NIMA Marketing A Hoofdstuk 22.2

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
274968
Filename:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 22.2
Updated:
2014-05-21 07:10:16
Tags:
NIMA Marketing Hoofdstuk 22
Folders:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 22.2
Description:
NIMA Marketing A Hoofdstuk 22.2
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Om welke drie redenen is het voeren van een eigen merk voor de detaillist aantrekkelijk?
    • relatief gunstige marge
    • betere positionering mogelijk
    • betere communicatie met doelgroep mogelijk
  2. Waaronder hoort het ontwikkelen en operationaliseren van een winkelmerk?
    productdifferentiatie
  3. Wat is bij een goed winkelmerk essentieel?
    Het moet een unique selling proposition zijn
  4. Waarom moet een winkelmerk een unique selling proposition zijn?
    Zodat er een duidelijke, herkenbare boodschap uitstraalt naar de consument
  5. Waarom is er door een winkelmerk betere communicatie met de klant mogelijk?
    Het merk straalt uit wat het image van de winkel is.
  6. Wat was vroeger de functie van verpakkingen?
    Het product beschermen
  7. Wat zijn 6 functies van verpakkingen?
    • product beschermen
    • handlingfunctie
    • antidiefstalfunctie
    • gebruiksfunctie
    • communicatiefunctie
    • milieufunctie
  8. Wat is de handlingfunctie?
    De verpakking verhoogt de efficiency van het product bij de distributie
  9. Hoe noemen we de functie van de verpakking die het makkelijker maakt om het product te distribueren?
    handlingfunctie
  10. Wat is de antidiefstal functie?
    De functie van de verpakking om diefstal te vermoeilijken
  11. Wat bedoelen we met de grbuiksfunctie van de verpakking?
    Het product voor de consument gebruiksvriendelijker maken
  12. Noem een voorbeeld van de gebruiksfunctie
    Een pak melk met schroefbare dop
  13. In welke twee onderdelen kunnen we de communicatiefunctie van de verpakking indelen?
    • rationele aspecten
    • emotionele aspecten
  14. Noem twee voorbeelden van rationele aspecten van de communicatiefunctie
    • informatie inhoud product
    • gebruiksaanwijzing
  15. Op welke drie vlakken maken we keuzes m.b.t. de plaatsmix?
    • strategisch
    • organisatorisch
    • operationeel
  16. Waar hebben de operationele beslissingen binnen de plaatsmix invloed op?
    fysieke distributie
  17. Wat is de commerciële distributie?
    De distributievorm die het beste aansluit op de wensen en de behoeften van de klant.
  18. Welke twee subinstrumenten binnen de plaatsmix kennen we?
    • distributiestructuur
    • locatieonderzoek en -keuze
  19. Welke twee vragen zijn de belangrijkste binnen de distributiestructuur?
    • welke distributie-intensiteit kiezen we
    • welke organisatievorm kan dit het beste verwezenlijken?
  20. Wat hoort vooraf te gaan aan het locatieonderzoek?
    Vaststellen locatie eisen
  21. Welke vijf winkelcentra kennen we?
    • buurtwinkelcentra (BWC)
    • wijkwinkelcentrum (WWC)
    • stadsdeelwinkelcentrum (SDC)
    • stads- of citycentrum (SC)
    • nationaal centrum (NC
  22. Hoe noemt men het marktpotentieel ook wel?
    consumentenanalyse
  23. Hoe noemt men de consumentenanalyse ook wel?
    marktpotentieel
  24. Wanneer kan men een goede keuze maken omtrent de locatie van een winkel?
    Als het marktpotentieel en het concurrentiepotentieel is onderzocht
  25. Welke twee soorten prijsbeleid kennen we binnen de prijsmix?
    die voor de korte en lange termijn
  26. Welke twee kanten kan men opgaan met het prijsbeleid?
    prijsdistributie of servicedistributie
  27. Wat is een ander woord voor prijsdistributie?
    low margin retailing
  28. Wat is een ander woord voor low margin retailing?
    prijsdistributie
  29. Wat is een ander woord voor servicedistributie?
    service retailing
  30. Wat is een ander woord voor service retailing?
    servicedistributie
  31. Hoe noemen we het als een winkelformule kiest voor een goedkoop image binnen het prijsbeleid?
    prijsdistributie of low margin retailing
  32. Hoe noemen we het binnen het prijsbeleid als een winkelformule de klant veel service biedt?
    servicedistributie of service retailing
  33. Is de prijs bij service retailing doel of middel?
    middel
  34. Waar heeft het prijsbeleid op korte termijn vooral mee te maken?
    • promotie
    • opruimen overtollige voorraden
  35. Ligt bij AlbertHeijn de nadruk op prijs- of servicedistributie?
    servicedistributie, maar ze maken gebruik van een mengvorm tussen prijs- en servicedistributie
  36. Welke twee elementen moeten we rekening mee houden bij keuzes binnen de personeelsmix?
    kosten- en opbrengstelement
  37. Welke drie zaken zijn belangrijk voor goed personeel?
    • motivatie
    • vakkennis
    • dienstbetoon
  38. Wat is de presentatie van de winkel?
    De visualisatie van de winkelformule
  39. Welke twee submixen kennen we binnen de presentatiemix?
    • externe presentatie
    • interne presentatie
  40. Welke twee soorten eigenschappen heeft de presentatie van een winkelformule?
    functionele en expressieve
  41. Hoe noemen we de verdeling van de winkeloppervlakte naar verschillende functies in de winkel?
    winkel lay-out
  42. Wat is winkel lay-out?
    Het winkeloppervlakte verdeeld in de verschillende functies van de winkel (schappen, kassa, kantoor, magazijn etc)
  43. Wat is de definitie van routing?
    De volgorde waarin de verschillende producten en artikelgroepen staan en de looproute die de klanten (moeten) nemen door de winkel
  44. Hoe noemen we de volgorde waarin de artikelgroepen staan en die de klant op een bepaalde manier door de winkel leiden?
    routing
  45. Noem 6 ondervindingen die werden gedaan m.b.t. routing
    • men heeft meer aandacht voor dingen die rechts staan
    • men heeft meer aandacht voor artikelen op ooghoogte
    • men loopt bij voorkeur op de buitenste paden
    • de eerste meters schapruimte worden niet opgemerkt
    • het looptempo stijgt bij naderen van de kassa
    • klanten vinden het prettig als paden dwars op elkaar staan
  46. Wat zijn de vier subinstrumenten binnen de promotiemix?
    • displays
    • reclame
    • free publicity
    • sales promotion
  47. Hoe noemt men een display dat hoort bij een algemene/grote reclame boodschap?
    p.o.s. material of p.o.p. material
  48. Wat is p.o.s. material?
    point of sale material, displays om in de winkel de reclame boodschap van de fabrikant te verspreiden
  49. Wat is een ander woord voor p.o.s. material?
    p.o.p. material; point of purchase material
  50. Wat is een ander woord voor p.o.p. material?
    p.o.s. material; point of sale material
  51. Noem 5 manieren om reclame te maken
    • displays
    • huis-aan-huis folders
    • sponsored magazines
    • strooifolders
    • direct mail
    • buitenreclame
  52. Wat is free publicity?
    artikelen in kranten, magazines etc over het product
  53. Hoe noemen we de gratis publiciteit van een merk in kranten etc?
    free publicity
  54. Wat is sales promotion?
    De waarde van een product tijdelijk verlagen om zo de verkoop te stimuleren en de aandacht te trekken van de klant
  55. Wat is een volume-plus actie?
    Tijdelijk meer voor hetzelfde geld
  56. Hoe noemen we de actie waarbij men tijdelijk meer voor hetzelfde geld krijgt?
    volume plus-acties
  57. Noem 5 voorbeelden van sales promotion
    • tijdelijke prijsverlagingen
    • volume plus acties
    • spaarzegels
    • winkelwedstrijden
    • demonstraties
    • braderieën
  58. Waarvoor gebruikt men de detailhandelskengetallen?
    Om te berekenen welk product de meeste winst maakt, geen rekening houdend met de exploitatiekosten
  59. Hoe noemen we de getallen die ons helpen om te berekenen welk product de meeste winst oplevert, niet rekening houdend met de exploitatiekosten?
    detailhandelskengetallen
  60. Hoe noemen we het cijfer dat aangeeft hoeveel winst een product in de detailhandel oplevert, geen rekening houdend met de exploitatiekosten?
    Rendementsindex (RI)
  61. Wat is RI?
    rendementsindex; het cijfer dat aangeeft wat de kosten/opbrengst is voor een detaillist, geen rekening houdend met de exploitatiekosten
  62. Wat is Pi?
    inkoopprijs
  63. Hoe korten we de inkoopprijs af?
    Pi
  64. Wat is Pv?
    verkoopprijs
  65. Hoe korten we verkoopprijs af?
    Pv
  66. Wat is Q?
    afzet
  67. Hoe korten we de afzet af?
    Q
  68. Wat is V?
    gemiddelde voorraad
  69. Hoe korten we de gemiddelde voorraad af?
    V
  70. Wat is Sl?
    gemiddelde schaplengte
  71. Hoe korten we de gemiddelde schaplengte af?
    Sl
  72. Wat is Os?
    omzetsnelheid
  73. Hoe korten we omzetsnelheid af?
    Os
  74. Hoe bereken je de omzetsnelheid?
    afzet gedeeld door gemiddelde voorraad
  75. Hoe bereken je de omzetsnelheid in liquiditeiten?
    afzet maal verkoopprijs gedeeld door gemiddelde voorraad maal verkoopprijs
  76. Wat krijg je als je de afzet deelt door de gemiddelde voorraad?
    de omzetsnelheid
  77. Wat krijg je als je de afzet maal verkoopprijs deelt door de gemiddelde voorraad maal verkoopprijs?
    de omzetsnelheid in geld
  78. Hoe kun je de brutowinst berekenen?
    verkoopprijs min inkoopprijs, maal afzet
  79. Hoe korten we de brutowinst af?
    Bw
  80. Wat is Bw
    bruto winst
  81. Wat krijg je als je de verkoopprijs min de inkoopprijs deelt door de afzet?
    brutowinst
  82. Wat is de formule voor de rendementsindex (Ri)?
    bruto winst maal omzetsnelheid, gedeeld door schaplengte maal 100
  83. Wat krijg je als je de brutowinst maal de omzet deelt door de schaplengte maal 100?
    de rendementsindex (Ri)
  84. Waarvan is DPP de afkorting?
    direct product profitability
  85. Hoe korten we direct product profitability af?
    DPP
  86. Noem 5 voorbeelden van exploitatiekosten
    • ruimte
    • energie
    • arbeid
    • rente
    • afschrijving
  87. Hoe noemen we de directe exploitatiekosten per product ook wel?
    direct product costs
  88. Wat zijn de direct product costs?
    de directe exploitatiekosten per product
  89. Wat is de formule van de DPP?
    afzet maal, direct product marge min direct product costs gedeeld door ruimtebeslag in het schap in m, m2 of m3
  90. Wat krijg je als je de afzet vermenigvuldigd met: direct product marge min direct product costs gedeeld door ruimtebeslag in het schap in m, m2 of m3?
    DPP
  91. Wat is DPM?
    direct product marge; brutomarge per producteenheid
  92. Wat is DPC?
    direct product costs; verwerkingskosten per eenheid
  93. Hoe noemen we de brutomarge per producteenheid ook wel?
    DPM, direct product marge
  94. Hoe noemen we de verwerkingskosten per producteenheid?
    DPC, direct product costs
  95. In welke maatvorm stellen we het ruimtebeslag in het schap vast in de DPP formule?
    m, m2 of m3
  96. Wat is category management?
    De uitbreiding van inkoop naar een totaal van klantgerichte activiteiten
  97. Wat is de definitie van category management?
    De activiteit waarbij een detaillist zijn assortiment categoriegewijs als een verzameling strategische business units bestuurt  vanuit geïntegreerde verantwoordelijkheid voor de totale goederenstroom en met het oog op realisatie van beoogde omzet- en DPP doelen per productcategorie
  98. Door welke vier veranderingen in de detailhandel is category management ontstaan?
    • verschuiving inkoopmarkt naar verkoopmarkt
    • verruiming inkoopobject van product naar productgroep
    • verbreding separate inkoop naar integraal ketenbeheer
    • verlegging effectiviteitsmeetpunt van brutowinst naar direct product profit
  99. Wat bedoelen we met de verschuiving in de detailhandel van inkoopmarkt naar verkoopmarkt?
    De detaillist realiseert zich dat men beter kan opereren vanuit een buy-to-sell optiek dan buy-to-buy
  100. Is de category manager doorgaans verantwoordelijk voor het hele assortiment?
    nee, meestal voor een of meer productgroepen
  101. Noem de vijf fasen van het category management planningproces
    • analyse en categorieperformance
    • bepaling strategische rol van categorie
    • formulering categoriedoelstellingen
    • implementatie categorie-actieplannen
    • voortgangsbewaking categorieperformance
  102. Welke twee analyses onderscheiden we binnen de analyse categorieperformance?
    • marktperformanceanalyse
    • interne performanceanalyse
  103. Welke strategische rollen kan een productgroep hebben?
    • omzetmaker (winstmaker)
    • goudmijn (positieverdediger)
    • zorgenkind (kostenminimalisering)
    • winstbrenger (omzetverhoging)
  104. Welke doelstellingen kan de category manager opstellen voor een productgroep?
    • omzetdoelstellingen
    • marktaandeeldoelstellingen
    • brutowinstdoelstellingen
    • DPP-doelstellingen
  105. Welke drie evaluaties hanteren we bij de voortgangsbewaking categorieperformance?
    • doelenevaluatie
    • actieplanevaluatie
    • budgetevaluatie
  106. Noem globaal de fasen van de category managementplanning
    • huidige situatie beoordelen
    • rol productgroep vaststellen
    • doelstellingen formuleren
    • uitvoeringsfase
    • controlefase

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview