uidad10

Card Set Information

Author:
celine
ID:
256949
Filename:
uidad10
Updated:
2014-01-16 18:20:27
Tags:
spaans
Folders:

Description:
woordenlijst
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user celine on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. dansen
    bailar
  2. schilderen
    pintar
  3. domino spelen
    jugar al dominò
  4. kaarten
    jugar a las cartas
  5. een instrument (be)spelen
    tocar un instrumento
  6. tijdschrift
    la revista
  7. voetbalwedstrijd
    el partido de fútbol
  8. Wat zijn ze aan het doen?
    • Qué están haciendo? 
    • inf: hacer
  9. zet
    ponga (inf: poner)
  10. bijhorend, bijpassend
    correspondiente
  11. eerste verdieping links
    1° izda. (izquierda)
  12. tweede verdieping rechts
    2° dcha. (derecha)
  13. een minuut (lang)
    durante un minuto
  14. sluit
    cierre (inf: cerrar)
  15. zich herinneren
    • recordar (ue)
  16. opmerken
    notar
  17. tegenwoordig deelwoord
    el gerundio
  18. saxofoon
    el saofòn
  19. bespreken, discussiëren
    discutir
  20. liefdesbrief
    la carta de amor
  21. eerste verdieping
    el primero
  22. tweede verieping
    el segundo
  23. derde verdieping
    el tercero
  24. vierde verdieping
    el cuarto
  25. vijfde verdieping
    el quinto
  26. eerste verdieping rechts
    • el primer piso de la derecha
    • el primero derecha
  27. fout, onjuist
    falso/-a
  28. corrigeer
    corrija (inf: corregir)
  29. maar
    sino
  30. zoek
    busquen (inf: buscar)
  31. limonade
    la limonada
  32. telefoneren, bellen
    hablar por teléfono
  33. Hallo?
    Diga? (inf: decir)
  34. Is Carmen er?
    Està Carmen?
  35. Luister.
    Oye. (inf:oìr)
  36. afspreken
    quedar
  37. voorstellen
    proponer (yo propongo)
  38. aannemen
    aceptar
  39. afwijzen
    rechazar
  40. zin hebben in/om
    tener ganas de
  41. met mij
    conmigo
  42. met jou
    contigo
  43. wandelen, trekken
    hacer senderismo
  44. zwembad
    la piscina
  45. vanavond, vannacht
    esta noche
  46. aanstaande donderdag
    el pròximo jueves
  47. de komende dagen
    uno de estos días
  48. agenda
    la agenda
  49. helpen
    ayudar
  50. brengen
    llevar
  51. elektricien
    el/la electricista
  52. vastleggen
    fijar
  53. afspraak
    la cita
  54. Er zijn nog maar een paar kaarten.
    Quedan pocas entradas.
  55. over zijn/blijven
    quedar
  56. presenteren
    presentar
  57. plannen
    planear
  58. (op)bellen
    llamar (por teléfono)
  59. hij/zij is in gesprek
    està comunicando
  60. zich vergissen in het nummer
    equivocarse de nùmero
  61. zich vergissen
    equivocarse
  62. antwoordapparaat
    el contestador automàtico
  63. een bericht achterlaten
    dejar un mensaje
  64. zet
    pongan (inf: poner)
  65. ordenen, rangschikken
    ordenar
  66. lees
    lean (inf: leer)
  67. hardop
    en voz alta
  68. huishoudelijke apparaten
    electrodomésticos
  69. een bericht achterlaten
    dejar un recado
  70. notitie, bericht
    la nota
  71. wacht
    espera (inf: esperar)
  72. Pepa komt eraan.
    Ahora se pone Pepa.
  73. Wie kan ik zeggen?
    De parte de quién?
  74. Hallo? (aan de telefoon)
    Dìgame?
  75. controleer
    compruebe (inf: comprobar)
  76. Prettig weekend
    Buen fin de semana
  77. Waarnaartoe?
    Adònde?
  78. rondleiding
    la visita guiada
  79. van het modernismo (Spaanse Jugendstil)
    modernista
  80. bewonderen
    admirar
  81. lamp
    làmpara
  82. juweel
    la joya
  83. kunstvoorwerp
    la pieza de arte
  84. decorativo/-a
    decoratief
  85. megabioscoop
    el multicine
  86. dag waarop de bioscoopkaartjes goedkoper zijn
    el dìa del espectador
  87. toeschouw(st)er
    el/la espectador/a
  88. filmvoorstelling
    el pase
  89. (jakobs)schelp
    la concha
  90. Ma-Za (maandag - zaterdag)
    L-S (lunes - sábado)
  91. representatief
    representativo/-a
  92. tijdperk
    la época
  93. de katholieke Koningen (Ferdinand en Isabella)
    los Reyes Catòlicos
  94. gevel
    la fachada
  95. gedecorereerd
    decorado/-a
  96. Jakobsorde
    la Orden de Santiago
  97. legende
    la leyenda
  98. schat
    el tesoro
  99. openbaar
    pùblico/-a
  100. (kleine) bar, kroeg
    el mesòn
  101. klassieker
    el clásico
  102. tocht langs tapasbars
    el tapeo
  103. zij die
    los que
  104. genieten van
    disfrutar de
  105. fundar
    stichten
  106. Koning van Castilië
    Alfonso X
  107. tegelijkertijd (met)
    el mismo tiempo (que)
  108. Bologna
    Bolonia
  109. meesterwerk
    la obra maestra
  110. plateresk (bouwstijl)
    plateresco/-a
  111. kikker
    la rana
  112. geluk hebben
    tener (buena) suerte
  113. geluk, lot
    la suerte
  114. examen, toets
    el examen
  115. bouwen
    construir (y)
  116. barok
    barroco/-a
  117. inwoner/inwoonster van Salamanca
    el/la salmantino/-a
  118. arena voor stierengevechten
    la plaza de toros
  119. ontmoetingsplaats, trefpunt
    el lugar de encuentros
  120. onder
    bajo
  121. zuilengang
    el pòrtico
  122. rustig
    tranquilamente
  123. talrijke
    numerosos/-as
  124. golfbaan
    el campo de golf
  125. uitoefenen, beoefenen
    practicar
  126. fascinerend
    fascinante
  127. kinderoppas
    el servicio de guarderìa
  128. begeleid(st)er
    el/la monitor/a
  129. gespecialiseerd
    especializado/-a
  130. geven
    dar
  131. uitrusting
    el equipo
  132. complex, accommodatie
    las instalaciones
  133. huren, verhuren
    asquilar
  134. gelegen
    situado/-a
  135. mooi
    bello/-a
  136. verrassend
    sorprendente
  137. vanuit
    desde
  138. beginnen
    iniciar
  139. wandelpad
    la ruta de senderismo
  140. wandelsport
    el senderismo
  141. doorkruisen
    recorrer
  142. gebergte
    la sierra
  143. inhuren, contracteren
    contratar
  144. gids, reisbegeleid(st)er
    el/la guía
  145. paardrijden
    montar a caballo
  146. kiezen voor
    decicirse (por)
  147. ruiterpad
    la ruta ecuestre
  148. motorrijden
    conducir (zc) una moto
  149. zwemmen
    nadar
  150. repareren
    reparar
  151. skiën
    esquiar (yo esquío)
  152. pokeren
    jugar al pòker
  153. geldautomaat
    el cajero automàtico
  154. noteren
    apuntar
  155. bord
    la pizarra
  156. becommentariëren
    comentar
  157. niemand
    nadie
  158. meerderheid
    la mayoría
  159. voorstelling
    el espectàculo
  160. tennisbaan
    la pista de tenis
  161. beslissen
    decidir
  162. beschrijven
    describir

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview