k.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
257
Filename:
k.txt
Updated:
2009-10-14 04:32:16
Tags:
Nederlandse \'k\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. kaak; de
    jaw
  2. kaal
    bald; bare
  3. kaars; de
    candle
  4. kaart; de
    card; map; ticket
  5. kaartje; het
    card; ticket
  6. kaas; de
    cheese
  7. kabeljauw; de
    cod
  8. kabinet; het
    cabinet
  9. kabinetje; het
    closet; w.c.
  10. kachel; de
    stove; heater
  11. kade; de
    quay
  12. kalender; de
    calendar
  13. kalf; het
    calf
  14. kalkoen; de
    turkey
  15. kalm
    calm; quiet; cool
  16. kalmeren
    to calm; soothe
  17. kam; de
    comb
  18. kamer; de
    room; chamber
  19. kameraad; de
    comrade; mate
  20. kamermeisje; het
    chambermaid
  21. kamp; het
    camp
  22. kampioen; de
    champion
  23. kan; de
    jug; jar
  24. kanaal; het
    canal
  25. kans; de
    chance; opportunity
  26. kant; de
    side; edge; lace
  27. kantine; de
    canteen; cafeteria
  28. kantoor; het
    office
  29. kantoorklerk; de
    offrice clerk
  30. kap; de
    cap; hood
  31. kapel; de
    chapel
  32. kapen
    to hijack
  33. kaper; de
    hijacker
  34. kaping; de
    hijacking
  35. kapitaal; het
    capital (ook adj)
  36. kapitalisme; het
    capitalism
  37. kapitalist; de
    capitalist
  38. kapitalistisch
    capitalistic
  39. kapoen; het
    capon
  40. kapot
    broken; torn; punctured
  41. kappen
    to fell; cut down
  42. kapper; de
    hairdresser
  43. kapsel; het
    hairdo
  44. kar; de
    cart
  45. karakter; het
    character
  46. karakteriseren
    to characterize
  47. karbonade; de
    chop; cutlet
  48. karnemelk; de
    buttermilk
  49. karton; het
    cardboard
  50. karwei; het
    job; chore
  51. kas; de
    cash
  52. kassa; de
    cash; box-office
  53. kast; de
    cupboard; wardrobe
  54. kastanje; het
    chestnut
  55. kasteel; het
    castle
  56. kastelein; de
    inn-keeper
  57. kat; de
    cat
  58. kater; de
    tomcat; hangover
  59. katje; het
    kitten
  60. katoen; het
    cotton
  61. kattenbak; de
    cat's box
  62. kauwen
    to chew; munch
  63. kauwgom; de
    chewing gum
  64. kazerne; de
    barracks
  65. keel; de
    throat
  66. keer; de
    turn
  67. keerpunt; het
    turning point
  68. keizer; de
    emperor
  69. kelder; de
    cellar
  70. kelner; de
    waiter
  71. kenmerk; het
    characteristic feature
  72. kennelijk
    evidently; obvious
  73. kennen
    to know; understand
  74. kenner; de
    connoisseur; authority
  75. kennis; de
    knowledge; acquaintance
  76. kerel; de
    fellow
  77. keren
    to turn
  78. kerk; de
    church
  79. kerkhof; het
    churchyard
  80. kerkklok; de
    church bell
  81. kermis; de
    fun fair
  82. kern; de
    kernel; nucleus; gist; core
  83. kerrie; de
    curry
  84. Kerstmis; de
    Christmas
  85. kersvers
    quite fresh
  86. ketel; de
    kettle
  87. ketting; de
    chain; necklace
  88. kettingroker; de
    chainsmoker
  89. keuken; de
    kitchen; cuising
  90. keurig
    decent; trim; dainty
  91. keuring; de
    examination; inspection
  92. keus; de
    choice; selelction
  93. kies; de
    molar
  94. kiesdistrict; het
    constituency
  95. kieskeurig
    dainty; choosy
  96. kietelen
    to tickle
  97. kiezen
    to choose
  98. kijk; de
    look
  99. kijken
    to llok
  100. kikker; de
    frog
  101. kin; de
    chin
  102. kind; het
    chcild
  103. kinderachtig
    childish
  104. kinderlijk
    naive; childlike
  105. kinderwerk; het
    child's work
  106. kinds
    senile
  107. kip; de
    chicken
  108. kippenvel; het
    gooseflesh
  109. klaar
    ready; clear
  110. klaarblijkelijk
    obviously
  111. klacht; de
    complaint
  112. klagen
    to complain
  113. klam
    damp; moist
  114. klank; de
    sound; ring
  115. klant; de
    client
  116. klap; de
    slap; blow
  117. klappen
    to clap; applaud
  118. klas; de
    class; classroom
  119. klassiek
    classic
  120. kleden zich
    dress
  121. kleedkamer; de
    dressing room
  122. kleermaker; de
    tailor
  123. kleding; de
    clothing
  124. klei; de
    clay
  125. klein
    small
  126. kleindochter; de
    granddaughter
  127. kleingeld; het
    small change
  128. kleinkind; het
    grandchild
  129. kleinzielig
    petty; narrow minded
  130. kleinzoon; de
    grandson
  131. kleren; de
    clothes
  132. klerk; de
    clerk
  133. kleur; de
    colour
  134. kleurentelevisie; de
    colour tv
  135. kleurig
    colourful
  136. kleurrijk
    richly coloured
  137. kleurspoeling; de
    colour rinse
  138. kleuter; de
    tot; toddler
  139. kleuterschool; de
    kindergarten
  140. kleven
    to stick; cling; adhere
  141. kleverig
    sticky
  142. klier; de
    gland
  143. klikken
    to tell tales; squeal
  144. klimaat; het
    climate
  145. klimmen
    to climb
  146. klinken
    to sound; ring
  147. klinker; de
    vowel
  148. klok; de
    clock
  149. klomp; de
    clog
  150. klontje; het
    lump (of sugar)
  151. klooster; het
    monastery; nunery
  152. kloppen
    to knock; tab
  153. kluis; de
    vault; safe deposit
  154. klungel; de
    oaf; clumsy person
  155. klus(je); de
    odd job; chore
  156. knaap; de
    lad; boy
  157. knaapje; het
    little boy; coat hanger
  158. knagen
    to gnaw
  159. knal;; de
    crack; pop; bang
  160. knap
    handsome; intelligent
  161. knappen
    to crack; snap
  162. knecht; de
    servant
  163. kneden
    to knead; mould
  164. knie; de
    knee
  165. knielen
    to kneel
  166. knijpen
    pinch
  167. knijper; de
    clothes peg
  168. knikken
    to nod
  169. knipogen
    to wink; blink
  170. knipoog(je); de
    wink
  171. knippen
    to cut; trim
  172. knobbel; de
    bump
  173. knoeien
    to make a mess
  174. knoflook; het
    garlic
  175. knokken
    to fight
  176. knol; de
    tuber; turnip
  177. knoop; de
    button
  178. knop; de
    button
  179. koe; de
    cow
  180. koek; de
    gingerbread
  181. koekenpan; de
    frying pan
  182. koekje; het
    biscuit
  183. koel
    cool; collected
  184. koelkast; de
    refrigerator
  185. koetje; het
    small cow
  186. koets; de
    coach; carriage
  187. koffer; de
    bag; suitcase
  188. koffie; de
    coffee
  189. koffiehuis; het
    cafe
  190. koffiezetapparaat; het
    coffee maker
  191. kofschip; het
    ship
  192. kogel; de
    bullet
  193. kok; de
    cook; chef
  194. koken
    to boil; cook
  195. kokosnoot; de
    coconut
  196. kom; de
    bowl
  197. komedie; de
    comedy
  198. komen
    to come
  199. komiek; de
    comedian
  200. komisch
    comical
  201. komkommer; de
    cucumber
  202. komma; de
    comma
  203. kommer; de
    distress; sorrow
  204. komst; de
    coming; arrival
  205. konijn; het
    rabbit
  206. koning; de
    king
  207. koningin; de
    queen
  208. koninklijk
    royal
  209. koninkrijk; het
    kingdom
  210. kooi; de
    cage
  211. kool; de
    coal; cabbage
  212. koop; de
    purchase
  213. koopje; het
    bargain
  214. koor; het
    choir
  215. koorts; de
    fever
  216. kop; de
    head
  217. kopen
    to buy
  218. koper; de
    buyer
  219. koperen; de
    copper; brass
  220. kopie; de
    copy
  221. kopi(e")ren
    to copy
  222. kopje; het
    cup
  223. kopstoot; de
    glass of beer and gin
  224. koptelefoon; de
    headphone
  225. koren; het
    grain; corn
  226. korrel; de
    grain
  227. korst; de
    crust
  228. kort
    short
  229. kortaf
    short; blunt
  230. korting; de
    reduction; discount
  231. kortom
    in short
  232. kost; de
    food; living
  233. kostbaar
    valuable; precious
  234. kostelijk
    exquisite
  235. kosteloos
    gratis
  236. kosten
    to cost
  237. kostprijs; de
    cost price
  238. kostuum; het
    costume; suit
  239. koud
    cold
  240. koufront; het
    cold front
  241. kous; de
    stocking
  242. kraag; de
    collar
  243. kraai;de
    crow
  244. kraam; de
    stall
  245. kraan; de
    tap; cock; crane
  246. krabben
    to scratch
  247. kracht; de
    strength; power
  248. krachtig
    strong; powerful
  249. kraken
    to crack; crunch
  250. kraker; de
    squatter
  251. krankzinnig
    crazy; mad
  252. krans; de
    wreath
  253. krant; de
    newspaper
  254. krap
    tight; narrow
  255. kras; de
    scratch
  256. kreet; de
    cry; shout
  257. kreng; het
    b itch; rotter
  258. krenken
    to offend
  259. krent; de
    currant
  260. kreukel; de
    crease
  261. kreuken
    to crease
  262. kreupel
    lame
  263. kriebel; de
    itch
  264. kriebelen
    to itch; tickle
  265. krijgen
    to get; receive
  266. kring; de
    circe
  267. kristal; het
    crystal
  268. kritiek; de
    criticism; review
  269. kritisch
    critical
  270. kroeg; de
    pub
  271. kroegbaas; de
    pubkeeper
  272. kroket; de
    croquette
  273. krokodil; de
    crocodile
  274. krom
    crooked; curved
  275. kroon; de
    crown
  276. kruid; het
    herb
  277. kruiden
    toseason; spice
  278. kruidenier; de
    grocer
  279. kruipen
    to creap; crawl
  280. kruis; het
    cross
  281. kruisiging; de
    cricifixion
  282. kruising; de
    crossroads
  283. kruit; het
    gunpowder
  284. kruk; de
    crutch; stool
  285. krul; de
    curl
  286. kuchen
    to cough; give a hem
  287. kudde; de
    herd
  288. kuil; de
    pit; hole
  289. kuis
    chaste
  290. kuisheid; de
    chastity
  291. kuit; de
    calf (leg)
  292. kunnen
    can; able to
  293. kunst; de
    art; trick; knack
  294. kunstje; het
    trick
  295. kunstenaar; de
    artist
  296. kunstenares; de
    f. artist
  297. kunstig
    ingenious; clever
  298. kunstzinnig
    artistic
  299. kus; de
    kiss
  300. kussen
    to kiss
  301. kussen; het
    pillow; cushion
  302. kust; de
    coast
  303. kwaad; het
    evil; wrong
  304. kwaad
    bad; evil; angry
  305. kwaal; de
    complaint; disease
  306. kwajongen; de
    naughty boy; brat
  307. kwakkelen
    to be ailing
  308. kwakzalver; de
    quack/doctor
  309. kwalijk
    objectionable; ill
  310. kwaliteit; de
    quality
  311. kwart; het
    qyarter
  312. kwartaal; het
    quarter (of a year)
  313. kwartier; het
    quarter (of an hour)
  314. kwast(je); de
    brush
  315. kwestie; de
    matter; issue; question
  316. kwetsbaar
    vulnerable
  317. kwetsen
    to hurt; wound
  318. kwijnen
    to languish; pine
  319. kwijt
    lost
  320. kwis; de
    quiz

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview