NIMA Marketing A Hoofdstuk 20

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
271332
Filename:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 20
Updated:
2014-04-23 09:20:38
Tags:
NIMA Marketing Hoofdstuk 20
Folders:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 20
Description:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 20
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is de definitie van distributiekanaal?
    de opeenvolgende distribuanten die een functie vervullen bij de distributie van een (oer)product naar de eindgebruiker.
  2. Wat is een ander woord voor distributiekanaal?
    afzetkanaal
  3. Wat is een ander woord voor afzetkanaal?
    distributiekanaal
  4. Hoe noemen we het geheel van mogelijke distributiekanalen?
    distributiestructuur
  5. Wat is de definitie van de distributiestructuur?
    de aard, het aantal, de omvang en de spreiding van de distribuanten in een bepaald gebied met betrekking tot alle producten of een specifiek product
  6. Wat is de definitie van de bedrijfskolom?
    alle opeenvolgende participanten en hun plaats in het voortbrengingsproces van een bepaald product
  7. Welke drie soort huishoudingen kennen we binnen de bedrijfskolom?
    • productiehuishoudingen
    • handelshuishoudingen
    • gezinshuishoudingen
  8. Hoe noemen we de horizontale lagen in de bedrijfskolom?
    bedrijfstak
  9. Wat is de definitie van bedrijfstak?
    bedrijven uit de bedrijfskolom die dezelfde of soortgelijke functie vervullen in het distributieproces
  10. Welke organisaties maken geen deel uit van de bedrijfskolom maar er wel mee te maken hebben?
    • banken
    • verzekeringsmaatschappijen
    • transportbedrijven
  11. Welke twee soorten distribuanten kennen we?
    verzamelende en distribuerende handel
  12. Wat is een ander woord voor collecterende handel?
    verzamelende handel
  13. Wat is een ander woord voor verzamelende handel?
    collecterende handel
  14. Wat is een ander woord voor distribuerende handel?
    verdelende handel
  15. Wat is een ander woord voor verdelende handel?
    distribuerende handel
  16. Welke vijf 'afstanden' overbrugt de tussenhandel?
    • plaats
    • hoeveelheid
    • kwaliteit
    • tijd (seizoenen)
    • kennis
  17. Hoe noemen we het effect waarbij door inschakeling van de tussenhandel het aantal contacten in het distributiekanaal aanmerkelijk verkleint?
    het Van Muiswinkeleffect
  18. Wat is het Van Muiswinkel effect?
    Door inschakeling van de tussenhandel verkleint het aantal contacten binnen het distributiekanaal
  19. Wat zijn de taken van de tussenhandel die belangrijk zijn voor de producent?
    • tijdig bestellen
    • voldoende orders geven
    • voorraad houden
    • transport verzorgen
    • krediet verlenen volgende schakels
    • voorlichting geven
    • verzorgen demonstraties
    • service verlenen
    • goede plaats in winkel verwerven
  20. Welke twee distributiekanalen onderscheiden we?
    directe en indirecte kanaal
  21. Hoe ziet het directe kanaal eruit?
    fabrikant levert aan consument
  22. In welke twee groepen delen we het indirecte kanaal in?
    korte en lange kanaal
  23. Hoe ziet het korte indirecte distributiekanaal eruit?
    fabrikant - 1 tussenschakel die eigenaar wordt van het product - consument
  24. Hoe ziet het lange indirecte distributiekanaal eruit?
    fabrikant - meerdere tussenschakels die eigenaar worden van het product (grossier, detaillist) - consument
  25. Wanneer spreken we van directe distributie?
    Als er direct contact is tussen fabrikant en consument
  26. In welke markt vinden we voornamelijk directe distributie?
    industriële markt.
  27. Bij welke markt is er vooral indirecte distributie?
    consumentenmarkt
  28. Waarom kiest men in de industriële markt eerder voor directe distributie?
    • dan kan men onderhandelen over de prijs
    • technische specificaties kunnen in overleg evt worden aangepast
    • er is vaak extra behoefte aan service voor en na de koop
  29. Waarom kiest men in de consumentenmarkt meestal voor indirecte distributie?
    • er zijn veel meer afnemers (contacten)
    • elke afnemer neemt slechts een geringe hoeveelheid af
  30. Komt in de consumentenmarkt ook directe distributie voor?
    ja
  31. Welke 5 vormen van directe distributie kennen we in de consumentenmarkt?
    • toonzaalverkoop
    • postorderverkoop
    • huis-aan-huisverkoop
    • eigen winkels
    • internetwinkels
  32. Hoe noemen we het als een fabriek de waar tentoonstelt in een showroom, waar men klanten ontvangt?
    toonzaal
  33. Wat is een toonzaal?
    Een showroom waar de fabrikant de waar aan de consument verkoopt. Het is een vorm van directe distributie op de consumentenmarkt
  34. Welke 4 voorwaarden zijn van belang voor toonzaalverkoop?
    • breed assortiment
    • concurrerende prijsstelling
    • goed bereikbare ligging
    • veel promotionele activiteiten zijn nodig
  35. Hoe noemen we de verkoop via coupons, huis-aan-huispost en direct mail?
    postorderverkoop
  36. Wat is postorderverkoop?
    Een directe vorm van verkoop waarbij de afnemer een bon invult en door die op te sturen de aankoop doet.
  37. Wat is het verschil tussen de postorderverkoop en het postorderbedrijf?
    Bij het postorderbedrijf bestelt men uit een catalogus, bij de postorderverkoop via coupons, direct mailing etc.
  38. Wat is een ander woord voor huis-aan-huisverkoop?
    colportage
  39. Wat is een ander woord voor colportage?
    huis-aan-huisverkoop
  40. Wat is huis-aan-huisverkoop?
    een verkoper komt bij de consument aan huis om het product te verkopen
  41. Wat houdt de colportagewet in?
    • de verkoper moet zich registreren
    • voor bedragen boven € 34,- moet een schriftelijk contract worden opgesteld
    • bij bedragen boven € 34,- is er een bedenktijd van 8 dagen
  42. Wat is een ander woord voor colportage en huis-aan-huisverkoop?
    leurhandel
  43. Wat is leurhandel?
    colportage
  44. Wat is een house party?
    Een bijeenkomst in huiselijke sfeer waar verkoper de consumenten ontmoet
  45. Hoe noemen we de verkoop waarbij de verkoper aan huis verschillende afnemers ontmoet op een afgesproken bijeenkomst?
    house party's
  46. Is de groenteboer ook directe huis-aan-huisverkoop?
    nee, indirect
  47. Welke branche maakt veel gebruik van verkoop via fabriekswinkels?
    kleding
  48. Wat is een belangrijke reden voor producten om via fabriekswinkels te gaan verkopen?
    Ze kunnen hun waar niet meer kwijt bij de detaillist?
  49. Wat is een knelpunt voor de fabrikant bij fabrieksverkoop?
    Hij moet een heel breed assortiment hebben
  50. Wat is een ander woord voor house party's?
    netwerkmarketing
  51. Wat is een ander woord voor netwerkmarketing?
    house party's
  52. Wie rekenen we tot de detailhandel?
    Alle tussenschakels die direct aan de consument leveren
  53. Hoe noemen we de tussenschakels die direct aan de consument leveren?
    detaillisten
  54. Hoe noemen we tussenhandelaren die niet aan de consument leveren?
    groothandel
  55. Wat zijn de twee basisfuncties van de groothandel?
    collecteren en verdelen
  56. Noem de 9 functies van de groothandel (behalve collecteren en distribueren)
    • verkoop en promotie
    • koop- en assortimentsopbouw
    • kwantiteitsreductie
    • transport
    • opslag
    • financiering (kredietverlening aan afnemers)
    • risico dragen
    • marktinformatie
    • managementservice (begeleiding bij bvb winkelinrichting)
  57. Wat zijn drie belangrijke redenen waarom groothandel overbodig wordt?
    schaalvergroting van de detaillist, eigen merken, fabrikantenmerken en inkoopcombinaties
  58. Op welke twee onderwerpen delen we de groothandel in?
    • Op basis van mate waarin ze service verlenen
    • Of ze wel of geen eigenaar worden van de producten
  59. Noem drie voorbeelden van tussenhandelaren die geen eigenaar van de producten worden
    • commissionairs
    • handelsagenten
    • makelaars
  60. Noem vier voorbeelden van tussenhandelaren die wel eigenaar van het product worden
    • opkopers
    • exporteurs
    • importeurs
    • grossiers
  61. Wat is voor de fabrikant het meest nuttig aan een grossier?
    De grossier heeft veel kennis van de markt en een groot netwerk
  62. Welke twee soorten grossiers onderscheiden we?
    • full service-grossier
    • limited service-grossier
  63. Wat is de definitie van full service-grossier?
    Een grossier die alle distributiefuncties uitvoert
  64. Noem de 7 functies die onder de distributiefuncties van een full service-grossier vallen
    • overbruggen van tijds-, kwaliteits-, plaats- en hoeveelheidsverschillen
    • assortiment aanbieden
    • financieren voorraden
    • nemen van voorraad- en afzetrisico's
    • leggen van contacten
    • verzorgen van betaling
    • transport goederen
  65. Welke twee soorten groothandelaren onderscheiden we binnen de full service-grossier?
    algemene en gespecialiseerde groothandel
  66. Waarop zijn de algemene en gespecialiseerde groothandel onderscheiden?
    hun assortiment
  67. Wat is een rack jobber?
    Een grossier die verantwoordelijk is voor de presentatie in de winkel van de detaillist. Vaak met eigen stellingen en ze vullen de rekken bij. De detaillist ontvangt een percentage van de omzet
  68. Hoe is de financiële overeenkomst tussen rack jobber en detaillist?
    De detaillist ontvangt een percentage van de omzet van het betreffende product.
  69. Wat zijn twee andere namen voor rack jobber?
    service merchandiser of stellinggrossier
  70. Wat zijn twee andere woorden voor stellinggrossier?
    • service merchandiser
    • rack jobber
  71. Wat zijn twee andere woorden voor service merchandiser?
    • rack jobber 
    • stellinggrossier
  72. Wat is merchandising?
    artikelen meeleveren om de zichtbaarheid van het product te vergroten
  73. Noem 4 voorbeelden van merchandising
    • displays
    • acties
    • advies voor winkelinrichting en presentatie
    • leveren van verkoopondersteunend materiaal
  74. Wat is het verschil tussen merchandising toepassen en het service merchandising-concept uitvoeren?
    Het concept is uitgebreider
  75. Welke service valt er onder het service merchandising-concept?
    • rechtsstreeks leveren aan de winkel
    • meeleveren displays e.d.
    • artikelen voorprijzen
    • terugnemen artikelen die over zijn
    • assortimentssamenstelling
    • voorraadopname en opnemen order
    • logistiek
    • schapverzorging
  76. Welke artikelen worden middels service merchandising verkocht?
    Artikelen die een logistieke moeilijkheidsgraad hebben. Meestal slow movers of mode/smaak gevoelige producten.
  77. Noem drie artikelen waar vaak service merchandising wordt toegepast
    • wenskaarten
    • sokken
    • cosmetica
  78. Wat zijn slow movers?
    producten die een relatief langzame omloop hebben (bvb wenskaarten in een supermarkt)
  79. Welke drie soorten limited service-grossiers kennen we?
    • cash-and-carry-grossier
    • desk jobber
    • wagon distributor
  80. Wat is een ander woord voor cash-and-carry-grossier?
    zelfbediendingsgroothandel
  81. Wat is een ander woord voor zelfbedieningsgroothandel?
    cash-and-carry-grossier
  82. Noem een voorbeeld van een zelfbedieningsgrossier
    Makro
  83. Noem 4 kenmerken van de zelfbedieningsgroothandel
    • weinig service
    • contante betalingen
    • producten met hoge omloopsnelheid
    • gericht op kleine detaillist
  84. Wat doet een desk jobber?
    Verzamelt kleine orders en maakt daat een grote order van. De fabriek zorgt voor levering, de desk jobber voor facturering.
  85. Hoe noemen we de distributiemethode waarbij een tussenschakel orders verzamelt en daar een grote order voor de fabriek van maakt?
    desk jobber
  86. Wie factureert, de fabriek of de desk jobber?
    desk jobber
  87. Wie levert, fabriek of desk jobber?
    fabriek
  88. Wat is een andere naam voor wagon distributor?
    truck jobber
  89. Wat is een ander woord voor truck jobber?
    Wagon distributor
  90. Wat doet de wagon distributor?
    Rijdt langs verschillende klanten en levert direct
  91. Noem drie producten waarbij vaak wagon distribution wordt toegepast
    • snijbloemen
    • zoetwaren
    • frisdranken
  92. Noem zes recente, belangrijke ontwikkelingen binnen de detailhandel
    • ontstaan nieuwe vormen
    • schaalvergroting wat betreft oppervlakte verkooppunten en omzet
    • ontstaan ketenvorming
    • branchevervaging
    • vergaande samenwerkingen tussen detaillisten
    • opkomst webwinkels
  93. Noem de 6 detailhandelsvormen
    • speciaalzaak
    • warenhuis
    • zelfbedieningswarenhuis
    • supermarkt
    • discounter
    • cataloguswinkel
  94. Noem drie kenmerken van een speciaalzaak
    • diep assortiment
    • relatief hoog prijsniveau
    • uitgebreide service
  95. Noem een voorbeeld van een speciaalzaak met een relatief breed en ondiep assortiment
    gemengde textielzaak
  96. Noem een voorbeeld van een speciaalzaak met een relatief breed en diep assortiment
    modezaak
  97. Noem een voorbeeld van een speciaalzaak met een smal en diep assortiment
    lingeriewinkel
  98. Hoe groot is een warenhuis ongeveer?
    10.000-20.000 m2
  99. Wat is de dimensie van het assortiment van een warenhuis?
    breed en diep
  100. Wat is een variety store?
    Een warenhuis waar ook een kleine food afdeling is
  101. Hoe noemen we een warenhuis waar ook een food afdeling is?
    variety store
  102. Noem een voorbeeld van een variety store
    Hema
  103. Wat zijn twee andere namen voor zelfbedieningswarenhuis?
    • hypermarket 
    • superstore
  104. Wat zijn twee andere namen voor superstore?
    • zelfbedieningswarenhuis
    • hypermarket
  105. Wat zijn twee andere namen voor hypermarket?
    • zelfbedieningswarenhuis
    • superstore
  106. Hoe kun je een zelfbedieningswarenhuis omschrijven?
    het is een combinatie van een supermarkt en warenhuis
  107. Hoe zien de dimensies van het assortiment van een hypermarket eruit?
    breed en ondiep, met duurzame- en niet-duurzame massa-artikelen
  108. Hoe groot is de oppervlakte van een superstore?
    2000 tot 5000 m2
  109. Hoe groot is de oppervlakte van een supermarkt?
    400 tot 2500 m2
  110. Wat verstaan we onder one-stop-shopping?
    de behoefte van de consument om op 1 plek alle boodschappen te doen
  111. Waarom is one-stop-shopping de laatste jaren toegenomen?
    • meer kleinere huishoudens en twee-verdieners (minder tijd voor boodschappen)
    • meer behoefte aan shopping-efficiency door gemakzucht
    • voorkeur lage prijzen
    • toegenomen mobiliteit
    • langere houdbaarheid producten
  112. Hoe is de dimensie van het assortiment van de discounter?
    ondiep
  113. Omschrijf de cataloguswinkel
    Van elk artikel wordt 1 exemplaar getoond. Tegen contante betaling wordt het artikel direct vanuit het magazijn geleverd.
  114. Noem een voorbeeld van een cataloguswinkel
    Kijkshop
  115. Hoe noemen we een winkel waarbij van elk artikel een exemplaar getoond wordt? (detailhandel)
    cataloguswinkel
  116. Waarvan is GWB een afkorting?
    grootwinkelbedrijf
  117. Hoe noemen we het grootwinkelbedrijf ook wel?
    • GWB
    • grootfiliaalbedrijf
  118. Wat zijn twee andere benamingen voor grootfiliaalbedrijf?
    • GWB
    • grootwinkelbedrijf
  119. Wat is een GWB?
    Een centraal geleide organisatie die vanuit een eenheidsnaam werkend een groot aantal winkels exploiteerd
  120. Hoe noemen we een organisatie die van uit een centrale leiding en dezelfde naam veel winkelfilialen heeft?
    grootwinkelbedrijf of GWB
  121. Noem drie voorbeelden van grootwinkelbedrijven
    • C&A
    • Albert Heijn
    • P&C
  122. Omschrijf de inkoopcombinatie
    Samenwerking tussen gelijkwaardige detaillisten waarbij men samen grote orders kan plaatsen
  123. Noem drie voorbeelden van inkoopcombinaties
    • Inkoopcombinatie Nederland
    • Samen Sterk
    • Superunie
  124. Bestrijkt een inkoopcombinatie een of meerdere branches?
    Kan allebei, maar meestal meerdere
  125. Welke 6 activiteiten hebben inkoopcombinaties behalve orders plaatsen?
    • voorselectie aanbod
    • presentatie op beurzen
    • voorraad houden
    • distribueren onder leden
    • centrale orderafwikkeling en betaling
    • gezamenlijke verkoopbevordering
  126. Heeft een inkoopcombinatie rechtspersoonlijkheid?
    meestal wel
  127. Hebben aangesloten detaillisten bij een inkoopcombinatie invloed op het beleid?
    ja
  128. Is de inkoopcombinatie een vorm van horizontale- of verticale samenwerking?
    horizontaal
  129. Hebben detaillisten die aangesloten zijn bij een inkoopcombinatie commerciële en economische vrijheid?
    ja
  130. Waar is VFB de afkorting van?
    Vrijwillig filiaal bedrijf
  131. Wat is een groot verschil tussen vrijwillig filiaal bedrijf en inkoopcombinatie?
    vrijwillig filiaal bedrijf is op initiatief van de grossier
  132. Hoe presenteren leden van het vrijwillig filiaal bedrijf zich naar buiten?
    Met dezelfde naam, presentatie, logo en huismerk
  133. Noem een voorbeeld van een VFB
    Spar
  134. Zijn leden van het VFB zelfstandigen?
    ja
  135. Omschrijf het vrijwillig filiaal bedrijf
    Een groep detaillisten uit dezelfde branche koopt in bij 1 (of meerdere) grossiers en presenteert zich onder dezelfde naam etc.
  136. Zijn de detaillisten uit een vfb van dezelfde branche?
    ja
  137. Waarom wordt de vrijheid van de detaillist in een vfb steeds kleiner?
    Om een uniform uiterlijk te hebben moeten de detaillisten aan steeds meer regels voldoen
  138. Omschrijf franchising
    De franchise verleent tegen vergoeding het recht op zijn producten, merknamen en logo aan de detaillist (franchisee)
  139. Hoe noemen we een detaillist in franchising?
    franchisee
  140. Hoe geschied de vergoeding bij franchising doorgaans?
    er kan een percentage van de omzet gerekend worden of het zit op de producten die de franchisee afneemt van de franchise. Plus een entree vergoeding
  141. Is het vfb een horizontale- of verticale samenwerking?
    verticaal
  142. Is franchising een horizontale- of verticale samenwerking?
    Kan allebei, hangt ervan af of de detaillist of de groothandel de initiatiefnemer is.
  143. Noem drie voorbeelden van franchising.
    • Blokker
    • (sommige filialen) Hema
    • Coffee Company
  144. In welke twee groepen delen we franchising in?
    hard en soft franchising
  145. Wat is het verschil tussen hard en soft franchising?
    Bij hard franchising heeft de franchisee veel minder vrijheden
  146. Wat is een verticaal marketing systeem?
    de fabrikant, grossier en detaillist van een distributiekanaal opereren als 1 geheel
  147. Hoe noemen we het als fabrikant, grossier en detaillist in een distributiekanaal als 1 geheel ondernemen?
    een verticaal marketing systeem
  148. Wat is een partieel verticaal marketing systeem?
    Een deel van het distributie kanaal opereert als een geheel, bijvoorbeeld detailhandel en grossier.
  149. Waarom kunnen vfb's en franchise organisaties als een partieel verticaal marketing systeem gezien worden?
    Ze zijn een eenheid met een aansluitende schakel in het distributiekanaal
  150. Op welke drie manieren kan een verticaal marketingsysteem ontstaan?
    • vrijwillige samenwerking (contractueel)
    • macht (geadministreerd)
    • eigendomsverhoudingen (geïntegreerd)
  151. Hoe noemt men de schakel met de meeste macht in het distributie kanaal?
    channel captain
  152. Wat is een channel captain?
    De schakel met de meeste macht in het distributiekanaal
  153. Welke 3 groothandel- en detailhandel verkoopvormen kennen we?
    • postorder bedrijf
    • teleshopping
    • virtuele winkel
  154. Wat is een ander woord voor verzendhuis?
    postorderbedrijf
  155. Wat is een ander woord voor postorderbedrijf?
    verzendhuis
  156. Wat hebben postorderbedrijf, virtuele winkel en teleshopping gemeen?
    Ze zijn een combinatie van groothandel en detailhandel
  157. Wat is het verschil tussen postorderverkoop en het postorderbedrijf?
    postorderverkoop gaat uit van de fabriek en er is dus direct contact tussen fabrikant en consument
  158. Hoe stelt men in het postorderbedrijf zijn waar tentoon?
    in een catalogus
  159. Op welke markt wordt verkoop via de telefoon veel gebruikt?
    industriële markt
  160. Geef de definitie van teleshopping
    thuis voorbereiden en uitvoeren van de aankoopbeslissing met behulp van catalogi, telefoon, videotex, audiotex, bestelformulieren etc.
  161. Noem 5 voorbeelden van communicatiemiddelen bij teleshopping
    • catalogus
    • tv
    • radio
    • telefoon
    • bestelformulieren
  162. Wat is een ander woord voor e-commerce?
    e-trade
  163. wat is een ander woord voor e-trade?
    e-commerce
  164. Wat is de definitie van e-commerce?
    kopen en verkopen via computernetwerken. Het omvat een website, domein, elektronische marketing, elektronische verkoop en elektronisch en beveiligd betalen
  165. Noem de zeven manieren waarop de groothandel heeft gereageerd op de ontwikkelingen in de detailhandel
    • zelf produceren
    • eigen winkels
    • eigen merken
    • heroriëntatie van functie van groothandel in huidige tijd door:
    • vorming vfb's
    • specialisaties omtrent service
    • aanbieden marketingdiensten

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview