z.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
269
Filename:
z.txt
Updated:
2009-10-14 04:37:45
Tags:
Nederlandse \'z\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. zaak; de
    business; thing
  2. zaal; de
    hall; room
  3. zacht
    soft
  4. zak; de
    bag; sack; pocket
  5. zakelijk
    business-like
  6. zakken
    to sink; fall; sag
  7. zakkenroller; de
    pickpocket
  8. zalig
    blessed; blissful
  9. zalm; de
    salmon
  10. zand; het
    sand
  11. zanger; de
    singer
  12. zat
    satiated; drunk
  13. zebrapad; de
    zebra crossing
  14. zee; de
    sea
  15. zeef; de
    sieve
  16. zeep; de
    soap
  17. zeer
    very
  18. zeer; het
    sore; ache
  19. zegel; het
    seal; stamp
  20. zeggen
    to say
  21. zeil; het
    sail
  22. zeilen
    to sail
  23. zeker
    sure; certain
  24. zelden
    seldom
  25. zeldzaam
    rare
  26. zelfde
    same
  27. zelfmoord; de
    suicide
  28. zelfs
    even
  29. zelfstandig
    independent
  30. zenden
    to send; forward
  31. zending; de
    shipment; mission
  32. zenuw; de
    nerve
  33. zenuwachtig
    nervous
  34. zenuwachtigheid; de
    nervousness
  35. zet; de
    move
  36. zetel; de
    seat; throne
  37. zetfout; de
    misprint
  38. zetten
    to put
  39. zeuren
    to whine; go on
  40. zeven
    to sift
  41. zicht; het
    sight
  42. zichtbaar
    visibility
  43. het ziekenhuis
    hospital
  44. ziekte; de
    illness
  45. ziel; de
    soul
  46. zien
    to see
  47. zigeuner; de
    gypsy
  48. zijstraat; de
    side street
  49. zilver; het
    silver
  50. zilverkleurig
    silver colour
  51. zin; de
    sense; sentence; mind; desire; appetite; fancy
  52. zingen
    to sing
  53. zinken
    to sink
  54. zinloos
    senseless
  55. zinnelijk
    sensual
  56. zinnen
    to ponder; brood
  57. zintuig; het
    sense (organ of)
  58. zinvol
    meaningful
  59. zitten
    to sit
  60. zo
    so; like this
  61. zoals
    such as
  62. zodat
    so that
  63. zodra
    as soon as
  64. zoeken
    to look for
  65. zoen; de
    kiss
  66. zoenen
    to kiss
  67. zoet
    sweet
  68. zogenaamd
    so called
  69. zoiets
    something like that
  70. zojuist
    just now
  71. zolang
    so long as
  72. zolder; de
    loft; attic
  73. zomer; de
    summer
  74. zon; de
    sun
  75. zondaar; de
    sinner
  76. zonde; de
    sin
  77. zonder
    without
  78. zondvloed; de
    deluge
  79. zone; de
    zone
  80. zonnebloem; de
    sunflower
  81. zonnestraal; de
    sunbeam
  82. zonnig
    sunny
  83. zonsondergang; de
    sunset
  84. zonsopgang; de
    sunrise
  85. zooi(tje)
    lot; heap
  86. zool; de
    sale
  87. zoom; de
    hem; edge
  88. de zoon
    son
  89. zorg; de
    care; concern
  90. zorgen
    to care
  91. het zout
    salt
  92. zoveel
    so much
  93. zover
    so far; as far
  94. z.o.z.
    zie ommezijde (p.t.o.)
  95. zucht; de
    sigh
  96. zuchten
    to sigh
  97. zuid
    south
  98. zuiden; het
    south
  99. zuigen
    to suck
  100. zuil; de
    pillar
  101. zuinig
    thrifty; economical
  102. zuinigheid; de
    thrift; economy
  103. zuipen
    to drink; booze
  104. zuivel; het
    dairy produce
  105. zuiver
    pure
  106. zulk
    such
  107. zullen
    shall
  108. de zus
    sister
  109. zuur
    sour; acid
  110. zuur; het
    acid
  111. zuurkool; de
    sourkraut
  112. zuurstof; de
    oxygen
  113. zuurtje; het
    acid drop
  114. zwaaien
    to swing; wave
  115. zwaar
    heavy; difficult
  116. zwaard; het
    sword
  117. zwager; de
    brother in law
  118. zwak
    weak
  119. zwaluw; de
    swallow (bird)
  120. zwanger
    pregnant
  121. zwart
    black
  122. zweep; de
    whip
  123. zweer; de
    ulcer; sore
  124. zweet; het
    sweat
  125. zwembad; het
    swimming pool
  126. zwembroek; de
    swimming trunks
  127. zwemmen
    to swim
  128. zwendelaar; de
    swindler
  129. zwendelen
    to swindle
  130. zweren
    to swear
  131. zwerven
    to wander; roam
  132. zwever; de
    wanderer; tramp
  133. zweten
    to sweat; perspire
  134. zweven
    to float; hover
  135. zwijgen
    to be silent
  136. zwijn; het
    pig; swine

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview