NIMA Marketing A hoofdstuk 12

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
257487
Filename:
NIMA Marketing A hoofdstuk 12
Updated:
2014-01-24 12:44:28
Tags:
NIMA Marketing hoofdstuk 12
Folders:
NIMA Marketing A hoofdstuk 12
Description:
NIMA Marketing A hoofdstuk 12
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Welke organisaties hebben een assortiment?
    Eigenlijk alle
  2. Wat is de definitie van assortiment?
    Het geheel van productgroepen, producten, productvarianten en merken dat door een productie- of handelsorganisatie wordt aangeboden.
  3. Wat is productklasse?
    Een verzameling productgroepen waaruit de afnemer kan kiezen om in een bepaalde of vergelijkbare behoefte te voorzien.
  4. Wat is een ander woord voor productklasse?
    assortimentsgroep
  5. Wat is assortimentsgroep?
    productklasse
  6. Noem 3 voorbeelden van productklassen
    • groente en fruit
    • vleeswaren
    • klein gereedschap
  7. Wat is een productgroep?
    Een verzameling producten, behorend tot een bepaalde productklasse, die nauw aan elkaar verwant zijn voor wat betreft het voorzien in dezelfde dan wel een vergelijkbare behoefte.
  8. Noem 3 voorbeelden van productgroepen
    • oosterse groente
    • boomfruit
    • schroeven
  9. Wat is de kleinste schakel na productklasse en productgroep?
    productvariant
  10. Wat is een ander woord voor productvariant?
    productitem
  11. Noem 3 voorbeelden van een productitem
    • paksoi
    • elstar appel
    • kleine schroef
  12. Noem de 5 manieren waarop producten verwantschap kunnen hebben met elkaar.
    • herkomstverwantschap
    • productieverwantschap
    • consumptieverwantschap
    • koopverwantschap
    • gebruikersgroepverwantschap
  13. Wat is herkomstverwantschap?
    Producten hebben een verwantschap omdat hun afkomst overeenstemmen
  14. Noem twee voorbeelden van herkomstverwantschap
    • kaas, melk en kwark komen allemaal uit de zuivelhandel
    • texelse specialiteiten komen allemaal van texel
  15. Wat is productieverwantschap?
    Producten die tijdens hetzelfde productieproces zijn ontstaan: hoofdproducten en bijproducten
  16. Wat is een voorbeeld van productieverwantschap?
    • ruwe olie en fijne olie
    • karnemelk en boter
  17. Wat is consumptieverwantschap?
    Producten worden samen gebruikt
  18. Noem twee voorbeelden van consumptieverwantschap
    • hardware en software
    • spaarlamp en lampenkap
  19. Wat is koopverwantschap?
    Producten hebben ongeveer dezelfde koopfrequentie, terwijl er bij de consument een geringe behoefte bestaat aan vergelijking.
  20. Wat is gebruikersgroepverwantschap?
    De producten hebben de overeenkomst dat ze allebei op een specifieke doelgroep gericht zijn.
  21. Noem twee voorbeelden van gebruikersgroepverwantschap
    • tickets voor een concert en fan merchandise
    • glutenvrije koekjes en boek met glutenvrije recepten
  22. Wat zijn de vijf assortimentsdimensies?
    • breedte
    • diepte
    • lengte
    • hoogte
    • consistentie
  23. Wat is de breedte van het assortiment?
    Het aantal verschillende productklassen of productgroepen waaruit een assortiment is opgebouwd.
  24. Wat is een smal assortiment?
    Een assortiment met weinig productklassen of -groepen
  25. Wat is de diepte van het assortiment?
    Het aantal artikelen en artikelvarianten binnen een assortiment
  26. Wat is de gemiddelde assortimentsdiepte?
    Het gemiddeld aantal producten per productgroep in een assortiment
  27. Wat is de totale assortimentsdiepte?
    Het totale aantal productitems binnen een productgroep.
  28. Heeft een speciaalzaak een diep of ondiep assortiment?
    Diep
  29. Heeft een speciaalzaak veel of weinig productklassen?
    Weinig
  30. Heeft een warenhuis een diep of ondiep assortiment?
    Ondiep
  31. Heeft een warenhuis veel of weinig assortimentsgroepen?
    veel
  32. Wat is de consistentie van het assortiment?
    De samenhang tussen verschillende productgroepen.
  33. Wat is de lengte van het assortiment?
    De gemiddelde voorraad van het assortiment.
  34. Wat is een reden om een lang assortiment te hebben?
    Minder risico om 'nee' te moeten verkopen.
  35. Wat is de hoogte van het assortiment?
    Het gemiddelde prijsniveau van het assortiment.
  36. Wat is de twintig/tachtig-regel?
    Twintig procent van het assortiment zorgt voor tachtig procent van de winst.
  37. Op welke twee manieren kunnen we het assortiment uitbreiden?
    Line stretching en line filling
  38. Wat is line stretching?
    Producten worden aan het assortiment toegevoegd die niet binnen de oorspronkelijke productlijn vallen.
  39. Noem twee voorbeelden van line stretching
    • Een schoenmaker gaat ook sleutels maken
    • Een kledinglijn voegt parfum aan het assortiment toe
  40. Wat is line filling?
    Producten binnen de oorspronkelijke productlijn worden aan het assortiment toegevoegd
  41. Noem twee voorbeelden van line filling
    • Een nieuwe smaak chips in de supermarkt
    • De Opel Corsa nu ook met dieselmoter ipv benzine
  42. Wat is assortimentssanering?
    Producten die niet meer aan de rendementseisen voldoen uit het assortiment halen.
  43. Wat is line pruning?
    assortimentssanering
  44. Wat is een ander woord voor assortimentssanering?
    Line pruning
  45. Waarom zal de samenstelling van het assortiment steeds veranderen?
    Het is afhankelijk van omgevingsfactoren die ook snel veranderen.
  46. Wat zijn de drie belangrijkste doelstellingen binnen het assortimentsbeleid?
    • winst
    • stabiliteit
    • groei
  47. Waardoor kan de stabiliteit van een assortiment afnemen?
    Producten die alleen in bepaalde seizoenen verkrijgbaar/verkoopbaar zijn. Producten die te duur worden omdat er een recessie intreedt o.i.d. Door bepaalde wetgeving of invoerrechten is een product niet meer verkrijgbaar.
  48. Wat zijn de belangrijkste assortimentsproblemen?
    • Het rentebeslag door te grote voorraden grondstoffen en verpakkingsmaterialen.
    • Slechte inkoopprijzen grondstoffen en verpakkingsmaterialen
    • Capaciteitsverlies door omstellen productiemachines
    • Hoge uitvalverliezen bij steeds weer opnieuw opstarten productie
    • Slechte productie planning
    • Slechte beheersbaarheid kwaliteit
    • Dure, verspreidliggende opslag
    • Dure verpakkingswijzigingen
    • Versnipperde promotie uitgaven
    • Zwakke producten drukken sterke producten uit het schap
  49. Hoe kan een assortiment analyse het beste plaatsvinden?
    Aan de hand van gestandaardiseerde kenmerken.
  50. Noem een aantal kenmerken die we kunnen gebruiken bij de assortiment analyse.
    omloopsnelheid, omzetsnelheid, brutowinstmarge, omzet, afzet, etc.
  51. Welke stappen neem je bij de assortiment analyse?
    • Kenmerken standaardiseren
    • Een aantal maanden het product volgen en de cijfers vergelijken
  52. Noem de definitie van assortimentssanering
    Het elimineren van productgroepen, producten of productvarianten uit het assortiment, waarvan het vanuit bedrijfseconomisch oogpunt of in relatie tot het bedrijfsconcept niet (langer) aanvaardbaar is deze in het assortiment te houden.
  53. Hoe kunnen we vooraf bepalen of een product(groep) rendabel is in het assortiment?
    Door de gestandaardiseerde kenmerken te vergelijken met die van producten die al in het assortiment zitten.
  54. Wat is een reden om een product dat niet aan de grenswaarden van een organisatie voldoet toch op te nemen in het assortiment?
    Het product heeft een trekkersfunctie; het trekt klanten.
  55. Wat is een grenswaarde als we het hebben over assortimentsbeleid?
    De grenzen van de gestandaardiseerde kenmerken waaraan het product moet voldoen.
  56. Wat is een product met een trekkersfunctie?
    Dat product trekt klanten aan.
  57. Wat vormt het uitgangspunt voor de assortimentsstrategie?
    De vijf assortimentsdimensies
  58. Wat zijn de 6 assortimentsstrategieën?
    • trading up
    • trading down
    • upgrading
    • downgrading
    • horizontale productdifferentiatie
    • verticale productdiffertiatie
  59. Welke overeenkomst hebben trading up en trading down?
    Er wordt een product aan het assortiment toegevoegd
  60. Wat gebeurt er bij trading up?
    Er wordt een productitem toegevoegd aan het assortiment dat duurder en van betere kwaliteit is dan andere producten binnen de productgroep.
  61. Noem vier redenen om trading up toe te passen.
    • Verwachting grotere winstmarges
    • Opwaarderen imago gehele assortiment
    • Verwachting minder felle concurrentie in duurdere productklasse
    • Een full line company worden
  62. Hoe noemen we een organisatie met een meer volledig assortiment?
    Een full line company
  63. Wat is een full line company?
    Een organisatie met een meer volledig assortiment
  64. Wat zijn twee nadelen van trading up?
    • Men kan te duur worden bevonden
    • De concurrentie reageert heviger dan verwacht, waardoor er niet, zoals verwacht, een concurrentie gat is in de duurdere producten
  65. Waarom zal men trading down toepassen?
    • Door toevoegen goedkope producten hoopt men een goedkoper imago te krijgen
    • Men verwacht minder concurrentie in goedkopere segmenten
  66. Wat zijn risico's van trading down?
    • Men kan te goedkoop worden gevonden
    • Er kan kannibalisme optreden
  67. Wat is kannibalisme?
    Een nieuw, goedkoper product verdrijft andere, vergelijkbare producten binnen dezelfde organisatie.
  68. Wat is upgrading?
    Het verhogen van het service- en/of kwaliteitsniveau van het assortiment of de winkelformule
  69. Wat is het verschil tussen upgrading en trading up?
    Bij trading up wordt slechts 1 product toegevoegd, bij upgrading wordt het hele assortiment of de organisatieformule onder de loep genomen.
  70. Wat is downgrading?
    Het verlagen van het service- of kwaliteitsniveau van het assortiment of de winkelformule.
  71. Wat is productdifferentiatie?
    De aanbieder maakt (kleine) veranderingen in het product.
  72. Noem een voorbeeld van productdifferntiatie
    • Een auto met 2, 3 of 4 deuren
    • Koekjes met chocola of vanille
    • Deodorant tegen witte vlekken of mild voor de huid
  73. Hoe noemen we het als er van een product verschillende varianten worden gemaakt?
    Productdifferentiatie
  74. Wat is het verschil tussen horizontale en verticale productdifferentiatie?
    Bij horizontale hebben de producten dezelfde kwaliteit, bij verticale is de variatie juist de kwaliteitsniveaus
  75. Wat is de juridische omschrijving van merk?
    Benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, cijfers, letters, vormen van warn of verpakking en alle andere tekens die dienen om producten van een onderneming te onderscheiden.
  76. Welke drie elementen van het merk kennen we?
    • merknaam
    • beeldmerk
    • vormmerk
  77. Wat is een woordmerk?
    merknaam
  78. Wat is een handelsmerk?
    Een juridische term waarmee wordt aangegeven dat het gebruik van een merk door de aanbieder wettelijk is beschermd.
  79. Wat is een ander woord voor beeldmerk?
    logo
  80. Noem een voorbeeld van vormmerk
    coca-colaflesje
  81. Wat is een ander woord voor handelsmerk?
    trademark
  82. Hoe herken je of een merk staat geregistreerd?
    Door het ® teken
  83. Welke zes functies heeft een merk?
    • Geeft herkomst product aan
    • Zorgt voor onderscheid met concurrent
    • Straalt imago uit
    • Zorgt voor klantenbinding
    • Kwaliteitsgarantie
    • Biedt wettelijke bescherming
  84. Wat is BMW?
    Benelux Merken Wet
  85. Waarop is de BMW van toepassing?
    Op warenmerken
  86. Wanneer ontstaat het recht om een merk te voeren?
    Als de merkhouder het recht deponeert bij het Benelux Merkenbureau
  87. Hoe verloopt de procedure als iemand het recht op een merk wil deponeren?
    • het merk aanbieden ter inschrijving
    • Merkenbureau toetst het aan weigeringscriteria
    • Merkenbureau weigert het of schrijft het in
  88. Aan welke voorwaarden moet een merk volgens de BMW voldoen?
    • Niet in strijd zijn met goede zeden en openbare orde
    • Mag niet misleidend zijn (bvb Kristal voor glazen steentjes)
    • Mag niet overeenstemmen met eerder gedeponeerde merken
  89. Waar deponeert men het recht op een merk buiten de Benelux?
    Bij het Europese Merkenbureau
  90. Noem voorbeelden van merkloze producten.
    agrarische producten, bloemen, vlees
  91. Wat is het voordeel van geen merk?
    Minder marketing kosten.
  92. Wat zijn producten zonder merk?
    Homogeen
  93. Wat is het belangrijkste element van merkloze producten voor de inkopende partij?
    De prijs
  94. Welke twee soorten merk kan een product krijgen als het een merk krijgt?
    • Een fabrikantenmerk
    • Een eigen merk (van de detaillist)
  95. Wat is een ander woord voor fabrikantenmerk?
    F-merk
  96. Welke drie soorten fabrikantenmerken kennen we?
    • Multibranding
    • Monobranding
    • Multi-monobranding
  97. Wat is multibranding?
    Een individuele merknaam; een fabrikant geeft elk van zijn producten een eigen merknaam.
  98. Noem een voorbeeld van multibranding.
    Unilever met Bona, Becel, Blue Band etc.
  99. Wat zijn de voordelen van multibranding?
    • Elk merk sluit aan bij een bepaalde doelgroep
    • Mocht een merk als negatief worden beoordeeld, dan neemt het de andere producten niet mee.
  100. Wat is een nadeel van multibranding?
    Hoge marketing inspanningen en kosten.
  101. Wat is monobranding?
    Alle producten van een fabrikant vallen onder hetzelfde merk.
  102. Wat zijn 2 andere woorden voor monobranding?
    paraplumerk of familiemerk
  103. Wat is een familiemerk?
    Een paraplumerk of monobranding
  104. Wat is een paraplumerk?
    Monobranding of een familiemerk.
  105. Wat is het voordeel van monobranding?
    Lage marketing kosten en inspanningen.
  106. Wat is het nadeel van monobranding?
    Als een product negatief wordt beoordeeld, trekt het het hele assortiment mee omlaag.
  107. Wat is multi-monobranding?
    Een product krijgt zowel een familiemerk als individueel merk.
  108. Noem een voorbeeld van multi-monobranding.
    Opel Corsa, Opel Vectra, Opel Astra
  109. Wat is een voordeel van fabrikantenmerk voor de fabrikant?
    De fabrikant heeft meer macht naar de detaillist toe.
  110. Hoe noemt met het als een fabrikantenmerk zo gewild is bij consumenten dat de detaillist het wel moet hebben in zijn assortiment?
    pull-strategie.
  111. Waar moet een merknaam in ieder geval aan voldoen?
    Uitspreekbaar (ook in het buitenland) en geen afwijkende betekenis hebben.
  112. Wat is een fancy-merk?
    Een merknaam die geen familienaam of herkomstnaam is, maar een fantasie naam.
  113. In welke drie rangordes delen we fabrikantenmerken?
    A-, B-, C-merk
  114. Wanneer is een merk een A-merk?
    • Landelijke distributie van 70% tot 80%
    • Grote bekendheid bij consument en handel
    • Reclame op nationaal niveau
    • Hoge constante kwaliteit
  115. Wanneer is een merk een B-merk?
    • Lagere distributiespreiding
    • Minder bekendheid
    • Geen reclame op nationaal niveau
    • Vaak regionaal bekend
  116. Wanneer is een merk een C-merk?
    • Onbekend
    • Geen reclame
    • Zeer lage distributiespreiding
  117. Omschrijf het A-merk vanuit het marketingconcept.
    Een merk is een A-merk als het zo door de klant wordt ervaren.
  118. Wat zijn private labels?
    Eigen merk
  119. Wat zijn handelaarsmerken?
    Eigen merk
  120. Noem vijf andere benamingen voor eigen merk.
    • distribuantenmerk
    • private labels
    • handelaarsmerken
    • huismerken
    • winkelmerken
  121. Wat zijn de drie voordelen voor de handelaar van een winkelmerk?
    • Hogere winstmarge vanwege minder marketingkosten 
    • Imago versterking: onderscheiden concurrent en klantenbinding
    • Prijspolitiek voeren tegen duurdere fabrikantenmerken
  122. Wat bedoelen we met de Battle of Brands?
    De concurrentie strijd tussen eigen merken en fabrieksmerken
  123. Tussen welke soorten fabrikantenmerken en winkelmerken vindt de Battle of Brands voornamelijk plaats, en ten koste van welke merken gaat dit?
    Tussen A-merken en winkelmerken, ten koste van de B-merken.
  124. Wat zijn generic products?
    Producten zonder naam, vaak in een witte verpakking, alles is erop gericht om de prijs zo laag mogelijk te houden.
  125. Wat zijn drie andere namen voor generic products?
    witte merken, generieke merken, vrije merken
  126. Wat zijn generieke merken?
    generic products
  127. Wat zijn vrije merken?
    generic products
  128. Noem de vier merkstrategieen
    • endorsement
    • line extension
    • brand extension
    • co-branding
  129. Wat is endorsement?
    Een sterk merk gebruikt zijn naam om een ander merk aan te bevelen.
  130. Op welke twee niveaus kan endorsement plaatsvinden?
    • corporate endorsement
    • product-brand endorsement
  131. Wat is het verschil tussen corporate endorsement en product-brand endorsement?
    Corporate endorsement is op bedrijfsniveau en product-brand endorsement is op merkniveau
  132. Noem een voorbeeld van corporate endorsement.
    Heineken beveelt Lingen's Blond aan; het zijn twee verschillende bedrijven
  133. Noem een voorbeeld van product-brand endorsement
    Liga beveelt Evergreen aan, Evergreen is onderdeel van Liga
  134. Wat zijn twee voordelen van endorsement?
    • Meeliften op succes grotere naam
    • Minder kosten reclame
    • Endorser verbindt er niet echt zijn naam aan, dus bij negativiteit kan hij zich er makkelijker vanaf trekken
  135. Wat is line extension?
    Nieuwe producten op de markt brengen die binnen een bestaande productcategorie vallen.
  136. Wat is een andere naam voor line- en brandextension?
    lijn- en merkuitbreidingen
  137. Noem een voorbeeld van line extension.
    Een nieuwe geur in een parfumlijn.
  138. Wat is brandextension?
    Een nieuw product uitbrengen onder hetzelfde merk, maar een andere productcategorie.
  139. Noem een voorbeeld van brandextension
    Een parfumlijn gaat ook t-shirts aanbieden
  140. Hoe noemen we het als twee merken elkaars naam gebruiken in een reclame campagne om elkaar te versterken?
    Co-branding
  141. Noem een voorbeeld van co-branding.
    Douwe Egberts en Senseo
  142. Wat is de definitie van merkentrouw?
    De mate van loyaliteit van afnemers aan een bepaald merk. De intentie waarmee, of mate waarin een afnemer het merk wil of blijft kopen, ongeacht eventuele veranderingen bij het merk of andere producten/merken.
  143. Geef de definitie van customer loyalty
    Trouw van een afnemer aan een product, merk, leverancier of producent.
  144. Geef de definitie van Merkwisseling
    De overgang van een afnemer bij twee opeenvolgende aankopen van merk A naar merk B

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview