s.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
264
Filename:
s.txt
Updated:
2009-10-14 04:35:11
Tags:
Nederlandse \'s\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. saai
    dull
  2. salade; de
    salad
  3. salaris; het
    salary
  4. salon; de
    drawing room
  5. samen
    together
  6. samenwerken
    to cooerate
  7. samenwonen
    to live together
  8. sap; het
    juice
  9. satire; de
    satire
  10. saus; de
    sauce; dressing
  11. scala; het
    scale; range
  12. scepsis; de
    scepticism
  13. sceptisch
    sceptical
  14. schaak; het
    chess
  15. schaal; de
    dish; plate; scale
  16. schaamte; de
    shame
  17. schaap; het
    sheep
  18. schaapachtig
    sheepish
  19. schaar; de
    scissors
  20. schaars
    scarce; scanty
  21. schaats; de
    skate
  22. schaatsen
    to skate
  23. schade; de
    damage; harm
  24. schadevergoeding; de
    damages; compensation
  25. schaduw; de
    shadow; shade
  26. schakel; de
    link
  27. schakelaar; de
    switch
  28. schakelen
    to switch; change gear
  29. schaken
    to play chess; run off with; abduct
  30. schaker; de
    chess player
  31. schamen zich
    to be ashamed
  32. schandaal; het
    scandal
  33. schande; de
    shame; disgrace
  34. scharrelei; het
    free range egg
  35. scharrelen
    to rummage
  36. schat; de
    treasure; darling
  37. schatkist; de
    treasury; exchequer
  38. schatten
    to estimate; value
  39. schatting; de
    estimate
  40. scheef
    oblique; crooked
  41. scheen; de
    shin
  42. scheepje; het
    little ship
  43. scheermes; het
    razor
  44. scheermesje; het
    razor blade
  45. scheerzeep; het
    shaving soap
  46. scheidbaar
    separable
  47. scheidsrechter; de
    arbiter; umpire
  48. schelden
    to call names; abuse
  49. scheldwoord; het
    abusive word
  50. schelen
    to differ
  51. schenden
    to violate; infringe
  52. schenken
    to pour; bestow
  53. scheppen
    to scoop; ladle
  54. scheppen
    to create
  55. scheren
    to shave
  56. scherp
    sharp
  57. schieten
    to shoot
  58. schijnbeweging; de
    feint; dummy
  59. schijnen
    to shine; seem
  60. schijngevecht; het
    sham fight
  61. schil; de
    rind; peel; skin
  62. schild; het
    shield
  63. schilder; de
    painter
  64. schilderen
    to paint
  65. schilderij; het
    painting; picture
  66. schilderkunst; de
    art of painting
  67. schildersmodel; het
    artist's model
  68. schimmel; de
    grey horse; mould
  69. schip; het
    ship; boat
  70. schipper; de
    skipper
  71. schitteren
    to glitter
  72. schitterend
    splendid; brilliant
  73. schoen; de
    shoe
  74. school; de
    school
  75. schoolgeld; het
    school fee
  76. schoon
    beautiful; clean
  77. schoonheid; de
    beauty
  78. schoonmaaken
    to clean up
  79. schoorsteen; de
    chimney
  80. schoot; de
    lap; womb
  81. schoppen
    to kick
  82. schot; het
    shot
  83. schotel; de
    dish
  84. schoteltje; het
    saucer
  85. schouder; de
    shoulder
  86. schouwburg; de
    theatre
  87. schreeuw; de
    shout; scream
  88. schreeuwen
    to cry; shout
  89. schriftelijk
    written; in writing
  90. schrijfmachine; de
    typewriter
  91. schrijftaal; de
    written language
  92. schrijven
    to write
  93. schrijver; de
    writer
  94. schrik; de
    fright; alarm
  95. schrikkeldag; de
    leap day
  96. schrikkeljaar; het
    leap year
  97. schrikkelmaand; de
    February
  98. schrikken
    to be frightend
  99. schroef; de
    screw; propeller
  100. schromelijk
    terrib(ly)
  101. schuchter
    shy; bashful
  102. schudden
    to shake; shuffle
  103. schuifbakje; het
    sliding box
  104. schuilen
    to take shelter; hide
  105. schuim; de
    froth; foam
  106. schuin
    slanting; oblique
  107. schuiven
    to push; shove
  108. schuld; de
    debt; guilt
  109. schuldig
    guilty
  110. schurk; de
    scoundrel
  111. schutting; de
    fence
  112. schuttingwoord; het
    dirty word
  113. schuur; de
    barn; shet
  114. seconde; de
    second
  115. secretaresse; de
    secretary
  116. seizoen; het
    season
  117. selderij; de
    celery
  118. sensueel
    sensual
  119. sentimenteel
    sentimental
  120. serieus
    serious
  121. serveren
    to serve
  122. sesam
    sesame
  123. sfeer; de
    sphere
  124. sieraad; het
    ornament; jewellery
  125. sigaar; de
    cigar
  126. sigaret; de
    cigarette
  127. simpel
    simple
  128. simuleren
    to simulate
  129. sinaasappel; de
    orange
  130. sinds
    since
  131. sjaal; de
    shawl; scarf
  132. skelet; het
    skeleton
  133. ski; de
    ski
  134. ski(e")n
    to ski
  135. sla; de
    salad; lettuce
  136. slaan
    to strike; hit
  137. slaap; de
    sleep
  138. slachten
    to slaughter; kill
  139. slachthuis; het
    slaughter house
  140. slachtoffer; het
    victim
  141. slag; de
    blow; stroke; battle
  142. slagader; de
    artery
  143. slagen
    to succeed
  144. slager; de
    butcher
  145. slagerij; de
    butchery
  146. slagman; de
    batsman
  147. slagroom; de
    whipped cream
  148. slank
    slim
  149. slap
    weak
  150. slapeloos
    sleepless
  151. slapeloosheid; de
    insomnia
  152. slapen
    to sleep
  153. slecht
    bad
  154. slechterik; de
    bad guy
  155. slechts
    only; but
  156. slepen
    to drag; tow
  157. slepend
    dragging
  158. sleutel; de
    key
  159. slijten
    to wear out
  160. slikken
    to swallow
  161. slim
    smart; clever
  162. slinken
    to shrink; go down
  163. slipje; het
    knickers
  164. slippen
    to slip; skid
  165. slooberig
    sloppy baggy
  166. slof; de
    slipper
  167. sloom
    lethargi; lazy
  168. slopen
    to pull down; demolish
  169. slordig
    slovenly; sloppy
  170. slot; het
    lock; end; castle
  171. sluipen
    to steal; sneak
  172. sluiten
    to shut
  173. smaak; de
    tast
  174. smakelijk
    tasty
  175. smaken
    to taste
  176. smal
    narrow
  177. smelten
    (s)melt
  178. smerig
    dirty; sordid
  179. smijten
    to throw; fling
  180. snaar; de
    string; chord
  181. snappen
    to get; grasp; see
  182. snee; de
    cut; slice
  183. sneeuw; de
    snow
  184. sneeuwen
    to snow
  185. sneeuwman; de
    snowman
  186. sneeuwpop; de
    snowman
  187. snel
    quick; swift
  188. snelweg; de
    motorway
  189. snert; de
    pea soup
  190. snijden
    to cut; slice
  191. snikken
    to sob
  192. snoek; de
    pike
  193. snoep; de
    sweets; candy
  194. snor; de
    moustache
  195. snorren
    to whirr; purr
  196. snot; de
    snot
  197. snotaap; de
    brat
  198. snuiten
    to blow one's nose
  199. snuiven
    to sniff
  200. snurken
    to snore
  201. sober
    sober; frugal
  202. socialist
    socialist
  203. scoi(e")teit; de
    club; society
  204. soep; de
    soup
  205. soepel
    supple
  206. sok; de
    sock
  207. soldaat; de
    soldier
  208. sollicitant; de
    candidate
  209. sollicitatie; de
    application
  210. solliciteren
    to apply
  211. som; de
    sum
  212. somber
    gloomy; sombre
  213. sommige
    some
  214. soms
    sometime
  215. soort; de
    species
  216. soort; het
    sort; kind; type
  217. sorteren
    to sort
  218. souplesse; de
    suppleness
  219. souvenir; het
    souvenir
  220. spannen
    to stretch
  221. spannend
    exciting
  222. spanning; de
    tension; suspense
  223. sparen
    to savve; spare
  224. spatader; de
    varicose vein
  225. speciaal
    special
  226. specialiseren
    to specialise
  227. speeksel; het
    saliva
  228. spek; het
    bacon
  229. spel; het
    game
  230. spekbreker; de
    spoilsport
  231. spelen
    to play
  232. spiegel; de
    mirror
  233. spier; de
    muscle
  234. spijbelen
    to play truant
  235. spijker; de
    nail; tack
  236. spijkerbroek; de
    jeans
  237. spijs; de
    foods
  238. spijt; de
    regret
  239. spijten
    to regret
  240. spin; de
    spider
  241. spinazie; de
    spinach
  242. spinnen
    to spin; purr
  243. spion; de
    spy
  244. spionage; de
    espionage
  245. spioneren
    to spy
  246. splijten
    to split; cleave
  247. splinter; de
    splinter
  248. split; de
    slit; placket
  249. spliterwten; de
    split peas
  250. spoed; de
    speed; haste
  251. spoedig
    quick; soon
  252. spoelen
    to rinse; wind a film
  253. spoken
    to haount
  254. spons; de
    sponge
  255. spontaan
    spontaneous
  256. spook; het
    ghost
  257. spoor; het
    footprint; trace; rails
  258. spoorweg; de
    railway
  259. sport; de
    sport
  260. spot; de
    mockery; derision
  261. spotten
    to mock; scoff
  262. spraak; de
    speech
  263. spreektaal; de
    spoken language
  264. spreeuw; de
    starling
  265. sprei; de
    bedspread
  266. spreken
    to speak
  267. springen
    tp spring; jump
  268. sproeien
    to sprinkle; water
  269. sprong; de
    jump; leap
  270. sprookje; het
    fairy tale
  271. spruitjes; het
    brussel sprouts
  272. spugen
    to spit; vomit
  273. spuit; de
    syringe
  274. spuiten
    to spout; squirt
  275. spul; het
    stuff; thing
  276. spuug; het
    spittle; saliva
  277. staal; het
    steel; sample
  278. staan
    to stand; become; suit
  279. staart; de
    tail
  280. staat; de
    state
  281. stad; de
    town; city
  282. stadhuis; het
    town hall
  283. stadion; het
    stadium
  284. stadium; het
    stage; phase
  285. stadswapen; het
    city arms
  286. staf; de
    staff
  287. staken
    to stop; strike
  288. staking; de
    strike
  289. stal; de
    stable; stall
  290. stam; de
    stem
  291. stampen
    to stamp; thump
  292. stand; de
    position; attitude
  293. standaard; de
    standard
  294. standbeeld; het
    statue
  295. stap; de
    step
  296. stapel; de
    stack; pile
  297. stappen
    to step
  298. staren
    to stare
  299. start; de
    start
  300. startbaan; de
    runway
  301. statiegeld; het
    deposit
  302. station; het
    station
  303. stationair
    stationary
  304. statistiek; de
    statistics
  305. statuut; het
    statute
  306. stedelijk
    municipal; urban
  307. steeds
    always
  308. steek; de
    stab; sting
  309. steel; de
    handle; stem
  310. steen; de
    stone
  311. steil
    steep
  312. stekelvarken; het
    purcupine
  313. steken
    to sting; stab
  314. stel; het
    set; bunch
  315. stelen
    to steal
  316. stellen
    to place; put set
  317. stelt; de
    stilt
  318. stem; de
    voice; vote
  319. stemmen
    to vote; tune
  320. stemming; de
    voting; ballot
  321. stempel; de
    stamp; seal
  322. stemrecht; het
    franchise; right to vote
  323. ster; de
    star
  324. sterfelijk
    mortal
  325. sterk
    strong
  326. sterkte; de
    strength; pwoer
  327. sterveling; de
    mortal
  328. sterven
    to die
  329. stevig
    solid; substantial
  330. stichting; de
    foundation
  331. stief-
    step
  332. stier; de
    bull
  333. stijf
    stiff
  334. stijgen
    to rise; increase
  335. stijl; de
    style; post
  336. stikken
    to choke; suffocate
  337. stil
    still; silent
  338. stilstaan
    to stand still
  339. stilte; de
    silence
  340. stimulans; de
    stimulus
  341. stimuleren
    to stimulate
  342. stinken
    to stink
  343. stoel; de
    chair
  344. stoep; de
    pavement; stoop
  345. stof; het
    dust
  346. stof; de
    matter; stuff
  347. stok; de
    stick
  348. stom
    dumb
  349. stoot; de
    push; shove
  350. stop; de
    plug; stopper
  351. stoplicht; het
    traffic light
  352. stoppen
    to stop; darn
  353. storen
    to disturb
  354. storm; de
    storm
  355. stormen
    to storm
  356. storten
    to pour; shed; dump
  357. stoten
    to push; jolt
  358. stout; de
    stout beer
  359. stout
    naughty; wild
  360. straal; de
    ray; beam; radius
  361. straat; de
    street
  362. straf; de
    punishment
  363. straffen
    to punish
  364. strak
    tight; taut
  365. straks
    ina little while
  366. stralen
    to beam; shine
  367. strand; het
    beach
  368. streek; de
    region
  369. streep; de
    stripe; line
  370. strekken
    to stretch
  371. streng
    severe; strict
  372. sstreven
    to strive
  373. streven; het
    aspiration
  374. strijd; de
    fight
  375. strijden
    to fight
  376. strijken
    to iron
  377. strik; de
    bow
  378. strikt
    strict
  379. stro; het
    straw
  380. strofe; de
    stanza
  381. stromen
    to stream; flow
  382. strooien
    to strew
  383. stroom; de
    stream
  384. stropdas; de
    tie
  385. student; de
    student
  386. studente; de
    female student
  387. studeren
    to study
  388. studie; de
    study
  389. stuiten
    to bounce
  390. stuk; het
    piece; document; play
  391. sturen
    to send; steer
  392. stuur; het
    wheel; handlebar
  393. subject; het
    subject
  394. subjectief
    subjective
  395. subsidie; de
    subsidy
  396. subsidi(e")ren
    to subsidize
  397. succes; het
    success
  398. suiker; de
    sugar
  399. symbool; de
    symbol
  400. symfonie; de
    symphony
  401. sympathie; de
    sympathy
  402. sympathiek
    congenial; nice
  403. symptoom; het
    symptom
  404. synoniem; het
    synonym
  405. systeem; het
    system
  406. systematisch
    systematic

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview