t.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
265
Filename:
t.txt
Updated:
2009-10-14 04:36:01
Tags:
Nederlandse \'t\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. taai
    tough
  2. taak; de
    task; job
  3. taal; de
    language
  4. taaltje; het
    lingo; jargon
  5. taart; de
    tart; cake
  6. tabak; de
    tobacco
  7. tafel; de
    table
  8. tak; de
    branch
  9. tal; het
    number
  10. talenknobbel; de
    flair for languages
  11. talenpracticum; het
    language laboratory
  12. talent; het
    talent
  13. talentvol
    gifted; talented
  14. tam
    tame
  15. tamelijk
    fairly; rather
  16. tand; de
    tooth; prong
  17. tandarts; de
    dentist
  18. tandenborstel; de
    tooth brush
  19. tandenstoker; de
    toothpick
  20. tandpasta; de
    toothpaste
  21. tante; de
    aunt
  22. tap; de
    tap
  23. tapijt; het
    carpet
  24. tappen
    to tap; draw
  25. tarief; het
    tariff; rate
  26. tarwe; de
    wheat
  27. tas; de
    bag
  28. tasje; het
    bag
  29. tasten
    to touch; grope; feel
  30. taxi(e")en
    to taxi
  31. te
    at; in; too; to
  32. te voet
    on foot
  33. teen; de
    toe
  34. teer
    tender; dellicate
  35. tegelijk
    at the same time
  36. tegemoet
    to(wards)
  37. tegemoetkomen
    come towards; meet halfway
  38. tegen
    against; versus
  39. tegenkomen
    come across; encounter
  40. tegennatuurlijk
    unnatural
  41. tegenover
    opposite; facing
  42. tegenovergestelde; het
    opposite; contrary
  43. tegenstander; de
    adversary; opponent
  44. tegenstelling; de
    contrast
  45. tegenwoordig
    at present; nowadays
  46. tegenzin; de
    dislike; aversion
  47. teken; het
    sign; token
  48. tekenen
    to draw; sketch; sign
  49. tekening; de
    drawing; design
  50. tekst; de
    text
  51. tel; de
    count; sec; tick
  52. telefoneren
    (opbellen); to telephone
  53. telefonisch
    over the telephone
  54. telefoon; de
    telephone
  55. teleurstellen
    to disappoint
  56. televisie; de
    tv
  57. tellen
    to count; number
  58. telwoord; het
    numeral; number
  59. temperatuur; de
    temperature
  60. ten eerste
    first(ly)
  61. ten dele
    partly
  62. ten oosten van
    to the east of
  63. ten slotte
    finally
  64. tenminste
    at least
  65. teneinde te
    in order to
  66. ten gevolge van
    as a result of
  67. tennissen
    to play tennis
  68. tentoonstellen
    to exhibit; show
  69. tentoonstelling; de
    exhibition
  70. tenue; het
    dress; uniform
  71. tenzij
    unless
  72. terecht
    rightly; justly
  73. terechtkomen
    to be found again; turn-up; come right
  74. terechtstellen
    to execute; put to death
  75. term; de
    term
  76. termijn; de
    term; time; installment
  77. terrein; het
    ground; terrain
  78. terras; het
    terrace; pavement cafe
  79. terug
    back
  80. teruggeven
    to give back
  81. terugkomen
    to return; come back
  82. terugreis; de
    return trip
  83. terugslaan
    to beat off; strike back
  84. terwijl
    while; whereas
  85. terzake
    to the point
  86. terzijde
    aside
  87. tevergeefs
    in vain
  88. tevreden
    content(ed); satisfied
  89. theater; het
    theatre
  90. thee; de
    tea
  91. thema; het
    theme
  92. thuis
    at home
  93. thuiszitten
    to stay at home
  94. tiener; de
    teenager
  95. tiental; het
    (nine or) ten
  96. tijd; de
    time; tense
  97. tijdelijk
    temporary; interim
  98. tijdens
    during
  99. tijdloos
    timeless
  100. tijdschrift; het
    magazine; periodical
  101. tijger; de
    tiger
  102. tijm; de
    thume
  103. tik; de
    slap; tap; tick
  104. tikken
    to tick; tap; type
  105. tikfout; de
    typing error
  106. timmerman; de
    carpenter
  107. tip; de
    tip
  108. tippen
    to tippen
  109. tiran; de
    tyrant
  110. titel; de
    title
  111. tjonge jonge
    dear; dear
  112. toch
    yes; still; anyhow
  113. tocht; de
    draught; trip; expidition
  114. tochten
    be draughty
  115. toe
    to
  116. toedoen
    to matter; be relevant
  117. toegang; de
    admittance; admission; entrance
  118. toegangsprijs; de
    price of admission
  119. toegeven
    to admit; concede; give in
  120. toekomst; de
    future
  121. toekomstig
    tuture; prospective
  122. toelaten
    to admit; permit
  123. toen
    then; at that time; when
  124. toenemen
    to increase
  125. toepasbaar
    applicable
  126. toepasselijk
    appropriate; applicable
  127. toepassen
    to apply
  128. toepassing; de
    application; use
  129. toer; de
    tour
  130. toerisme; de
    tourism
  131. toerist; de
    tourist
  132. toestel; de
    apparatus
  133. tournee; de
    tour
  134. toernooi; het
    tournament
  135. toestemmen
    to consent
  136. toestemming; de
    permission; consent
  137. toetje; het
    dessert
  138. toeval; het
    coincidence; chance; accident
  139. toevallig
    accidental(ly)
  140. toevoegen
    to add
  141. toilet; het
    toilet
  142. tolerant
    tolerant
  143. tolerantie; de
    tolerance
  144. tolk; de
    interpreter
  145. tomaat; de
    tomato
  146. tomatensoep; de
    tomato soup
  147. ton; de
    barrel; 100000 euro; 1000kg
  148. toneel; het
    stage; theatre
  149. toneelspeelster; de
    actor
  150. toneelstuk; het
    stage play
  151. tonen
    to show
  152. tong; de
    tongue
  153. toon; de
    tone; note
  154. toonbank; de
    counter
  155. toorts; de
    torch
  156. toost; de
    toast (someone)
  157. toosten
    to give a toast
  158. top; de
    top; tip
  159. topconferentie; de
    summit conference
  160. toppunt; het
    top; limit; pinnacle
  161. toren; de
    tower; steeple
  162. tot
    till; until
  163. totaal
    total(ly); overall
  164. totaal; het
    sumtotal
  165. totalitair
    totallitarian
  166. totdat
    till; until
  167. touringcar; de
    coach
  168. touw; het
    rope; cord
  169. touwtje; het
    string
  170. tovenaar; de
    sorcerer; wizard
  171. toverij; de
    sorcery
  172. toveren
    to work magic; conjure
  173. traag
    slow; sluggish
  174. traan; de
    teardrop
  175. trachten
    to try; endeavour
  176. tragedie; de
    tragedy
  177. tragisch
    tragic
  178. trainen
    to train
  179. traktatie; de
    treat
  180. trakteren
    to treat/shout
  181. tram; de
    tram; streetcar
  182. transactie; de
    transaction; deal
  183. trap; de
    stairs; staircase
  184. trapezewerker; de
    trapeze-artist
  185. trappen
    to tread; kick
  186. treffen
    to hit; strike
  187. trein; de
    train
  188. trek; de
    appetite; pull
  189. trekken
    to draw; pull; travel
  190. tribune; de
    tribune; gallery; platform
  191. triest
    sad
  192. triljoen
    trillion
  193. triomf; de
    triumph
  194. triomfantelijk
    triumphantly
  195. triomferen
    to triumph
  196. troep; de
    crowd; troop; mess; rubbish
  197. trommel; de
    drum; tin; canister
  198. trompet; de
    trumpet
  199. troon; de
    throne
  200. troost; de
    comfort; consolation
  201. troosten
    to comfort; console
  202. tros; de
    cluster; bunch
  203. trots; de
    pride
  204. trots
    proud
  205. trouw; de
    faithfulness; loyalty
  206. trouw
    faithful; loyal
  207. trouwboekje; het
    marriage certificate
  208. trouwdag; de
    wedding day
  209. trouwens
    for that matter; besides; BTW
  210. truc; de
    trick
  211. trui; de
    sweater
  212. tube; de
    tube
  213. tuig; het
    gear; rigging; scum
  214. tuin; de
    garden
  215. tulp; de
    tulip
  216. tussen
    between; among
  217. tweeklank; de
    dipthong
  218. tweeling; de
    twins
  219. twijfel
    doubt
  220. twijfelachtig
    doubtful; questionable
  221. twijfelen
    to doubt
  222. twist; de
    quarrel; dispute
  223. type; het
    type
  224. typemachine; de
    typewriter
  225. typen
    to type
  226. typisch
    typical
  227. typist(e); de
    typist (female)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview