l.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
258
Filename:
l.txt
Updated:
2009-10-14 04:32:43
Tags:
Nederlandse \'l\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. la; de
    drawer (mv. laden)
  2. laag; de
    layer; coating
  3. laag
    low; base
  4. laaien
    to blaze; flame
  5. laan; de
    avenue
  6. laars; de
    boot
  7. laat
    late
  8. laatst
    the other day; last
  9. lach(je); de
    laugh; smile
  10. lachen
    to laugh
  11. lachwekkend
    laughable
  12. ladder; de
    ladder
  13. lade; de
    drawer
  14. laf
    cowardly
  15. lafaard; de
    coward
  16. lak; de
    lacquer; enamel
  17. laken; het
    sheet; cloth
  18. laks
    lazy; lax
  19. lam; het
    lamb (mv. lammeren)
  20. lamp; de
    bulb; lamp
  21. lanceren
    to launch (a rocket)
  22. land; het
    country
  23. landaanwinning; de
    land reclamation
  24. landbouw; de
    agriculture
  25. landen
    to land
  26. landgenoot; de
    countryman
  27. landgenote; de
    countrywoman
  28. landschap; het
    landscape; scenery
  29. lang
    long; tall
  30. langs
    along
  31. langzaam
    slow
  32. langzamerhand
    gradually
  33. lantaarn; de
    lantern
  34. lapje; het
    piece of cloth; rag
  35. larie(koek); de
    stuuf and nonsense
  36. lassen
    to weld
  37. last; de
    load; burden
  38. laster; de
    slander
  39. lastig
    difficult; hard
  40. lat; de
    slat
  41. laten
    to leave; allow. permit; let; stop; have; make
  42. later
    later; afterwards
  43. laurier; de
    laurel
  44. lauw
    tepid; lukewarm
  45. lawaai; het
    noise; din
  46. lectuur; de
    reading matter
  47. ledematen; de
    limbs; m embers
  48. leder; het
    leaterh
  49. leed; het
    sorrow; grief
  50. leedvermaak; het
    Schadenfreude
  51. leeftijd; de
    age; lifetime
  52. leeg
    empty
  53. leek; de
    layman
  54. leer; het
    leather
  55. leer; de
    apprenticeship
  56. leerboek; het
    textbook; manual
  57. leerjaar; het
    course year
  58. leerkracht; de
    teacher
  59. leerling; de
    pupil
  60. leesboek; het
    reading book
  61. leesbril; de
    reading glasses
  62. leeuw; de
    lion
  63. leeuwin; de
    llioness
  64. legende; de
    legend
  65. leger; het
    army
  66. leges; de
    legal charges
  67. leggen
    to lay; put; place
  68. legitimatiebewijs; het
    identity papers
  69. leiden
    to lead; conduct
  70. leider; de
    leader; guide
  71. leidraad; de
    guide; guideline
  72. leien
    slate (adj)
  73. let; het
    leak
  74. lekken
    to leak
  75. lekker
    nice; delicious
  76. lelie; de
    lily
  77. lelijk
    ugly; plain
  78. lelijkheid; de
    ugliness
  79. lenen
    to lend; borrow
  80. lengte; de
    length; height; size
  81. lengtemaat; de
    linear measure
  82. lenig
    supple
  83. lening; de
    loan
  84. lens; de
    lens
  85. lente; de
    spring
  86. lepel; de
    spoon
  87. lepeltje; het
    teasppoon
  88. leraar; de
    teacher
  89. lerares; de
    f.teacher
  90. leren
    to learn; teach
  91. leren
    leather (adj)
  92. les; de
    lesson
  93. letten op
    pay attention to
  94. letter; de
    letter (alphabet)
  95. letterlijk
    literal(ly)
  96. leugen; de
    lie
  97. leugenaar; de
    liar
  98. leugenachtig
    untruthful
  99. leuk
    amusing; nice; funny; pleasant
  100. leunen
    to lean; recline
  101. leuning; de
    rail; bannister
  102. leunstoel; de
    armchair
  103. leus; de
    slogan
  104. leven; het
    life
  105. leven
    to live
  106. levend
    living
  107. levendig
    lively
  108. levenslang
    for life
  109. levensmiddelen; de
    provisions; food
  110. lever; de
    liver
  111. leverancier; de
    supplier
  112. leverbaar
    in supply
  113. leveren
    to deliver; supply
  114. levering; de
    delivery
  115. leverworst; de
    liver sausage
  116. lezen
    to read
  117. lezer; de
    reader
  118. lezing; de
    lecture
  119. lichaam; het
    body
  120. lichaamsbouw; de
    build; physique
  121. lichaamslengte; de
    height
  122. licht; het
    light
  123. lichtgeraakt
    touchy
  124. lid; de
    member; limb (mv.leden)
  125. lidmaatschap; het
    membership
  126. lied; het
    song
  127. liedje; het
    song; ditty
  128. lief
    dear; beloved; sweet
  129. liefdadigheid; de
    charity
  130. liefde; de
    love
  131. liefhebben
    to love
  132. liefkozen
    to fondle; caress
  133. liefst
    rather
  134. liefste
    dear; sweetheart
  135. liegen
    to fib; lie
  136. lies; de
    groin
  137. lieveling; de
    darling; pet
  138. liever
    rather
  139. lieverd; de
    darling
  140. lift; de
    elevator
  141. liggen
    to lie; be situated
  142. lijden
    to suffer; endure
  143. lijk; het
    body
  144. lijk; het
    corpse
  145. lijken
    ot resemble; seem
  146. lijm; de
    glue
  147. lijn; de
    line; string; cord
  148. lijndienst; de
    regular service
  149. lijst; de
    list; register
  150. likdoorn; de
    corn
  151. likken
    to lick
  152. lila
    lilac
  153. limonade; de
    lemonade
  154. linker
    left
  155. linkerhand; de
    left hand
  156. linkerkant; de
    left side
  157. links
    left; left handed
  158. linksaf
    to the left
  159. linnen; het
    linen
  160. lint; het
    ribbon
  161. lip; de
    lip
  162. liquideren
    to liquidate
  163. list; de
    trick; ruse
  164. listig
    sly; cunning
  165. liter; de
    litre
  166. literair
    literary
  167. literatuur; de
    literature
  168. litteken; het
    scar
  169. loeien
    to moo; howl
  170. loempia; de
    eggroll
  171. lof; de
    praise
  172. logeren
    to stay
  173. logies; het
    accommodation
  174. logisch
    logical
  175. lok; de
    look; curl
  176. lokaal; het
    class room
  177. lokaal
    local
  178. lokaas; het
    bait
  179. loket; het
    ticket window; counter
  180. lokken
    to lure; entice
  181. lol; de
    fun
  182. lomp
    ungainly; rude; clumsy
  183. long; de
    lung
  184. lonken
    to ogle
  185. lont; de
    fuse
  186. lood; het
    lead
  187. loods; de
    pilot (on a ship)
  188. loom
    slow; heavy; languid
  189. loon; het
    wages; pay
  190. loopbaan; de
    career
  191. lopen
    to walk; go; run
  192. lopend
    on foot
  193. los
    loose; undone; unfastene
  194. losbol; de
    rake; irresponsible person
  195. losbreken
    to break loose
  196. loslaten
    to let loose; set free
  197. losmaken
    to undo; untie; unbutton
  198. lossen
    to unload (ship)
  199. lot; het
    fate
  200. loten
    to draw lots
  201. loterij; de
    lottery; draw
  202. louter
    mere; pure; sheer
  203. loven
    to praise
  204. lucht; de
    air; smell; scent; sky
  205. luchten
    to air; ventilate
  206. luchthartig
    light hearted
  207. luchthaven; de
    airport
  208. luchtig
    airy; light
  209. luchtledig; de
    vacuum
  210. lucifer; de
    match
  211. lui
    lazy; idle
  212. luiaard; de
    lazy bones
  213. luid
    loud
  214. luiden
    to ring (church bells)
  215. luidruchtig
    noisy
  216. luik; het
    shutter
  217. luilak; de
    lazy bones
  218. luis; de
    louse
  219. luisteren
    to listen
  220. luistergeld; het
    radio license fee
  221. lukken
    to succeed
  222. lummel; de
    lout; stupid person
  223. lunch; de
    lunch
  224. lunchen
    to have lunch
  225. lust; de
    lust; delight; desire
  226. lusteloos
    listless
  227. lusten
    to fancy
  228. luxe; de
    luxury
  229. luxueus
    luxurious

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview