NIMA Marketing A hoofdstuk 22

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
274792
Filename:
NIMA Marketing A hoofdstuk 22
Updated:
2014-05-21 05:23:02
Tags:
NIMA Marketing hoofdstuk 22
Folders:
NIMA Marketing A hoofdstuk 22
Description:
NIMA Marketing A hoofdstuk 22
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Hoeveel P's kent men in de detailhandels marketing?
    6
  2. Noem de 6 P's van detailhandelsmarketing
    • product
    • prijs
    • promotie
    • plaats
    • personeel
    • presentatie
  3. Wat is een ander woord voor detailhandelsmarketing?
    retailmarketing
  4. Wat is een ander woord voor retailmarketing?
    detailhandelsmarketing
  5. Op wie is detailhandelsmarketing gericht?
    De consument
  6. Wat is de definitie van detailhandelsmarketing?
    Marketing door detailhandelorganisaties, gebruikmakend van de detailhandelsmix.
  7. Welke vier factoren hebben voor ontwikkelingen binnen de detailhandel gezorgd?
    • groeiende concentratiedrang
    • zoeken naar nieuwe winkelformules
    • noodzaak tot kostenverlagingen
    • verkoop via internet
  8. Waarom is er een groeiende concentratiedrang ontstaan in de detailhandel?
    Om gebruik te kunnen maken van schaalvoordelen zijn samenwerkingen ontstaan zoals fusies en inkoopcombinaties. Daardoor zijn er steeds minder winkels per gebied.
  9. Waarom is men naar nieuwe winkelformules gaan zoeken in de detailhandel?
    Om een eigen identiteit te versterken en zich zo te onderscheiden van de concurrent
  10. Noem de 8 nieuwe winkeltypen die in de detailhandel zijn ontstaan
    • cataloguswinkel/kijkwinkel
    • textielsupermarkt
    • ecologische supermarkt
    • tweedehandswarenhuizen
    • traiteurs
    • verhuurwinkels
    • sterk gespecialiseerde winkels
  11. Waarom is er een noodzaak ontstaan binnen de detailhandel tot kostenverlagingen?
    Om de stijgende concurrentie aan te kunnen
  12. Op welke manieren verlagen detailhandels de kosten?
    • efficiency- en productiviteitsverbetering
    • elektronische dataverwerking (streepjescode)
  13. Omschrijf het model van M.P. McNair
    nieuwe winkelformules beginnen met prijspenetratiestrategie, beperkt assortiment en weinig service. Als verovering van het prijssegment heeft plaatsgevonden gaat men over op upgrading om andere segmenten van de markt te veroveren. Zo wordt het een conventionele winkel en die markt is overvol, dus gaat men zich specialiseren.
  14. Hoe noemt men het model van M.P. McNair ook wel?
    wheel of retailing
  15. Wat is de definitie van wheel of retailing?
    Een model dat uitgaat van een winkelformule met minimale toegevoegde waarde (discounter), die na upgrading een winkelformule met meer toegevoegde waarde wordt. Er komt daardoor aan de onderkant van de markt weer ruimte voor nieuwe winkelformules.
  16. Hoe noemen we de beperkte levensduur van een winkelformule?
    retail-levenscyclus
  17. Wat is de retail-levenscyclus?
    De beperkte levensduur van een winkelformule
  18. Wat is funest voor de levencyclus van bvb een product of winkelformule?
    stilstand
  19. Wat weegt zwaarder voor de consument bij het kopen convenience goods, rationele of emotionele argumenten?
    raionele
  20. Hoe noemt men het shoppen waarbij de keuze voor een product vooral afhankelijk is van de prijs?
    prijsshopping
  21. Wat is prijsshopping?
    De consument is prijsbewust en zal steeds voor het product met de laagste prijs kiezen
  22. Wat is voor een detaillist van convenience goods zeer belangrijk wat betreft prijs en waarom?
    Om zo min mogelijk met de prijs omhoog te gaan, zijn klanten zijn namelijk prijsshoppers
  23. Wat is plusshopping?
    De consument vindt de toegevoegde waarde belangrijker dan de prijs en baseert daar zijn keuze op
  24. Hoe noemen we het als een consument niet de prijs, maar de expressieve waarde van een product belangrijk vindt?
    plusshopping
  25. Welk soort goederen zal een detaillist verkopen als zijn afnemers plusshoppers zijn?
    heterogene shoppinggoods
  26. Wat voor aankoopmotieven hebben plusshoppers?
    sociaal-psychologische
  27. Noem de vier soorten winkelaars
    • snelwinkelaars
    • ontspanningszoekers
    • recreanten
    • belongers
  28. Omschrijf de snelwinkelaar
    lopen snel even binnen bij een winkel
  29. Omschrijf de ontspanningszoeker
    alleen winkelen, genieten van mooie presentatie, ontsnappen aan dagelijkse routine
  30. Omschrijf de recreanten
    samen shoppen voor de gezelligheid
  31. Omschrijf de belongers
    Niet het shoppen, maar de artikelen zijn belangrijk. Ze willen zich ermee onderscheiden
  32. Welke distributievorm probeert prijs- en plusshopping te combineren en waarom?
    One-stop-shopping. Omdat als men boodschappen doet en winkelt men waarschijnlijk bereid is om meer uit te geven aan boodschappen.
  33. Noem een aantal voorbeelden van one-stop-shopping formules
    • winkelcentrum
    • warenhuis
  34. Op welke manier winkelen we bij het boodschappen doen?
    prijsshopping
  35. Op welke manier winkelen we bij recreatief winkelen?
    plusshopping
  36. Welke behoeften zijn aanwezig bij prijsshopping?
    primaire behoeften
  37. Welke goederen passen bij prijsshopping?
    convenience goods
  38. Wat is kenmerkend koopgedrag voor prijsshopping?
    doelmatigheid en rationaliteit
  39. Waar hebben prijsshoppers behoefte aan bij het winkelen?
    scherpe prijzen en shopping efficiency
  40. Welke behoefte hebben plusshoppers?
    secundaire behoeften
  41. Wat voor goederen kopen plusshoppers?
    shopping- en specialty goods
  42. Welke wensen hebben plusshoppers tijdens het winkelen?
    advies en assortimentskeuze
  43. Hoe ziet het assortiment van een prijsdistributie winkel eruit?
    breed, ondiep, met vooral snellopers
  44. Hoe ziet het assortiment van een service distributie winkel eruit?
    smal en diep
  45. Welk soort winkel verkoopt traditionele producten, prijsdistributie of servicedistributie?
    prijsdistributie
  46. Welk soort winkel verkoopt bijzondere producten, prijsdistributie of servicedistributie?
    servicedistributie
  47. Welk soort winkel hanteert zelfbediening, prijsdistributie of servicedistributie?
    prijsdistributie
  48. Welk soort winkel geeft de consument veel persoonlijke aandacht, prijsdistributie of servicedistributie?
    servicedistributie
  49. Welk soort winkel vindt het zeer belangrijk om op een makkelijk bereikbare locatie te zitten, prijsdistributie of servicedistributie?
    prijsdistributie
  50. Welk soort winkel hanteert een sobere en agressieve winkelpresentatie, prijsdistributie of servicedistributie?
    prijsdistributie
  51. Is een warenhuis een prijsdistributie of servicedistributie winkel?
    meestal prijsdistributie
  52. Welke drie zaken horen tot de productmix van de retailmix?
    • winkelformule
    • assortimentsbeleid
    • verpakkingsbeleid
  53. Bij welke categorie in de retailmix hoort de winkelformule?
    productmix
  54. Bij welke categorie in de retailmix hoort het assortimentsbeleid?
    productmix
  55. Waarin delen we het assortimentsbeleid op?
    • kern- en keuzeassortiment of randassortiment
    • merkenbeleid
  56. Wat is de definitie van winkelformule?
    de totaalpropositie waarmee een detaillist een bepaalde groep afnemers probeert aan te trekken en aan zich te binden
  57. Uit welke drie onderdelen bestaat een winkelformule?
    • type assortiment
    • doelgroep
    • marktpositie (t.o.v. concurrenten)
  58. Wat is een formuledoos?
    Een driedimensionale voorstelling van de drie onderdelen van de winkelformule
  59. Omschrijf het uiterlijk van de formuledoos
    Een driedimensionale kubus, elk vlak stelt een onderdeel voor (assortiment, doelgroep en consumentenbehoefte) en is ingedeeld in een breed en smal vlak.
  60. Welk soort doelen zijn doelen zoals omzet, bruto- en nettowinst en exploitatiekosten?
    kwantitatieve doelen
  61. Wat zijn kwantitatieve doelen?
    Doelen zoals omzet, netto- en brutowinst, ROI etc.
  62. Wat zijn kwalitatieve doelen?
    Doelen m.b.t. winkelimage
  63. Hoe noemen we de doelen m.b.t. winkelimage?
    kwalitatieve doelen
  64. Noem drie voordelen van een winkelformule hanteren
    • roept juiste associaties op
    • geeft daardoor concurrentiekracht
    • vormt houvast bij ontwikkeling marketingplan
  65. Hoe kun je het imago van een winkel toetsen?
    Met het imago-onderzoek; bvb klantenenquetes
  66. Wat is de definitie van winkelimago?
    Geheel van ideeën, gevoelens en oordelen dat een klant heeft bij een bepaalde winkel. De subjectieve beleving van de winkelformule
  67. Wat is ver- of gebruiksverwantschap?
    De producten hebben overeenkomsten m.b.t. het gebruik
  68. Hoe noemen we het als artikelen binnen een assortiment een zelfde soort behoefte bevredigen?
    ge- of verbruikverwantschap
  69. Hoe noemt men het als artikelen uit een assortiment op dezelfde wijze worden gekocht?
    koopverwantschap
  70. Welk soort winkel is een goed voorbeeld van artikelen met koopverwantschap?
    warenhuis
  71. Noem drie belangrijke kenmerken van het assortiment
    breedte, diepte en consistentie
  72. Wanneer spreken we van een geparallelliseerde winkel?
    Vaak als in een winkel de nadruk ligt op de breedte van het assortiment
  73. Wat is traffic building?
    Assortiment zo goed mogelijk laten aansluiten op behoeften consument om zo een zekere trekkracht te creëren.
  74. Hoe noemen we het als een detaillist zijn assortiment zo afstelt op de behoefte van de consument dat hij marktdominantie bereikt en klanten naar zich toetrekt?
    traffic building
  75. Wat is meestal het gevolg van traffic building?
    profit building
  76. Waar moet je naar streven bij het samenstellen van het assortiment?
    Balans tussen kwalitatieve behoeften consumenten (tendens assortiment vergroten) en kwantitatieve doelen onderneming (tendens assortimentsverkleining)
  77. Is profit building een kwantitatief of kwalitatief doel?
    kwantitatief
  78. Is traffic building een kwantitatief of kwalitatief doel?
    kwalitatief
  79. Hoe noemen we het deel van het assortiment dat het meest bepalend is voor het gezicht van de detaillist?
    Het kernassortiment
  80. Wat is de definitie van kernassortiment?
    Het deel van het assortiment dat bestaat uit artikelen met een relatief hoge omloopsnelheid. Doorgaans behoren ze tot de top 20% artikelen in termen van omzet.
  81. Hoe noemen we het deel van het assortiment dat slechts een aanvulling is op het kernassortiment?
    keuze- of randassortiment
  82. In welke drie groepen kunnen we het randassortiment indelen?
    • image verhogende producten
    • winst verhogende producten
    • wisselde artikelen
  83. In welke drie groepen kunnen we de image verhogende artikelen indelen?
    • service artikelen
    • onderscheidende artikelen
    • imagebuilders
  84. Omschrijf het image verhogende assortiment
    Deze producten vallen binnen het randassortiment en hebben met hun uitstraling invloed op de beeldvorming van de consument.
  85. Tot welk assortimentdeel behoort het relatief kleine rek met chanel tassen in een eenvoudige modezaak?
    imageverhogende artikelen van het randassortiment
  86. Noem drie voorbeelden van service artikelen
    • dieetproducten
    • eenpersoonsverpakkingen voor studenten
    • creme voor mensen met een zeer gevoelige huid
  87. Noem een voorbeeld van onderscheidende artikelen en waarom het onderscheidend is.
    Eigen merk, daarmee kan men zich van de concurrent onderscheiden
  88. Wat is de functie van imagebuilders?
    Ze versteken het imago van de winkel
  89. Noem drie voorbeelden van vlakken waarop imagebuilders het winkelimago kunnen versterken
    • prijs
    • kwaliteit
    • innovativiteit
  90. Omschrijf het winst verhogend assortiment
    Artikelen met een hoge marge en/of weinig prijsgevoeligheid die de artikelen met lage marges of veel prijsgevoeligheid compenseren.
  91. Waarvoor zijn artikelen in het wisselend assortiment bedoeld?
    Om snel in te kunnen spelen op trends
  92. Deel het assortiment in volgens de functies van de assortimentsgroepen
    • kernassortiment
    • keuze- of randassortiment:
    • - image verhogend assortiment
    • -- image builders
    • -- service artikelen
    • -- onderscheidende artikelen
    • winst verhogend assortiment
    • wisselend assortiment
  93. Hoe noemen we het deel van het randassortiment dat gericht is op een zeer specifieke doelgroep?
    serviceartikelen
  94. Hoe noemen we dat deel van het randassortiment waarmee de detaillist zijn identiteit kan versterken?
    onderscheidende artikelen
  95. Hoe noemen we het deel van het keuze assortiment waarmee de detaillist kan benadrukken dat bvb zijn prijs echt heel laag is?
    imagebuilders

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview