Marketing NIMA A Hoofdstuk 18

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
270028
Filename:
Marketing NIMA A Hoofdstuk 18
Updated:
2014-04-10 07:05:43
Tags:
Marketing NIMA Hoofdstuk 18
Folders:
Marketing NIMA A Hoofdstuk 18
Description:
Marketing NIMA A Hoofdstuk 18
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is de definitie van produceren?
    Het vervaardigen van goederen en het verlenen van diensten
  2. Wat is het verschil tussen kostenberekeningen en kostprijsberekeningen?
    Kostprijsberekeningen zijn een onderdeel van kostenberekeningen
  3. Welke drie functies heeft de kostprijs?
    • bepalen en beoordelen verkoopprijs
    • kostenbewaking
    • op de balans waarderen van producten
  4. Wanneer is er sprake van winst?
    Als de opbrengst van een product op het moment van verkoop hoger is dan de kostprijs (op dat moment!)
  5. Onder welk kopje vermelden we de bezittingen van een bedrijf op de balans?
    debetzijde
  6. Onder welk kopje vermelden we de schulden van een onderneming op de balans?
    creditzijde
  7. Hoe noemen we producten die bij het opmaken van de balans af zijn, maar nog niet verkocht?
    Gerede producten
  8. Waar staan gerede producten op de balans?
    Aan de debetzijde
  9. Waar staan producten die tijdens het opmaken van de balans nog niet af zijn?
    De kosten die zijn gemaakt voor het deel van het product dat wel af is staat aan de debetzijde
  10. Geef de definitie van de kostprijs
    Het offer (in geld uitgedrukt) dat een onderneming moet brengen op het moment van verkoop.
  11. Welke drie methodes van kostprijsberekening kennen we?
    • integrale kostprijs
    • differentiële kostprijs
    • direct costing
  12. Hoe noemen we de kostprijs bij een standaardbezetting van de productiecapaciteit?
    standaardkostprijs
  13. Hoeveel is meestal de standaardbezetting van de totale productiecapaciteit?
    80%
  14. Welke kosten zitten in de standaardkostprijs?
    Vaste en variabele kosten
  15. Wat is het verschil tussen organische kosten en categorische kosten?
    Organische kosten zijn de kosten per organisatorische afdeling binnen een bedrijf. Categorische kosten zijn de kosten per onderdeel in het productieproces.
  16. Noem de zes onderdelen in de categorische kostenindeling
    • verbruik grond- en hulpstoffen
    • menselijke arbeidskracht
    • gebruik grond
    • gebruik duurzame goederen
    • diensten van derden
    • belastingen
  17. Wat zijn twee andere benamingen voor categorische kostenindeling?
    • kostencategorieën
    • kostensoorten
  18. Waarom is rente geen zelfstandige kostensoort?
    Omdat het onderdeel is van de andere kostensoorten
  19. Hoe noemen we het verschil tussen het noodzakelijke verbruik en het werkelijke verbruik?
    efficiency verschillen
  20. Wat zit er in de brutohoeveelheid van een product?
    Het materiaal dat werkelijk in het product zit, plus het afval en de afgekeurde delen/producten
  21. Wat zit er in de nettohoeveelheid van een product?
    Alleen het materiaal wat in het uiteindelijke product zit
  22. Gebruiken we de netto- of de brutohoeveelheid voor het berekenen van de kostprijs?
    brutohoeveelheid
  23. Waarom noemen we prijzen van arbeid, grondstoffen etc in berekeningen vaak standaardprijzen?
    Om dat ze zijn gestandaardiseerd. De werkelijke prijzen schommelen nogal
  24. Wat zit er in de vaste verrekenprijs?
    standaardprijs + toeslag voor opslagkosten, rentekosten etc. = brutohoeveelheid
  25. Hoe noemen we de standaardkosten plus opslag voor rentekosten en/of opslagkosten?
    vaste verrekenprijs
  26. Op welke theorie is de vaste verrekenprijs gebaseerd?
    vervangingswaardetheorie
  27. In welke waarde standaardiseren we arbeid in de kostprijsberekening?
    tijd, standaardtijden
  28. Uit welke drie onderdelen bestaan de kosten voor duurzame goederen?
    • afschrijvingen
    • rente
    • complementaire kosten
  29. Wat zijn afschrijvingskosten?
    De waardedaling van een duurzaam goed, uitgedrukt in geld.
  30. Noem drie voorbeelden van complementaire kosten
    • onderhoudskosten
    • reparatiekosten
    • verzekeringkosten
  31. Waarom dalen de rentekosten van een machine gedurende de tijd?
    Toekomstig geld wordt meer waard, terwijl het rente percentage gelijk blijft. Plus men lost meer af.
  32. Waarom stijgen de complementaire kosten vaak?
    Omdat er steeds meer stuk gaat, dus bvb reparaties worden duurder.
  33. Welke twee dingen moet men weten om de afschrijvingskosten te kunnen bepalen?
    restwaarde en (economische)levensduur
  34. Wat is de restwaarde?
    De opbrengst van een verkocht duurzaam goed
  35. Wat is het verschil tussen technische levensduur en economische levensduur?
    Economisch is hoelang het de meest zuinige oplossing is, technisch is wanneer het goed stuk is.
  36. Welke kosten heeft grond?
    o.a. aanschafkosten en rentekosten
  37. Waarom kun je grond niet afschrijven?
    De waarde verminderd niet
  38. Geldt bij grond ook de regel van de vervangingswaardetheorie?
    ja
  39. Welke twee soorten belastingen kennen we?
    • objectieve belastingen
    • subjectieve belastingen
  40. Welk soort belastingen zitten er op goederen, diensten, onroerend-goedbelasting, invoerrechte, accijnzen etc?
    objectieve belastingen
  41. Wat is een accijns?
    belasting die wordt geheven over de hoeveelheid product en niet over de waarde
  42. Hoe noemen we de belasting over de hoeveelheid van een product?
    accijns
  43. Noem voorbeelden van objectieve belastingen
    • goederen
    • diensten
    • onroerend-goedbelasting
    • invoerrechten
    • accijnzen
  44. Noem voorbeelden van subjectieve belastingen
    • inkomstenbelasting
    • vennootschapbelasting
  45. Waarover worden subjectieve belastingen geheven?
    winst
  46. Waarover worden objectieve belastingen geheven?
    goederen en diensten
  47. Hoe noemt men de objectieve belastingen ook wel?
    kostprijsverhogende belastingen
  48. Welk soort belasting heeft invloed op de kostprijs?
    objectieve belastingen, behalve btw, die betaalt de consument
  49. Wat is inkomensbelasting voor soort belasting?
    subjectieve belasting
  50. Hoe verrekend een producent rentekosten?
    Door ze door te rekenen in de kostprijs
  51. Zijn de btw tarieven overal in europa gelijk?
    nee
  52. Geef de definitie van constante kosten
    Kosten die niet worden beïnvloed door de productieomvang
  53. Waarom gebruikt men bij het berekenen van de constante kosten per eenheid product de normale productie en niet de werkelijke?
    Het is een voorspelling, dus moet men vooraf de productieomvang standaardiseren
  54. Hoe bereken je de constante kosten per eenheid product?
    constante kosten/normale productie
  55. Hoe ontstaan bezettingsresultaten?
    Als er in een jaar meer of minder is geproduceerd dan de normale productie
  56. Hoe noemt men het als er meer is geproduceerd dan de normale productie?
    overbezettingswinst
  57. Hoe noemt men het als er minder is geproduceerd dan de normale productie?
    onderbezettingsverlies
  58. Hoe noemen we het als er meer of minder is geproduceerd dan de normale productie?
    bezettingsgraad
  59. Wat is de formule van de bezettingsgraad?
    werkelijke productie min normale productie maal constante kosten per eenheid product
  60. Geef de definitie van variabele kosten
    Productiekosten die afhankelijk zijn van de omvang van de productie
  61. Op welke drie manieren kunnen variabele kosten reageren?
    • proportioneel
    • progressief
    • degressief
  62. Als de variabele kosten rechtevenredig veranderen met de productie, hoe noemen we dat?
    proportionele variabele kosten
  63. Wat is een andere benaming voor proportioneel variabele kosten?
    rechtevenredige variabele kosten
  64. Hoe ziet de grafiek van de proportioneel variabele kosten eruit?
    met een rechte schuine lijn
  65. Hoe noemen we het als de kosten meer stijgen dan de productieomvang?
    progressief stijgend
  66. Hoe ziet de grafiek van progressief stijgende variabele kosten eruit?
    Een bolle lijn
  67. Hoe ontstaan progressief stijgende variabele kosten?
    Bijvoorbeeld omdat de grotere hoeveelheid grondstoffen zeer duur is om te vervoeren of omdat men overwerkuren moet betalen
  68. Hoe noemen we het als de variabele kosten minder stijgen dan de productieomvang?
    degressieve variabele kosten
  69. Hoe ziet de grafiek van degressief stijgende variabele kosten eruit?
    een holle lijn
  70. Hoe ontstaan degressief stijgende variabele kosten?
    Bijvoorbeeld door kwantumkorting
  71. Gebruikt men bij berekening van de variabele kosten de normale productie?
    Nee, de werkelijke (de verwachte) productie
  72. Hoe noemt men het als men vooraf de kostprijs berekent?
    voorcalculatorische kostprijs
  73. Hoe noemt men het als men na afloop van productie de kostprijs berekent?
    nacalculatorische kostprijs
  74. Hoe noemt men de werkelijke productie ook wel?
    actuele bezetting
  75. Wat is een ander woord voor actuele bezetting?
    werkelijke productie
  76. Hoe noemen we de procentuele verhouding tussen de werkelijke bezetting en de maximale bezetting?
    bezettingsgraad
  77. Wat is de bezettingsgraad?
    De procentuele verhouding tussen de werkelijke en de maximale bezetting.
  78. Wat is de formule voor de variabele kosten per eenheid product?
    variabele kosten gedeeld door werkelijke productie
  79. Hoe veranderen de constante kosten?
    Schoksgewijs
  80. Hoe noemen we de constante kosten als ze (schoksgewijs) veranderen?
    intermitterend variabele kosten
  81. Waarom noemen we constante kosten ook wel intermitterend variabele kosten?
    Omdat ze schoksgewijs veranderen
  82. Wat is de formule voor de integrale kostprijs?
    constante kosten per eenheid product plus variabele kosten per eenheid product
  83. Wat is het verschil tussen directe en indirecte kosten?
    Directe kosten zijn direct terug te leiden naar het product, bij indirecte kosten is dat vaag
  84. Zijn directe kosten meestal constante of variabele kosten?
    variabel
  85. Zijn indirecte kosten meestal constant of variabel?
    constant
  86. Hoe bereken je de differentiële kostprijs?
    Door de kosten die men meer maakt te delen door het aantal producten dat men meer maakt.
  87. Waarvoor gebruikt men de differentiële kostprijs?
    • uitvoeren van incidentele orders
    • prijs van dumping berekenen
    • bepalen hoe lang men tijdelijke prijsverlaging kan hanteren
    • toepassen prijsdiscriminatie
  88. Hoe noemen we integrale kostencalculatie ook wel?
    absorption costing
  89. Hoe noemen we direct costing ook wel?
    variabelekostencalculatie
  90. Hoe ziet de kostenopbouw van direct costing eruit?
    • verkoopopbrengst min variabele kosten = dekkingsbijdrage
    • dekkingsbijdrage min constante kosten = winst
  91. Hoe ziet de kostenopbouw volgens de integrale kostprijscalculatie eruit?
    • verkoopopbrengst min integrale kostprijs = verkoopresultaat
    • verkoopresultaat plus positief (min negatief) bezettingsresultaat = winst
  92. Wat is een belangrijk onderdeel van budgettering?
    planning
  93. Noem de definitie van budget
    • Een financieel plan waarin de verwachte uitgaven en ontvangsten over een periode staan.
    • Alsook de taken hieromheen
    • En het dient als autorisatie om de doelen en grenzen na te leven
  94. Wat is het verschil tussen budget en begroting?
    • Een begroting is een raming van de kosten en opbrengsten
    • Het budget heeft ook een taakstellend karakter

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview