NIMA Marketing A Hoofdstuk 21

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
273214
Filename:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 21
Updated:
2014-05-05 06:49:40
Tags:
NIMA Marketing Hoofdstuk 21
Folders:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 21
Description:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 21
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Hoe noemen we de ruilhandel van goederen?
    bartering
  2. Wordt bartering nu nog toegepast?
    ja
  3. Welke drie keuzes moeten we maken wb de distributie?
    • lang of kort kanaal
    • welke distributie intensiteit
    • welk type wederverkopers
  4. Welke aspecten spelen mee bij de keuze tussen een lang en kort kanaal?
    • type product
    • grootte assortiment
    • gewenste distributie intensiteit
    • bestelfrequentie afnemers
    • financiële aspect
    • mate gewenste afzetbeheersing
  5. Welke producten lenen zich goed voor het korte kanaal?
    • producten die bederfelijk zijn
    • technisch gecompliceerde producten
    • in grote hoeveelheden geleverde producten
    • producten die een hoge waarde per eenheid hebben
  6. Voor welk kanaal kiest men bij bederfelijke producten?
    kort
  7. Voor welk kanaal kiest men bij technisch gecompliceerde producten?
    kort
  8. Voor welk kanaal kiest men bij producten die in grote hoeveelheden geleverd worden?
    kort
  9. Voor welk kanaal kiest men als producten een hoge waarde per eenheid product hebben?
    kort
  10. Voor welk kanaal kiest men als de producent een afzetverwant assortiment voert?
    kort
  11. Voor welk kanaal kiest men als men maar een of enkele producten in het assortiment heeft?
    lang
  12. Welk kanaal kiest men als men intensieve distributie wil?
    lang
  13. Welk kanaal kiest men als men selectieve of exclusieve distributie wil?
    kort
  14. Waarom is het bij een hoge bestelfrequentie met lage gemiddelde ordergroottes beter een grossier in te schakelen?
    De constante orderkosten komen anders niet boven de gemiddelde orderwinst uit.
  15. Wat gebeurt er met de conjunctuurgevoeligheid van een onderneming als de constante kosten toenemen?
    Die neemt toe
  16. Bij welk kanaal heeft men de meeste afzetbeheersing?
    kort
  17. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een geconcentreerde markt?
    directe distributie
  18. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij de industriële markt?
    directe distributie
  19. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een grote potentiële afzet?
    directe distributie
  20. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een technisch gecompliceerd product?
    directe distributie
  21. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een verspreide markt?
    indirecte distributie
  22. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een consumentenmarkt?
    indirecte distributie
  23. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een grote marge tussen kostprijs en verkoopprijs?
    directe distributie
  24. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij kleine marge tussen kostprijs en verkoopprijs?
    indirecte distributie
  25. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij shopping goods?
    directe distributie
  26. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij convenience goods?
    indirecte distributie
  27. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij staple goods?
    indirecte ditributie
  28. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een bedrijf met een sterke marketing afdeling?
    directe distributie
  29. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een bedrijf dat weinig behoefte heeft aan afzetbeheersing?
    indirecte distributie
  30. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een bedrijf met een zwakke financiële positie?
    indirecte distributie
  31. Welke vorm van distributie heeft de voorkeur bij een bedrijf dat niet zeker is of er voldoende ROI zal zijn?
    indirecte distributie
  32. Op welke twee manieren onderscheiden grossiers zich?
    • de omvang van het deel van de detaillisten of andere afnemers dat wordt bereikt
    • de mate van service van de grossier
  33. Hoe noemen we het als een fabrikant van meerdere kanalen gebruik maakt voor een product?
    multiple distribution of multikanaalstrategie
  34. Wat is een ander woord voor multiple distribution?
    multikanaalstrategie
  35. Wat is een ander woord voor multikanaalstrategie?
    multiple ditribution
  36. Hoe noemen we het als een productent van twee distributiekanalen gebruik maakt voor de distributie van een product?
    dual distribution
  37. Wat is een brievenbusgrossier?
    Een grossier die weinig service verleent en alleen de fysieke distributie en orderafhandeling verzorgt.
  38. Hoe noemen we de verkoopadviseur die namens de producent naast de grossier een bezoek doet aan de detaillist?
    missionary salesman of merchandiser
  39. Wat is een missionary salesman?
    Een verkoopadviseur die namens de fabriek de detaillist probeert te overtuigen van de kwaliteit van het product, een betere plek in het schap, klachten behandelt, speurt naar nieuwe orders en displays installeert.
  40. Wat zijn de taken van de missionary salesman?
    • betere plek in het schap verkrijgen
    • klachten behandelen
    • nieuwe orders/afnemers zoeken
    • displays plaatsen
  41. Wat zijn de drie maten van distributie intensiteit?
    • intensieve distributie
    • selectieve distributie
    • exclusieve distributie
  42. Welke twee factoren spelen een rol bij de keuze voor de mate van distributie intensiteit?
    • koopgedrag consument
    • mate gewenste afzetbeheersing
  43. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij convenience goods?
    intensieve distributie
  44. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij shopping goods?
    selectieve distributie
  45. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij specialty goods?
    exclusieve distributie
  46. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een gewenste hoge distributie?
    intensieve distributie
  47. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een lage of zeer lage gewenste distributiespreiding?
    respectievelijk selectieve en exclusieve distributie
  48. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een lage gewenste selectie indicator?
    intensieve distributie
  49. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een iets hoger gewenste selectie indicator?
    selectieve distributie
  50. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een gewenste hoge selectie indicator?
    exclusieve distributie
  51. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een relatief laag gewenst omzetaandeel?
    intensieve distributie
  52. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een relatief hoog gewenst omzetaandeel?
    selectieve distributie
  53. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een hoog gewenst omzetaandeel?
    exclusieve distributie
  54. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij een lang kanaal?
    intensieve distributie
  55. Voor welke distributie intensiteit kiezen we bij kort kanaal?
    selectieve of exclusieve distributie
  56. Wat is het uitgangspunt om te bepalen met welke wederverkopers een producent in zee gaat?
    wie de finale afnemers zijn en waar en hoe ze hun waar willen kopen
  57. Kan een producent altijd kiezen met welke wederverkoper hij zaken doet?
    nee, soms moet hij gekozen worden
  58. Wat bedoelen we met kiezen of gekozen worden?
    Degene in de bedrijfskolom met de meeste macht kiest met wie hij zaken doet. Schakels met minder macht hebben minder keuze.
  59. Hoe noemen we de strijd om de positie van channel captain?
    verticale concurrentie
  60. Wat is verticale concurrentie?
    De strijd om de positie van channel captain
  61. Noem een voorbeeld van verticale concurrentie
    battle of brands
  62. Hoe ontstaat interkanaalconcurrentie?
    Als (door dual distribution) twee schakels met hetzelfde product dezelfde groep afnemers als doelgroep heeft.
  63. Wat is een ander woord voor interkanaalconcurrentie?
    kanaaloverlapping
  64. Wat is een ander woord voor kanaaloverlapping?
    interkanaalconcurrentie
  65. Hoe noemen we de concurrentie tussen schakels op hetzelfde niveau in de bedrijfskolom?
    horizontale concurrentie
  66. Op welke twee manieren bestaat horizontale concurrentie?
    • door branchevervaging
    • door kanaaloverlapping
  67. Om welke twee redenen vindt branchevervaging steeds meer plaats?
    • de behoefte van de consument aan one-stop-shopping
    • de behoefte van de detaillist om producten met een hoge aankoopfrequentie aan het assortiment toe te voegen
  68. Wat is het gevolg van horizontale concurrentie tussen detaillisten voor de fabrikant?
    • eerst kan het voordelen opleveren zoals meer promotionele acties door de detaillisten en daardoor hogere afzet
    • uiteindelijk zullen de detaillisten het product afstoten
  69. Wat bedoelen we met de twee-doelgroepenbenadering?
    de fabrikant heeft zowel de detaillist als consument als afnemers
  70. Hoe noemen we de benadering waarbij de fabrikant zich niet alleen op de tussenschakel(s), maar ook op de finale afnemer richt?
    twee-doelgroepenbenadering
  71. Welke twee strategieën kennen we binnen de twee-doelgroepenbenadering?
    • pull strategie
    • push strategie
  72. Wat bedoelen we met de pull-strategie?
    de fabrikant richt zich op de finale vraag, waardoor de vraag van de tussenschakels in de bedrijfskolom ontstaat
  73. Wat bedoelen we met de push-strategie?
    De fabrikant richt zich op het creëren/versterken van de vraag van de volgende schakel in de bedrijfskolom, en probeert zo de vraag voort te duwen tot aan de finale afnemer.
  74. Op welke vier manieren ontwikkelt de bedrijfskolom?
    • integratie
    • differentiatie
    • specialisatie
    • differentiatie
  75. Hoe noemen we het als een detaillist de grossiers functie overneemt?
    achterwaartse integratie
  76. Hoe noemen we het als de fabrikant de grossiers functie overneemt?
    voorwaartse integratie
  77. Hoe noemen we het als een fabrikant die voorheen zijn eigen orderafhandeling en transport regelde, een grossier inschakelt?
    differentiatie
  78. Hoe noemen we het als een detaillist inplaats van drogisterij, parfumerie wordt?
    specialisatie
  79. Hoe noemen we het als een schoenmaker ook sleutels gaat kopiëren?
    parallellisatie, of specifieker: diversificatie
  80. Hoe noemen we het als een schoenmaker ook veters gaat verkopen?
    parallellisatie, specifieker: distributie verwante parallellisatie
  81. Hoe noemen we het als een schoenmaker ook tassen gaat maken?
    parallellisatie, specifieker: productie verwante parallellisatie
  82. Wat is intergratie in de bedrijfskolom?
    Een schakel neemt de volgende of vorige schakel over
  83. Wat is differentiatie binnen de bedrijfskolom?
    Er komt een schakel bij
  84. Noem een voorbeeld van differentiatie
    bemiddelingsbureaus
  85. Wat is specialisatie binnen de bedrijfskolom?
    een deel van de kolom wordt smaller omdat men zich op minder productgroepen concentreert
  86. Wat is parallellisatie binnen de bedrijfskolom?
    Een deel van de bedrijfskolom wordt breder omdat men meer productgroepen aan het assortiment toevoegt.
  87. Wat is het verschil tussen productie- en distributie verwante parallellisatie?
    Bij productie verwant gaat het om overeenkomsten tussen hoe het product gemaakt wordt, bij distributie verwant gaat het om overeenkomsten van de reden waarom men naar die detaillist/grossier gaat.
  88. Van welke twee factoren is de omzet in distributietermen afhankelijk?
    • aantal detaillisten dat het product voert
    • de afzet die elk van de detaillisten in ons product realiseert
  89. Welke vijf distributiekengetallen kennen we?
    • ongewogen distributie
    • gewogen distributie
    • selectie-indicator
    • omzetaandeel
    • marktaandeel
  90. Wat zijn drie andere namen voor ongewogen distributie?
    • distributie-spreiding
    • marktspreiding
    • numerieke distributie
  91. Wat zijn drie andere benamingen voor distributie-spreiding?
    • ongewogen distributie
    • marktspreiding
    • numerieke distributie
  92. Wat zijn drie andere namen voor marktspreiding?
    • ongewogen distributie
    • distributie-spreiding
    • numerieke distributie
  93. Wat zijn drie andere namen voor numerieke distributie?
    • distributie-spreiding
    • ongewogen distributie
    • marktspreiding
  94. Wat is de formule voor ongewogen distributie?
    (aantal winkels dat ons merk verkoopt : aantal winkels dat het product verkoopt) x 100%
  95. Wat is de formule voor de marktspreiding?
    (aantal winkels dat ons merk verkoopt : aantal winkels dat product verkoopt) x 100%
  96. Wat is de formule van numerieke distributie?
    (aantal winkels dat ons merk verkoopt : aantal winkels dat het product verkoopt) x 100%
  97. Wat is de formule voor de distributie spreiding?
    (aantal winkels dat ons merk verkoopt : aantal winkels dat het product verkoopt) x 100%
  98. Wat zijn twee andere namen voor gewogen distributie?
    • marktbereik
    • effectieve distributie
  99. Wat zijn twee andere namen voor marktbereik?
    • gewogen distributie
    • effectieve distributie
  100. Wat zijn twee andere namen voor effectieve distributie?
    • gewogen distributie
    • marktbereik
  101. Wat is de formule voor het marktbereik?
    (omzet in product van winkel die ons merk verkopen : omzet van product) x 100%
  102. Wat is de formule voor de gewogen distributie?
    (omzet product van winkels die ons merk verkopen : omzet product) x 100%
  103. Wat is de formule van de effectieve distributie?
    (omzet product bij winkels die ons merk verkopen : omzet product) x 100%
  104. Wat is een ander woord voor omzetaandeel?
    winkelaandeel
  105. Wat zijn twee andere namen voor winkelaandeel?
    omzetaandeel
  106. Wat is de formule voor het omzetaandeel?
    (omzet ons merk : omzet product bij winkels die ons merk verkopen) x 100%
  107. Wat is de formule voor het winkelaandeel?
    (omzet ons merk : omzet product van winkels die ons merk verkopen) x 100%
  108. Wat zijn twee andere namen voor selectie indicator?
    • relatief marktbereik
    • grootte-indicator
  109. Wat zijn twee andere namen voor relatief marktbereik?
    • selectie indicator
    • grootte-indicator
  110. Wat zijn twee andere namen voor grootte indicator?
    • selectie indicator
    • relatief marktbereik
  111. Wat is de formule van de selectie indicator?
    (gemiddelde omzet product winkels die ons merk verkopen : gemiddelde omzet product van winkels die product verkopen) x 100%
  112. Wat is de formule voor het relatieve marktbereik?
    (gemiddelde omzet product winkels die ons merk verkopen : gemiddelde omzet product van winkels die product verkopen) x 100
  113. Wat is de formule voor de grootte indicator?
    (gemiddelde omzet product winkels die ons merk verkopen : gemiddelde omzet product van winkels die product verkopen) x 100
  114. Wat is de versimpelde formule van de SI?
    gewogen distributie : ongewogen distributie
  115. Wat betekent een SI van > 100%?
    men heeft veel belangrijke verkooppunten
  116. Noem twee manieren waarop we het marktbereik kunnen berekenen
    • ongewogen distributie x SI x omzetaandeel
    • of
    • gewogen distributie x omzetaandeel
  117. Hoe korten we de distributiekengetallen af?
    • ongewogen distributie = OD
    • gewogen distributie = GD
    • omzetaandeel = OA
    • selectie indicator = SI
    • marktaandeel = MA

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview