/la candidato/-a
  171. sinds
    desde hace
  172. Madrileen(se)
    el/la madrileño/-a
  173. reden
    el motivo
  174. gezins-
    familiar
  175. nerveus
    nervioso/-a
  176. ontspannen
    relajado/-a
  177. indruk
    la impresiòn
  178. algemeen
    general
  179. positief
    positivo/-a
  180. personeelschef
    el jefe de personal
  181. deskundige (m/v), vakman/vakvrouw
    el/la experto/-a
  182. Peruaan(se)
    el/la peruano/-a
  183. ziek
    enfermo/-a
  184. zich herinneren
    acordarse (ue) de
  185. beschrijving
    la descripciòn
  186. ambitieus
    ambicioso/-a
  187. ontmoetingsplek, trefpunt
    el punto de encuentro
  188. gezelschap
    la compañía
  189. samen de vrije tijd doorbrengen
    compartir el tiempo libre
  190. (uit-)oefenen
    practicar
  191. Spaanssprekend persoon
    el/la hispanohablante
  192. (zit-)plaats
    la plaza
  193. benzinekosten
    los gastos de gasolina
  194. goedkoop
    de forma barata
  195. rugzak
    la mochila
  196. alleenstaande moeder
    la madre soltera
  197. vriendschap
    la amistad
  198. plan, voornemen
    el plan
  199. gemeenschappelijk
    comùn
  200. oprechtheid
    la seriedad
  201. deelnemer/deelneemster aan een excursie
    el/la excursionista
  202. uitbreiden
    ampliar
  203. vrolijk
    alegre
  204. ik zou graag ...
    me qustarìa
  205. vriendschap sluiten
    entablar amistad
  206. vrije tijd
    el tiempo libre
  207. zin krijgen/heben
    animarse
  208. joggen
    hacer footing
  209. vormen
    formar
  210. muziekgroep, band
    el grupo de mùsica
  211. pianospelen
    tocar el piano
  212. website, homepage
    la pàgina web
  213. spaanse les
    las clases de español
  214. (in ruil) voor; tegen
    a cambio de
  215. biografie
    la biografìa
  216. kies uit
    elija (inf: elegir)
  217. uitkiezen
    elegir (i)
  218. schrijf
    escriba (inf: esbribir)
  219. uiterlijk
    el aspecto fìsico
  220. voorkeur
    el gusto
  221. formuleer
    formule (inf:formular)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview