NIMA Marketing hoofdstuk 23

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
275719
Filename:
NIMA Marketing hoofdstuk 23
Updated:
2014-06-02 07:54:58
Tags:
NIMA Marketing hoofdstuk 23
Folders:
NIMA Marketing hoofdstuk 23
Description:
NIMA Marketing hoofdstuk 23
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is de definitie van logistiek?
    Alle activiteiten rond fysieke distributie om de goederenstroom in de bedrijfskolom te beheersen.
  2. Wat is een ander woord voor logistiek?
    business logistics
  3. Wat is het logistiek management?
    het analyseren, plannen, implementeren en beheersen van goederenstromen van producent tot eindgebruiker
  4. Welke twee onderdelen onderscheiden we binnen het logistiek management?
    • materials management
    • fysieke distributie
  5. Wat is de definitie van materials management?
    Het analyseren, plannen, implementeren en evalueren van activiteiten die als doel hebben de grond- en halffabricatenstroom zo efficiënt mogelijk naar en door het productieproces te voeren. En de informatiestroom te verwerken en de werkzaamheden om het productieapparaat zo efficiënt mogelijk te benutten.
  6. Geef de globale definitie van materials management
    Alle activiteiten voor het verkrijgen van alle materialen, de verwerking ervan tot eindproducten en de opslag hiervan.
  7. Wat is het verschil tussen materials management en fysieke distributie?
    Matererials management omvat activiteiten omtrent distributie voor en tijdens de distributie (in de fabriek) en fysieke distributie erna (buiten de fabriek)
  8. Welke 7 onderdelen horen bij het materials management.
    • inkoop
    • voorraadbeheer
    • materiaalplanning
    • productieplanning
    • materials handling
    • intern transport
    • opslag
  9. Wat is de definitie van fysieke distributie?
    Het deel van het distributiebeleid dat te maken heeft met de voortstuwing van eindproducten, in en vanaf de fabriek tot aan aflevering bij eindgebruiker.
  10. Welke drie subsystemen onderscheiden we binnen de fysieke distributie?
    • magazijnsysteem
    • transportsysteem
    • voorraadsysteem
  11. Hoort de voorraad bij materials management of bij fysieke distributie?
    fysieke distributie
  12. Omschrijf de doelstelling van fysieke distributie
    De juiste goederen in de juiste hoeveelheid, op de juiste plaats en op het juiste tijdstip te hebben tegen zo laag mogelijke kosten.
  13. Omschrijf de doelstelling van fysieke distributie in het kort
    Optimale klantenservice tegen minimale kosten
  14. Welke twee kanten heeft de doelstelling van de fysieke distributie?
    • een financieel-economische (kosten)
    • een marketing-technische (klantenservice)
  15. Welke twee zaken zijn vooral belangrijk in het kostenaspect van de fysieke distributie doelstellingen?
    • systeemvisie
    • totale kostenconceptie
  16. Wat bedoelen we met systeemvisie?
    Men beschouwd de organisatie als een netwerk van subsystemen die ieder hun eigen doelstellingen hebben, welke soms met elkaar conflicteren.
  17. Wat bedoelen we met de totale kostenconceptie?
    De marketingmanager kijkt niet naar de meest economische oplossing voor een bepaalde deeltaak, maar naar die voor de gehele fysieke distributie.
  18. Wat is de functie van de voorraad in het distributie systeem?
    schakel tussen bestelling van klanten en productie in de fabriek.
  19. Wat zijn de drie voornaamste vragen in voorraadbeheer?
    • Wat is het orderpunt?
    • Wat moet de ordergrootte zijn?
    • Wat moet de orderfrequentie zijn?
  20. Hoe noemen we het punt waarop een voorraad moet worden bijgevuld?
    Het orderpunt
  21. Wat is het orderpunt?
    De hoeveelheid voorraad waarbij er een nieuwe order geplaatst moet worden.
  22. Hoe noemen we de tijd tussen order en levering?
    levertijd
  23. Hoe noemen we de snelheid waarmee een voorraad wordt opgemaakt door afnemers?
    gebruiksgraad
  24. Wat is de gebruiksgraad?
    De snelheid waarmee een voorraad wordt leeg gekocht.
  25. Hoe noemen we de mate van zekerheid waarmee men kan garanderen aan bepaalde leveringswaarden te zullen voldoen?
    De servicegraad
  26. Wat is de servicegraad?
    De mate van zekerheid waarmee men kan garanderen aan bepaalde leveringseisen te voldoen.
  27. Wat is de buffervoorraad?
    een extra voorraad die nodig is om eventuele fluctuaties in de vraag op te kunnen vangen.
  28. Hoe noemen we de extra, altijd aanwezige (behalve bij plotselinge stijging van de vraag), voorraad?
    buffervoorraad of veiligheidsvoorraad
  29. Wat is een ander woord voor buffervoorraad?
    veiligheidsvoorraad
  30. Wat is een ander woord voor veiligheidsvoorraad?
    buffervoorraad
  31. Wat heeft het aanmaken van een buffervoorraad voor effect op het orderpunt?
    dat wordt hoger
  32. Welke zes factoren hebben invloed op de voorraadgrootte?
    • omzetsnelheid van artikel
    • gewenste servicegraad
    • beschikbare magazijnruimte
    • beschikbare financiële middelen
    • hoogte rente bij aankopen op krediet
    • korting bij kwantumafname etc.
  33. Omschrijf het begrip omzetsnelheid
    Het aantal keren dat de gemiddelde voorraad van een artikel in een jaar wordt verkocht.
  34. Hoe noemen we het aantal keren dat de gemiddelde voorraad van een bepaald artikel in een jaar wordt verkocht?
    omzetsnelheid
  35. Hoe bereken je de omzetsnelheid?
    afzet gedeeld door gemiddelde voorraad
  36. Hoe bereken je de tijd dat de gemiddelde voorraad ligt opgeslagen?
    12 (maanden) : omzetsnelheid
  37. Als je 12 deelt door de omzetsnelheid krijg je...
    de tijd dat de gemiddelde voorraad ligt opgeslagen.
  38. Wat krijg je als je de afzet deelt door de gemiddelde voorraad?
    omzetsnelheid
  39. Hoe hebben de ordergrootte en orderfrequentie invloed op elkaar?
    Hoe groter de ordergrootte hoe lager de orderfrequentie en vice versa
  40. Hoe noemen we de kosten die bij het plaatsen van een order komen kijken?
    bestelkosten
  41. Hoe noemt men de situatie met de laagst mogelijke bestel- en voorraadkosten?
    optimale bestelhoeveelheid
  42. Wat is een andere term voor optimale bestelhoeveelheid?
    optimale ordergrootte
  43. Wat is JIT?
    Just in time principe
  44. Waarom kunnen winkels vaak geen grote magazijnen hebben?
    De ruimte is erg kostbaar, zeker in (dure) winkelcentra
  45. In welke markten wordt het JIT principe toegepast?
    industriële- en consumentenmarkt
  46. Wat zijn twee vereisten voor een succesvolle toepassing van het JIT principe?
    • hoge mate van integratie tussen afnemer en leverancier
    • goede informatiestroom
  47. Omschrijf het JIT principe
    De leveringen zijn zo nauwkeurig afgestemd op de wensen en behoeften van de afnemers, dat een minimale hoeveelheid voorraad kan worden gehandhaafd.
  48. Hoe noemen we de productie- en distributiebenadering waarbij een product pas geproduceerd wordt als de klant daarom vraagt en vaak zelfs wordt geproduceerd volgens de wensen en behoeften van de klant?
    made to order
  49. Wat is made to order?
    Een productie- en distributiebenadering waarbij een product pas wordt geproduceerd als de klant daarom vraagt. Vaak volgens de specificaties van de klant.
  50. Wat is supply chain management?
    Het gezamenlijk streven van leverancier en distribuant naar resultaat verbetering door een geïntegreerde aanpak van de totale voortbrengingsketen.
  51. Hoe noemen we het als leverancier en distribuant een geïntegreerde aanpak hanteren, teneinde de totale voortbrengingsketen te verbeteren?
    supply chain management
  52. Wat is een ander woord voor supply chain management?
    integraal ketenmanagement
  53. Wat is een ander woord voor integraal ketenmanagement?
    supply chain management
  54. Wat is een voordeel van supply chain management voor de leverancier?
    men komt niet met onnodige voorraden te zitten
  55. Wat is een voordeel van supply chain management voor de (industriële) afnemer?
    Men komt niet zonder onderdeel/product te zitten
  56. Wat is ECR?
    Efficient consumer response
  57. Omschrijf ECR
    Met informatietechnologie probeert men de afnemer zo efficiënt mogelijk te bedienen. Niet alleen bij voorraadbeheersing en snelle doorstroming van goederen, maar ook assortimentsbeheersing, effectievere promoties en succesvollere introducties.
  58. Op welke vlakken heeft ECR invloed?
    • voorraadbeheersing en snelle doorstroom goederen
    • assortimentsbeheersing
    • effectievere promoties
    • succesvollere introducties
  59. Wat zijn de voordelen die volgen uit ECR?
    • vermijden suboptimalisatie
    • coördineren verschillende activiteiten
    • voorkomen van onnodige voorraden
  60. Wat bedoelen we met suboptimalisatie?
    Een subsysteem probeert zo goed mogelijk te functioneren binnen zijn grenzen. Dit gaat vaak ten koste van andere subsystemen.
  61. Hoe noemen we het als een subsysteem probeert zo goed mogelijk te functioneren?
    suboptimalisatie
  62. Wat is EDI?
    electronic data interchange
  63. Wat is electronic data interchange?
    Het verstrekken van informatie zoals scanningsdata die de detaillist aan de kassa verzamelt.
  64. Wat is het verschil tussen ECR en EDI
    EDI is een onderdeel van ECR en heeft betrekking op de informatie over finale afnemers aan de detaillist (die de info weer deelt met andere schakels)
  65. Wat stond vroeger centraal in de relatie tussen detaillist en leverancier?
    productmanagement
  66. Wat waren opeen volgens de soorten management die van belang waren tussen de detaillist en leverancier?
    • productmanagement
    • retailmarketing
    • accountmanagement
    • verwacht: leveranciersmanagement
  67. Noem de vier fases in de relatie tussen detaillist en leverancier volgens W van der Ster
    • fase 1: consumentenmarketing (en de institutionering daarvan, productmanagement) bij productenorganisaties
    • fase 2: reactie distributiezijde: retailmarketing, institutionering; category management
    • fase 3: reactie leveranciers: detaillistenmarketing, institutionering; accountmanagement
    • fase 4: verwachte reactie: partnershipping
  68. Wat is partnershipping?
    een samenwerkingsrelatie waarin de belangen van de partijen worden samengevoegd in een integrale kijk op de totale voortbrengingsketen.
  69. Hoe noemen we de samenwerkingsrelatie tussen organisaties waarin de belangen samengevoegd worden in een integrale kijk op de totale voortbrengingsketen?
    partnershipping
  70. Wat is de definitie van de inkoopfunctie?
    Zorgen dat de juiste producten, tegen de juiste prijs, in de juiste hoeveelheid, van de juiste kwaliteit, op het juiste moment, op de juiste plaats beschikbaar zijn.
  71. Welke taken behoren tot de inkoopfunctie?
    • markt- en technisch onderzoek
    • onderhandelen
    • orderbewaking en -afwikkeling
  72. Wat is het NEVI?
    Nederlandse Vereniging voor Inkoopmanagement
  73. Noem de profielschets van de zelfstandig inkoper volgens het NEVI
    • goed inzicht in het product/dienst en daarbij behorende markt en marktverhoudingen
    • kunnen onderhandelen
    • leiding kunnen geven
    • marktontwikkelingen kunnen volgen
    • kennis en inzicht hebben van financieel-economische aspecten omtrent inkoopbeslissingen
    • geven van (aankoop)adviezen, keuringen doen, kwaliteit waarborgen
    • verzorgen van overeenkomsten
    • beheersen goederenstroom van leverancier tot afnemer
    • beheren van voorraden
  74. Noem de vier soorten inkopers
    • corporate inkopers
    • initiële inkopers
    • projectinkoper
    • materiaalinkoper
  75. Wat is het verschil tussen initiële inkoper en projectinkoper?
    De initiële inkoper koopt productiegoederen, de projectinkoper koopt investeringsgoederen.
  76. Omschrijf het profiel van de corporate inkoper
    • verantwoordelijk voor strategische goederen
    • is een specialist
    • lange termijn planning
  77. Omschrijf de initiële inkoper
    • nieuwe materialen en nieuwe leveranciers
    • technische opleiding
    • medium planningstermijn
  78. Omschrijf de projectinkoper
    • koopt investeringsgoederen en verzorgt onderhoudscontracten
    • specialist
  79. Omschrijf de materiaal planner
    • materiaalplanning
    • ordering
    • vendorrating

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview