w.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
268
Filename:
w.txt
Updated:
2009-10-14 04:37:13
Tags:
Nederlandse \'w\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. waaien
    to blow
  2. waanzin; de
    madness
  3. waar
    true; where
  4. waard; de
    worth
  5. waarde; de
    value
  6. waarheid; de
    truth
  7. waarmee
    with what
  8. waardeloos
    worthless
  9. waarderen
    to value; appreciate
  10. waardevol
    valuable
  11. waarom
    why
  12. waarschijnlijk
    probably; likely
  13. waarschuwen
    to warn
  14. waarschuwing; de
    warning
  15. wachten
    to wait
  16. wachtkamer; de
    waiting room
  17. wagen; de
    cart
  18. wagen
    to risk; venture
  19. wakker
    awake
  20. wandelen
    to walk
  21. wang; de
    cheek
  22. wanhoop; de
    despair
  23. wanhopig
    desperate
  24. wanneer
    when; whenever; because
  25. want
    for; because
  26. wantrouwen
    to distrust
  27. wapen; het
    weapon; coat of arms
  28. wapenarsenaal; het
    arsenal
  29. war; de
    tangle; confusion
  30. het warenhuis
    department store
  31. warm
    warm; hot
  32. warmte; de
    warmth; heat
  33. warmtefront; het
    warm fron
  34. was; de
    wash
  35. washandje; het
    flannel; wash cloth
  36. wasmiddel; het
    detergent
  37. wassen
    to wash
  38. water; het
    water
  39. waterschade; de
    water damage
  40. wedstrijd; de
    game; match
  41. weduwe; de
    widow
  42. weduwnaar; de
    widower
  43. weekeinde; het
    weekend
  44. het weekend
    weekend
  45. het weer
    weather
  46. weerbericht; het
    weather report
  47. weeskind; het
    orphan
  48. weg
    road; way
  49. wegen
    to weigh
  50. wegens
    on account of
  51. weggaan
    to go away
  52. wegjagen
    to chase away
  53. weglopen
    to run away
  54. wegrijden
    to drive away
  55. wegtrekkken
    to clear away
  56. wegvoeren
    to carry away
  57. weigeren
    to refuse
  58. weiland; het
    meadow; field
  59. weinig
    a little
  60. weken
    to soak
  61. wekken
    to wake
  62. wekker; de
    alarm clock
  63. weleens
    sometimes
  64. welgesteld
    well-to-do
  65. welk
    which
  66. welterusten
    good night; sleep well
  67. welvaart; de
    prosperity
  68. welzijn; het
    welfare; well-being
  69. wennen
    to accustom
  70. wenk; de
    hink wink
  71. wenkbrauw; de
    eyebrow
  72. wenken
    to beckon; motion
  73. wens; de
    wish
  74. wensen
    to wish
  75. wereld; de
    world
  76. wereldreiziger; de
    globe trotter
  77. werk; het
    work; job
  78. werkelijk
    actual(ly); real(ly)
  79. werkelijkheid; de
    reality
  80. werkeloos
    idle; unemployed
  81. werken
    to work
  82. werkgeefster; de
    employer (female)
  83. werkgever; de
    emplojer; male
  84. werkloos
    idle; unemployed
  85. werkloosheid; de
    unemploment
  86. werknemer; de
    employee
  87. werkwoord; het
    verb
  88. de werkzaamheid
    occupation
  89. werpen
    to throw; fling
  90. wet; de
    law
  91. weten
    to know
  92. wetenschap; de
    science; scholarshop
  93. wetenschappelijk
    scientific; scholarly
  94. wezen; het
    essence
  95. wie
    who
  96. wieg; de
    cradle
  97. wiel; het
    wheel
  98. wiens
    whose
  99. wijd
    wide; large; spacious
  100. wijk; de
    quarter; district
  101. wijn; de
    wine
  102. wijnkelder; de
    winecellar
  103. wijs
    wise
  104. wijsheid; de
    wisdom
  105. wijsneus; de
    know it all
  106. wijsvinger; de
    index finger
  107. wijze; de
    manner
  108. wijzen
    to point
  109. wijzigen
    change; alter
  110. wil; de
    will; wish; desire
  111. wild
    wild; savage
  112. wild; het
    game; venison
  113. willen
    to want
  114. winden
    to wind; twist
  115. winderig
    windy
  116. windmolen; de
    windmill
  117. windrichting; de
    direction of the wind
  118. windstil
    calm
  119. windwijzer; de
    weather vane
  120. winkel; de
    shop
  121. winkelbediende; de
    shop assistant
  122. winkeldief; de
    shoplifer
  123. winkelen
    to shop
  124. winnen
    to win
  125. winst; de
    profit
  126. winters
    wintry
  127. wiskunde; de
    mathematics
  128. wiskundig
    mathematical
  129. wiskundige; de
    mathematician
  130. wisselen
    to change
  131. wisselgeld; het
    small change
  132. wisselvallig
    uncertain; changeable
  133. wit
    white
  134. witlof; het
    chicory
  135. wittebroodsweken; de
    honeymoon
  136. woedend
    furious
  137. woest
    wild; fierce
  138. woestijn; de
    desert
  139. wol; de
    wool
  140. wolf; de
    wolf
  141. wond; de
    wound; injury
  142. wonder; het
    miracle
  143. wonen
    to live
  144. woning; de
    flat; house
  145. woonplaats; de
    residence
  146. woord; het
    word
  147. woordenboek; het
    dictionary
  148. woordenlijst; de
    wordlist
  149. woordvolgorde; de
    word order
  150. worden
    to become
  151. worm; de
    worm
  152. worst; de
    sausage
  153. worselen
    to wrestle
  154. woud; het
    forest; wood
  155. wraak; de
    revenge
  156. wrak; het
    wreck
  157. wreed
    cruel
  158. wreken
    to avenge; revenge
  159. wrijven
    to rub; polish
  160. wuiven
    to wave (one's hand)
  161. wurgen
    strangle

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview