NIMA Marketing A hoofdstuk 15

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
264220
Filename:
NIMA Marketing A hoofdstuk 15
Updated:
2014-03-03 09:35:02
Tags:
NIMA Marketing hoofdstuk 15
Folders:

Description:
NIMA Marketing A hoofdstuk 15
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is de definitie van ruil?
    Ruil is de vrijwillige uitwisseling van ruilobjecten tussen ten minste twee partijen
  2. Noem een aantal voorbeelden van ruilobjecten
    goederen, diensten, informatie, status, affectie
  3. Hoe noem je iemand die iets ruilt?
    ruilsubject
  4. Hoe noemt men het ruilen van goederen?
    Bartering
  5. Wat is bartering?
    Het ruilen van goederen tegen goederen
  6. Hoe noemen we het gezamenlijke aanbod van een product?
    Collectieve aanbodfunctie
  7. Hoe noemen we de grafiek van de collectieve aanbod functie met een rechte lijn?
    Lineaire aanbodcurve
  8. Wat is de lineaire vraagcurve?
    De grafiek waarin met een rechte lijn de collectieve vraag naar een product bij een bepaalde prijs wordt weergegeven
  9. Hoe noemen we het punt waar de lineaire aanbodcurve en de lineaire vraagcurve elkaar snijden?
    marktprijs of evenwichtsprijs
  10. Wat is de marktprijs?
    De prijs waarop aanbod en vraag met elkaar in balans zijn
  11. Wat is evenwichtsprijs?
    marktprijs
  12. Hoe komt de evenwichtsprijs tot stand?
    Na de (vrije) werking van het marktmechanisme komen de omvang van het aanbod en de vraag op die prijs uit.
  13. Wat is het prijsmechanisme?
    De spanning, het verloop en weg naar balans tussen vraag en aanbod
  14. Waarom werkt het prijsmechanisme niet altijd?
    Soms is het aanbod te hoog
  15. Wat kan men doen als het aanbod hoger is dan de vraag en daardoor het prijsmechanisme slecht werkt?
    Men stelt een quota in voor het aanbod
  16. Wat is de niet-monetaire component?
    De koopinspanning die een afnemer moet doen zoals psychische drempels overwinnen, naar de winkel gaan, informatie opdoen etc.
  17. Hoe noemen we het deel van de prijs van een product in geld?
    monetaire component
  18. Wat is een ander woord voor niet-monetaire component?
    niet-geldelijke component
  19. Wat zijn de drie functies van de prijs (vanuit marketingoogpunt?)
    • Beheersing afzetvolume en bijbehorende omzet
    • Vaststellen winst productitem alsook totale winst product in tijd
    • Ondersteunen (financieren) overige marketinginstrumenten
  20. Welke drie elasticiteiten die de relatie weergeven tussen verandering van prijs, inkomen en afzet weergeven kennen we?
    • prijselasticiteit
    • kruislingse elasticiteit
    • inkomenselasticiteit
  21. Wat kan men beoordelen aan de hand van de prijselasticiteit?
    De mate waarin de vraag daalt/stijgt als de prijs veranderd
  22. Wat is de formule van de prijselasticiteit?
    procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid, gedeeld door procentuele verandering prijs
  23. Hoe bereken je de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid?
    verschil oude en nieuwe situatie gedeeld door oude situatie maal 100%
  24. Wat betekent het als de elasticiteitscoëfficiënt negatief is?
    Als de prijs stijgt, daalt de vraag
  25. Hoe noemen we de prijselasticiteit uitgedrukt in een kengetal?
    prijscoëfficiënt
  26. Wat betekent een positief elasticiteitscoëfficiënt?
    Als de prijs daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid
  27. Wat is een prijsinelastische vraag?
    De vraag reageert vrij rustig op de prijswijziging.
  28. Hoe groot/klein is de elasticiteitscoëfficiënt bij een prijsinelastische vraag?
    tussen de 1 en -1
  29. Wat is de prijsgevoeligheid van de vraag?
    De mate waarin de vraag gevoelig is voor verandering van de prijs
  30. Welke drie niveaus kennen we binnen de prijsgevoeligheid van de vraag?
    • Volkomen inelastische vraag
    • Inelastische vraag
    • Elastische vraag
  31. Wat betekent Ep = 0?
    Volkomen inelastische vraag
  32. Is de volkomen inelastische vraag altijd 0?
    Nee, ongeveer 0
  33. Bij welke producten komt een volkomen inelastische vraag voor?
    producten die voorzien in de eerste levensbehoeften, zoals suiker, koffie brood margarine zout etc
  34. Wat is kenmerkend voor producten met een inelastische vraag?
    Ze zijn moeilijk vervangbaar
  35. Van welke vraag is sprake als bij een prijsverandering de gevraagde hoeveelheid relatief aan de prijs minder verandert?
    inelastische vraag
  36. Welke vraag hoort bij Ep = tussen 0 en -1?
    inelastische vraag
  37. Wat is een kenmerk van producten met een elastische vraag?
    Ze zijn makkelijk vervangbaar of overbodig (luxegoederen)
  38. Bij welke vraag is Ep = lager dan -1?
    elastische vraag
  39. Welke twee factoren die de prijselasticiteit bepalen zijn het belangrijkste?
    • Beschikbaarheid vervangende producten
    • Plaats van het product in het budget van de consument; een duur product neemt meer plaats in en is dus prijsgevoeliger.
  40. Wat is een ander woord voor kruislingse prijselelasticiteit?
    kruisprijselasticiteit
  41. Wat is de kruislingse prijselasticiteit van de vraag?
    De mate waarin de verandering van de prijs van het ene product invloed heeft op de gevraagde hoeveelheid van het andere product
  42. Wat is de formule van de kruislingse prijselasticiteit?
    Ek = procentuele verandering gevraagde hoeveelheid product A / procentuele verandering prijs product B
  43. Wat betekent Ek > 0?
    Het duurder worden van het ene product leidt tot meer vraag naar het andere product
  44. Als het duurder worden van het ene product, ertoe leidt dat de vraag naar het andere product groter wordt, wat kan je dan concluderen?
    Het zijn substitutiegoederen
  45. Wat zijn substitutiegoederen?
    Goederen die elkaar kunnen vervangen
  46. Wat betekent Ek<0?
    Als product A duurder wordt neemt de vraag naar zowel product A als product B af.
  47. Hoe noemen we het als bij het duurder worden van het ene product de vraag naar dat product en een ander product afneemt?
    complementaire goederen
  48. Wat betekent Ek≈0?
    Er is geen directe relatie tussen de prijsverandering van het ene product en de gevraagde hoeveelheid van het andere product
  49. Hoe noemen we producten waarbij de verandering van de prijs van het ene product geen tot zeer weinig invloed heeft op de gevraagde hoeveelheid van het andere product?
    indifferente goederen of afhankelijke goederen
  50. Wat zijn afhankelijke goederen?
    indifferente goederen
  51. Wat is de wet van Engel?
    Een wet die stelt dat naarmate het inkomen toeneemt, het percentage dat aan noodzakelijke producten wordt besteed afneemt.
  52. Wat gebeurd er volgens de wet van Engel met het percentage dat aan huishouden en wonen wordt besteed als het inkomen stijgt?
    blijft ongeveer gelijk
  53. Volgens welke wet neemt het percentage dat aan luxegoederen wordt besteed bij een stijging van het inkomen toe?
    Wet van Engel
  54. Wat is de formule van de inkomenselasticiteit?
    Ey = procentuele verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering inkomen
  55. Wat gebruikt men ook wel voor de formule van de inkomenselasticiteit in plaats van van de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid?
    procentuele verandering van de gelduitgaven voor een product
  56. Wat kunnen we concluderen bij Ey>0?
    De vraag naar deze producten zal toenemen als het inkomen stijgt
  57. Bij welk soort producten stijgt de relatieve gevraagde hoeveelheid wanneer het inkomen stijgt?
    luxegoederen
  58. Hoe ziet het inkomenselasticiteitscoëficiënt eruit bij luxegoederen (meestal)?
    Ey > 0
  59. Hoe noemt men goederen waar bij een stijging van het inkomen leidt tot een daling van de gevraagde hoeveelheid?
    inferieure goederen
  60. Wat betekent Ey < 0?
    Als het inkomen stijgt, neemt de relatieve gevraagde hoeveelheid naar het product af
  61. Hoe ziet het inkomenselasticiteitscoëficiënt eruit bij noodzakelijke goederen?
    0<Ey<1 (Ey ligt tussen 0 en 1)
  62. Bij welk soort goederen geldt 0<Ey<1?
    noodzakelijke goederen en indifferente goederen
  63. Wat zijn indifferente goederen?
    Goederen waar een verandering in de prijs of het inkomen geen tot zeer weinig invloed heeft op de gevraagde hoeveelheid.
  64. In welke vijf vormen delen we de aanbodzijde van de markt?
    • volledige mededinging
    • monopolistische concurrentie
    • homogeen oligopolie
    • heterogeen oligopolie
    • monopolie
  65. Wat zijn de twee belangrijkste kenmerken van de marktvorm volledig vrije mededinging?
    • veel aanbieders
    • heterogeen product
  66. Waarop baseren we de indeling van de aanbodzijde van de markt?
    • aantal aanbieders
    • aard product (heterogeen/homogeen)
  67. Wat is homogeenpolypolie?
    volledige mededinging
  68. Wat is een andere benaming voor volledige mededinging?
    • volledig vrije mededinging
    • homogeen polypolie
  69. Waar heeft een aanbieder in de marktvorm volledige mededinging wel en niet invloed op?
    • geen invloed op de prijs
    • wel invloed op de aangeboden hoeveelheid
  70. Hoe worden aanbieders in de marktvorm homogeen polypolie ook wel genoemd?
    hoeveelheidsaanpassers
  71. Waarom komt een homogeen polypolie niet voor bij industriële producten?
    Er zijn veel aanbieders, dat is niet kenmerkend voor industrie
  72. Wanneer zal een monopolist kiezen voor een hoge prijs?
    Als de vraag inelastisch is
  73. Wat is een kenmerk van een monopolie?
    Er mag geen concurrentie bestaan, ook geen potentiële concurrentie
  74. Hoe ontstaat een oligopolie?
    Er verschijnen concurrenten op een monopolie en blijven daar ook
  75. Wat is een kenmerk van een oligopolie?
    Enkele machtige aanbieders, met nog een aantal kleine aanbieders die weinig tot geen invloed hebben.
  76. Wat is een prijsoorlog?
    Een aanbieder in een oligopolie verlaagt zijn prijs, overige aanbieders gaan daar net onder zitten. Er ontstaat een strijd om de laagste prijs.
  77. Wat is prijsstarheid?
    Uit angst voor een prijsoorlog veranderen oligopolisten hun prijs niet.
  78. Waarom accepteert men in een oligopolie een prijsleider?
    Om een prijsoorlog te voorkomen
  79. Wie is in een oligopolie prijsleider?
    Degene die het grootste marktaandeel heeft / het meest toonaangevend is / de meeste macht heeft
  80. Is een prijsleider een officiële functie?
    Nee, hij wordt stilzwijgend geaccepteerd
  81. Wat gebeurd er als de prijsleider zijn prijs verhoogt/verlaagt?
    De rest volgt
  82. Is er alleen in oligopolies een prijsleider?
    Nee, ook andere marktvormen
  83. Hoe concurreren oligopolisten?
    Niet met prijs, maar met product, service, promotie etc.
  84. Wat passen oligopolisten toe om hun marktaandeel te veroveren?
    productdifferentiatie en marktsegmentatie
  85. Wat is non-price competition?
    Concurreren met andere marketinginstrumenten dan de prijs
  86. Wat wordt een homogeen oligopolie dat zeer succesvol productdifferentiatie toepast?
    Een heterogeen oligopolie
  87. Bestaan er veel heterogene oligopolies?
    Nee
  88. Wat is een voorbeeld van een heterogeen oligopolie?
    benzinemarkt, aanbod synthetische garen, aanbod metalen
  89. Welke marktvorm heeft veel aanbieders met heterogene producten?
    monopolistische concurrentie
  90. Wat is een andere term voor monopolistische concurrentie?
    heterogeen polypolie
  91. Zijn de producten van concurrerende aanbieders uit de monopolistische concurrentie totaal verschillend?
    Nee, het kale product lijkt vaak sterk op elkaar
  92. Noem voorbeelden van aanbieders uit de monopolistische concurrentie
    whiskey markt, sigaretten markt
  93. Wat zijn 4 kenmerken van monopolistische concurrentie?
    • veel aanbieders
    • heterogene (maar sterk op elkaar lijkende producten)
    • kleine marktaandelen
    • geringe reactie bij concurrenten, maar prijsleider wordt gevolgd
  94. Bij welke marktvorm is de invloed van de aanbieder op de prijs het grootst?
    homogeen oligopolie
  95. Wat is prijsperceptie?
    Het prijsbewustzijn en de prijsbeleving van de klant.
  96. Wat bedoelen we met de prijsbeleving van de klant?
    De mate waarin een klant een product als duur of goedkoop ervaart
  97. Wat bedoelen we met prijsbewustheid?
    De mate waarin de afnemer zich bewust is van geldende prijzen in de markt bij de concurrentie voor een bepaald product
  98. Wat is het prijsgedrag?
    Het gedrag dat een afnemer uit naar aanleiding van confrontatie met de prijs
  99. Wat is een discontinu prijs
    Een prijs die door de psychologische prijsbeleving een product goedkoper (of duurder) laat lijken (bvb € 9,98 ipv € 10,-)
  100. Wat is een ander woord voor oneven-eindprijzen?
    discontinue prijzen
  101. Wat is een prijsdrempel?
    De grens waarbij een relatief kleine vraag bestaat. Daar net onder (of boven) wordt relatief veel meer afgezet.
  102. Wat is behalve de prijselasticiteit en te behalen winst etc. belangrijk bij de prijsbepaling?
    • prijsbewustheid consument
    • te verwachten prijsacceptatie
    • prijs/waardeverhouding
  103. Wat is een ander woord voor prijsdrempel?
    Prijsbarrière
  104. Wat is de prijsacceptatie?
    De mate waarin afnemers de prijs als redelijk ervaren
  105. Wanneer is een prijs een kwaliteitsindicator?
    Als hij wordt gebruikt (door consument) om de waarde van een product te bepalen
  106. Wat is de prijs/waardeverhouding?
    De verhouding tussen de prijs en de subjectieve waardering van de voordelen die het voor de afnemer heeft
  107. Wat is het verschil tussen prijsdifferentiatie en prijsdiscriminatie?
    Bij prijsdiscriminatie is er een geografische grens, bij prijsdifferentiatie is er een grens in de prijsbeleving van groepen consumenten.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview