Financiering lagere overheden

Card Set Information

Author:
edensan
ID:
276554
Filename:
Financiering lagere overheden
Updated:
2014-07-04 11:16:33
Tags:
Financiering overheden
Folders:

Description:
paraat vragen fin overheden
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user edensan on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Waar is de bevoegdheid voor de Rijksoverheid geregeld om taken te
    decentraliseren naar lagere overheden?
    Grondwet, artikel 123-132
  2. In welke twee vormen kan decentralisatie voorkomen en wat is het
    verschil tussen die twee?
    • Autonomie en Medebewind. Autonomie is geregeld in gemeentewet of provinciewet. Medebewind is geregeld in een andere wet dan de gemeente of provinciewet.
    • Verschil: Op grond van de Grondwet kunnen autonome bevoegheden worden toegekend aan provincie of gemeente en aan géén ander orgaan. In de grondwet is geregeld dat bij in gebreke blijven van provinciale of gemeentelijke organen en ten aanzien van medebewind kan een regeling of voorziening worden getroffen.
  3. Waar is geregeld hoe nieuwe provincies kunnen worden ingesteld en hoe
    bestaande provincies kunnen worden opgeheven?
    Artikel 123 Grondwet
  4. Uit welke organen bestaat het provinciaal bestuur?
    Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de KvK.
  5. Waar worden de bevoegdheden van de provinciale bestuursorganen
    geregeld?
    In hoofdstuk III van de Provinciewet.
  6. Onder wiens verantwoordelijkheid kwam in 1851 de Gemeentewet tot
    stand?
    Johan Rudolph Thorbecke
  7. Uit welke organen bestaat het Gemeentebestuur?
    Gemeenteraad, College van burgemeester en wethouders en de burgemeester
  8. Zijn individuele leden van de gemeenteraad bevoegd te handelen namens
    de gemeente?
  9. ??
  10. Wat is een waterschap en waar is het bestuur van waterschappen
    geregeld?
    Openbare lichamen die de waterstaatskundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben. Het bestuur is geregeld in artikel 10 van de Waterschapswet.
  11. Wat zijn bedrijfslichamen?
    Bedrijfslichamen is de verzamelnaam voor hoofdproductschappen, productschappen, hoofdbedrijfschappen en bedrijfsschappen.
  12. Wat is een (hoofd)productschap?
    Een (hoofd)productschap omvat alle ondernemingen die verschillende functies vervullen ten opzichte van een product (bijv. productschap voor Granen, Zaden en Peulvruchten).
  13. Wat is een (hoofd)bedrijfschap?
    Een (hoofd)bedrijfschap omvat alle bedrijven die een gelijke of verwante functie vervullen (bijv. Hoofdbedrijfschap Detailhandel).
  14. Wat is de belangrijkste reden voor een gemeente om mee te werken aan
    het samenvoegen met één of meer omliggende gemeenten?
    Vergroten bestuurskracht. De inkomsten en de omvang van het ambtenarenapparaat zijn immers afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente.
  15. Wat is het verschil tussen een monistisch en een dualistisch stelsel.
    In monistisch stelsel is er één hoofdorgaan waaruit de leden voor de andere organen benoemd worden, deze blijven dan ook lid van het hoofdorgaan. Bij een dualistisch stelsel is er een scheiding tussen de bevoegdheden tussen de organen en een scheiding tussen de samenstelling. Dus een orgaan is bevoegd tot bepaalde dingen en heeft bepaalde leden. Het andere orgaan heeft andere bevoegdheden en weer andere leden.
  16. Moet de KvK over al zijn taken veranwoording afleggen aan provinciale
    staten?
    Nee, over de taken die hij uitvoert op instructie van de regering hoeft hij dat niet te doen.
  17. Welke twee mogelijkheden heeft een gemeentebestuur om taken
    gezamenlijk met één of meer gemeentebesturen op te pakken?
    • oprichten van een privaatrechtelijk rechtspersoon (NV of stichting)
    • oprichten van een nieuw openbaar lichaam door een aantal gemeenten tezamen ter behartiging van één of meerdere belangen van die gemeenten. Wet gemeenteschappelijke regelingen.
  18. Waar worden de taken van het bestuur van het
    waterschap geregeld en welk verschil is er met de regeling voor het bestuur van
    gemeenten en provincies?
    Artikel 56 Waterschapswet. Hierin worden de autonome en medebewindstaken geregeld. De autonome taak is beperkt tot de taak die in het waterschapsreglement is opgedragen. Dus geen ruim omschreven bevoegdheid zoals bij gemeente en provincie.
  19. Welke twee wettelijke taken heeft de SER en waar zijn die taken geregeld?
    • - overkoepeling van product- en bedrijfschappen en toezicht op de PBO;
    • - Adviesorgaan van ministers tav sociaal en economische onderwerpen
    • Is geregeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie.
  20. Wat was de reden voor het tot stand brengen van de Financiële-verhoudingswet?
    Om een stelsel vast te leggen waar iedere burger naar draagkracht bijdraagt in de kosten van provincies en gemeenten.
  21. 1.    
    Over welke algemene middelen beschikt de provincie?
    • - de eigen belastinginkomsten
    • - overige eigen middelen 
    • - de algemene uitkering uit het provinciefonds
  22. Waar worden de betalingen en ontvangsten van het provinciefonds geregeld?
    Comptabiliteitswet en begrontingswet van het fonds
  23. Wat houdt de evenredigheidssystematiek in?
    Dat de jaarlijkse procentuele toename of afname van de gecorrigeerde nettorijksuitgaven (accres) bepalend is voor de jaarlijkse procentuele toename of afname van het provinciefonds.
  24. Waarvoor dient de behoedzaamheidsreserve?
    Om verschillen op te vangen vanwege de manier van vaststellen van de uitkering van het provinciefonds. Deze wordt in mei bepaald, in september bijgesteld maar pas in maart van het jaar daarop vastgesteld op het moment dat de nettorijksuitgaven worden bekend gemaakt.
  25. Waar is geregeld welke belasting de provincie mag heffen?
    In de provinciewet, artikelen 222, 222a, 222c en 223
  26. Hebben provincies een open of gesloten huishouding?
    Open huishouding = ze kunnen zelf taken op zich nemen.
  27. Wat is het derde aspiratieniveau?
    Streven om provincies met relatief hoge kosten en/of in verhouding geringe belastingcapaciteit extra compensatie te kunnen geven via de algemene uitkering zodat zij een gelijkwaardig voorzieningennieveau kunnen realiseren.
  28. Met welke inkomstenbronnen en in welke volgorde bekostigen decentrale overheden idealiter hun taken?
    Het streven naar decentralisatie brengt mee dat decentrale overheden hun taken het beste kunnen bekostigen via aan gebruikers van voorzieningen in rekening gebrachte tarieven, vervolgens met de opbrenst van eigen belastingen, dan via de algemene uitkering uit het provinciefonds en in latere instantie via specifieke uitkeringen.
  29. Wat is het leidende uitgangspunt van de Wet financiële verhoudingen en welke rol speelt het provinciefonds daarbij?
    Uitgangspunt is dat provincies, gegeven kostenverschillen door objectieve oorzaken, bij een gelijke belastingdruk een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiseren. Het provinciefonds is bedoeld om het financiele speelveld van de provincies te egaliseren.
  30. Waarom in de in 1995 ingevoerde normeringsystematiek niet vastgelegd in de Wet financiële verhoudingen?
    De nieuwe normering is bewust niet in de Wet financiële verhoudingen zelf neergelegd, omdat zij primair een bestuurlijk karakter heeft en elk van de partijen, afhankelijk van de omstandigheden, voorstellen kan doen om van de evenredigheidssystematiek af te wijken. Dit bestuurlijk aspect zou bij een wettelijke regeling van de omvang van het provinciefonds onvoldoende tot zijn recht komen.
  31. Door welke twee doelstellingen van de fondsbeheerders wordt bewerkstelligd dat de provincies de juiste middelen uit het provinciefonds ontvangen?
    • 1. de provincies via het provinciefonds
    • voorzien van voldoende financiele middelen voor het uitvoeren van hun taken.
    • 2. een verdeling van de beschikbare financiele
    • middelen over provincies, die elk van de provincies in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren. 
    • Met andere woorden, voldoende middelen in het provinciefonds en
    • een eerlijke verdeling daarvan.
  32. Waarom geven veel ministers de voorkeur aan bekostigen van de provincie met behulp van een specifieke uitkering?
    Er kan dan gericht ingegrepen worden in de provinciale uitvoering, er kan nauwkeurig gemonitord worden op de uitvoering en er kan heel precies en heel specifiek worden uitgelegd wat er met het belastinggeld is gebeurd. Ook kunnen de betrokken ministers heel bewust sturen op beleid.
  33. Waarom hebben provincies bij het
    inrichten van een nieuw belastinggebied, na het afschaffen van de motorrijtuigenbelasting, een voorkeur voor een ingezetenenbelasting boven een opslag op de inkomstenbelasting?
    Omdat de inkomstenbelasting een erg conjunctuurgevoelige belasting is.
  34. Is de gemeente geheel vrij in de besteding van de middelen die zij ontvangt uit het provinciefonds?
    Formeel wel, het Rijk gaat er echter van uit dat provincies een belangrijk deel van hun eigen middelen uittrekken voor medebewindtaken. De middelen voor de uitvoering van sommige wettelijke taken worden zelfs uitdrukkelijk via het provinciefonds geleid. Omdat de specifieke uitkering veelal tekort schiet, vult de provincie deze uit eigen middelen aan.
  35. Beschrijf wat voor de beheerders van het provinciefonds reden was om de Raad voor de
    Financiele verhoudingen advies te vragen over de omvang en verdeling uit het
    provinciefonds.
    De fondsbeheerders hebben het vermoeden dat provincies financieel erg ruim zitten, gegeven de kosten van hun bestaande taken. Zij vragen in dit licht af of de omvang op dit moment niet te groot is voor het provinciale takenpakket. Ze hebben verder vragen omtrent de huidige verdeling van het provinciefonds. De algemene uitkering zou onvoldoende zijn afgestemd op bestaande kostenverschillen en op de mogelijkheid van de provincies om hun eigen uitgaven uit eigen middelen te bekostigen.
  36. Welke drie aanpassingen van de verdeelsystematiek van het provinciefonds stelt de Raad voor de Financiële Verhoudingen voor?
    • 1- betere relatie tussen maatstaven en kosten
    • 2- aannemelijker relatie tussen de dynamiek van de maatstaven en kosten.
    • 3- vervanging van overbodige maatstaven.
  37. Wat is het doel van het verdeelstelsel in de Fvw?
    • - een zodanige verdeling te maken dat gemeentebesturen in een gelijkwaardige positie komen om binnen de gemeente spelende vraagstukken te kunnen oplossen;
    • - het flexibel kunnen aanpassen aan veranderingen in de tijd, om te voorkomen dat er een te grote afstand ontstaat tussen het verdeelmodel en de ontwikkeling van taken en kostenstructuren in de gemeente.
  38. Hoe wordt de aangroei van het gemeentefonds jaarlijks bepaald?
    Het wordt bepaald door de normeringssytematiek, dwz de jaarlijkse groei van het gemeentefonds is gekoppeld aan de groei van de rijksuitgaven. Extra uitgaven (zoals bezuinigingen, mee- en tegenvallers) hebben direct invloed op de omvang van het gemeentefonds.
  39. Geef de formule voor de bepaling van de NGRU.
    • + bruto rijksuitgaven
    • - niet belastingontvangsten
    • = netto rijksuitgaven
    • - correcties (EU-afdracht, uitgaven ontwikkelingsamenwerking)
    • = NGRU Netto Gecorrigeerde RijksUitgaven
    • = Accress (percentage)
  40. Hoe wordt de algemene uitkering uit het gemeentefonds berekend?
    Maatstaf   X aantal eenheden  X  bedrag per eenheid
  41. Noem een aantal voorbeelden van verdeelmaatstaven
    • - inkomensmaatstaf
    • - sociale maatstaf
    • - functiemaatstaf
    • - fysieke maatstaf
    • - overgangsregime herindeling
  42. Waar is de definitie van een specifieke uitkering geregeld?
    Volgens syllabus nergens. Maar in de wet is het wel opgenomen nl. in de Fvw, art. 15a.
  43. Gemeentelijke belastingen bestaan uit 2 vormen. Welke zijn dit en wat
    is het verschil tussen die twee?
    Belasting en retributies. Van een belasting wordt gesproken als tegenover de financiële bijdrage aan de gemeente geen directe tegenprestatie van de gemeente is gekoppeld. Van een retributie is er sprake als tegenover de verplicht financiële bijdrage aan de gemeente wel een directe tegenprestatie is gekoppeld.
  44. Waaruit blijkt dat iemand belastingplichtig is voor de hondenbelasting?
    Uit de tenaamstelling van de aanslag.
  45. Is voor het heffen van gebruiksrechten noodzakelijk dat de gemeente eigenaar is van de voorziening?
    Nee, het is voldoende als het beheer en onderhoud onder diens verantwoordelijkheid valt.
  46. Wat is noodzakelijk wanneer de gemeente genotsrechten heft op het moment dat door de gemeente ongevraagd een dienst is geleverd?
    Een wettelijk voorschrift voor die voorziening.
  47. Leveren gebruiksrechten en genotsrechten winst op voor de gemeente?
    Nee, de geraamde opbrengst mag niet hoger zijn dan de geraamde kostprijs.
  48. Wat is het verschil tussen heffing en inning?
    • Heffing = vaststellen uit een uit de wet of verordening voortvloeiende belastingschuld.
    • Inning = maatregelen die kunnen worden gehanteerd om de belastingschuld na de heffing te kunnen innen.
  49. Welke heffingsmethoden zijn er?
    • 1 aanslag
    • 2 voldoening op aangifte
    • 3 andere wijze vastgelegd in de belastingverordening
  50. Waarom heeft de voor invordering aangewezen gemeenteambtenaar niet de bevoegdheid een hardheidsclausule toe te passen?
    Bij het toepassen van de clausule wordt feitelijk inbreuk gemaakt op de verordening. Men zal moeten nagaan of een inbreuk wordt gemaakt op de in het verleden gevolgde beleidslijn. Daarom is het college van B&W daartoe bevoegd en niet de gemeenteambtenaar.
  51. Welke hoofdelementen kent de Fvw tav het gemeentefonds?
    • De Fvw kent de volgende elementen:
    • - het instellen van een gemeentefonds en beheer en organisatie daarvan
    • - toekennen van een algemene uitkering
    • - hoe de uitkering wordt vastgesteld en welke eisen aan maatstaven worden gesteld
    • - voorschriften mbt andere uitkeringen
  52. Wanneer kan een gemeente los van de objectieve maatstaven, een aanvullende uitkering ontvangen als onderdeel van de algemene uitkering uit het gemeentefonds?
    Art. 12 Fvw, voorwaarden staan in de wet opgenomen.
  53. Waardoor dreigt het totaaloverzicht op de specifieke uitkeringen aan gemeenten verloren te gaan?
    Doordat elke minister die een specifieke uitkering verstrekt daarvoor zelf verantwoordelijk is.
  54. Hoe brengt de wetgever tot uitdrukking dat hij veel belang hecht aan belastingheffing door de gemeenten?
    Doordat hij voorwaarden daaraan stelt bijv. Niet beraadslagen in gesloten vergadering, beperking van delegatie van bevoegdheden daarin, limitatieve opsomming van mogelijk te heffen belastingen, de gemeente heeft de vrijheid om heffingsmaatstaven te bepalen.
  55. Welke gedragen vallen volgens de gemeentewet onder parkeren?
    Zie art. 225, lid 2 van de Gemeentewet.
  56. Als iemand precariobelasting moet betalen, betekent dat dan dat hij gerechtigd is om voorwerpen te hebben boven gemeentegrond?
    Nee, men moet daarvoor over een ontheffing of vrijstelling beschikken op grond van een plaatselijke verordening.
  57. Waarvoor was het voor de wetgever noodzakelijk om bij retributies onderscheid te maken tussen gebruiks-, genots- en vermakelijkheidsrechten?
    Het onderscheid is bepalend voor de van toepassing zijnde combinaties van belastbaar feit, soort belastingplichtige en heffingsmaatstaf.
  58. Op basis waarvan kan een gemeente beschikken over de voor belastingheffing noodzakelijke informatie en aan welke voorwaarden moet worden voldaan?
    • op wie de verplichting rust
    • de belasting waarop de verplichting rust
    • omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens
    • een omschrijving van het doel waarvoor de gegevens dienen.
  59. Wat is de consequentie als het college van B&W een belastingschuld oninbaar verklaart?
    De gemeenteambtenaar die belast is met de invordering wordt ontheven van de verplichting om verdere pogingen tot invordering te doen.
  60. Wat wordt bedoeld met het zakelijk karakter van de OZB?
    Zakelijk omdat met de persoonlijke omstandigheden (inkomsten, nationaliteit) geen rekening wordt gehouden.
  61. Waarom werd de naam Onroerendgoedbelasting vervangen door OZB?
    Door de invoering van boek 3 BW (waarin de wijziging van het begrip “goederen” in “zaken”) werd de naam van de belasting veranderd in OZB.
  62. Wat wordt onder het gebruik van een onroerende zaak verstaan?
    Een gebruiker bedient zich rechtstreeks en met het oog op eigen behoefte van de zaak, rechtstitel en eventuele vergoeding doet niet ter zake.
  63. Op welke wijze is de capaciteit voor de OZB van invloed op de algemene uitkering die de gemeente uit het gemeentefonds ontvangt?
    Per 1 januari 2007 is de capaciteit van de OZB een van de maatstaven voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De belastingcapaciteit representeert het vermogen van een gemeenten om eigen inkomsten te genereren. De verplichte vrijstellingen worden niet meegenomen bij de belastingcapaciteit, de facultatieve wel.
  64. Wat is het belangrijkste verschil tussen een wettelijke vrijstelling een een facultatieve vrijstelling?
    De wettelijke vrijstelling telt niet mee bij de belastingcapaciteit, de facultatieve telt wel mee.
  65. Mag in een belastingverordening van een gemeente een progressief belastingtarief voor de OZB worden opgenomen?
    Nee, want het is gekoppeld aan een percentage van de heffingsmaatstaf.
  66. Waarom werd in 2008 een macronorm ingesteld?
    Men wou zeker stellen dat de afschaffing van de maximalisering van de tarieven niet zou leiden tot onevenredige stijging van de collectieve lastendruk en daarom werd besloten een macronorm in te stellen.
  67. Wat was de mening van de Raad voor de Financiële Verhoudingen over het invoeren van een macronorm en werd het advies opgevolgd?
    De macronorm doorkruist de geldende afspraken over de voeding van het gemeentefonds, vergroot voor gemeenten de onzekerheid over de hoogte van een algemene uitkering, betekent een inperking van de gemeentelijke beleidsvrijheid en doet geen recht aan de invloed van individuele gemeenten op overschrijding van de norm. Het advies werd niet opgevolgd en de macronorm werd ingevoerd.
  68. Welke doelstellingen lagen ten grondslag aan de OZB?
    • - Versterking van het rechtstreeks financieel belang van de inwoners van een gemeente bij het beleid door verruiming van het plaatselijk
    • belastinggebied;
    • - Het daarin vinden van een aansporing voor de gemeentelijke bestuurders om bij beslissingen omtrent het doen van uitgaven nut en offer nauwgezet af te wegen;
    • - Het mogelijk maken oneffenheden in de verdeling van de algemene uitkering op te vangen.
  69. Wat is de WOZ en wat bevat het?
    De WOZ bevat voorschriften voor de waardering van onroerende zaken als grondslag voor de belastingheffing.
  70. Wat was de reden voor het invoeren van de WOZ in 1997?
    Het streven naar duidelijkheid en uniformiteit bij het bepalen van een aantal belastingen en streven naar doelmatigheid door verbetering van de uitvoering van de belastingheffing.
  71. Welke 2 soorten belastingplichtigen kent de OZB?
    Gebruikers en Genothebbenden
  72. Wat is het uitgangspunt bij de bepaling van de waarden van een onroerende zaak en wat wilde de wetgever daarmee bereiken?
    Het vrije en onbezwaarde eigendom en onmiddellijk gebruik in volle omgang. De wetgever wilde hiermee bereiken dat alle onroerende zaken op gelijke wijze werden gewaardeerd.
  73. Welke onroerende zaken worden getaxeerd ten behoeve van waterschappen en waarvan is dit het gevolg?
    De kassenvrijstelling, kerkenvrijstelling, vrijstelling voor waterbeheersingswerken en vrijstelling voor rioolzuiveringsinstallaties. Deze gelden niet voor de WOZ. Doordat de OZB-vrijstellingen ruimer zijn dan de WOZ-vrijstellingen betekent dit dat de gemeenten de onroerende zaken die onder deze vrijstellingen vallen uitsluitend taxeert voor de waterschappen.
  74. Waarom is de term vrijstelling in verband met OZB onjuist en waarom werd de vorm van de vrijstellingen veranderd?
    Omdat niet het object wordt vrijgesteld maar de waarde ervan buiten aanmerking wordt gelaten. Dit maakt het mogelijk dat een onroerende zaak gedeeltelijk wel wordt belast en gedeeltelijk niet. De reden waarom de term veranderd is in waarderingsvoorschrift is omdat jurisprudentie heeft uitgewezen dat vrijstellingen in de oude vorm ertoe leidden dat een object niet deels kon worden vrijgesteld.
  75. Op welke 2 manieren kunnen vrijstellingen worden onderscheiden?
    Wettelijke en facultatieve + objectieve en subjectieve.
  76. Wat is het verschil tussen wettelijke en facultatieve vrijstellingen?
    Wettelijke vrijstellingen staan in de wet genoemd. Facultatieve zijn niet wettelijk vastgesteld.
  77. Wat is het verschil tussen objectieve en subjectieve vrijstellingen?
    • Objectieve vrijstelling zijn gekoppeld aan het object.
    • Subjectieve vrijstelling zijn gekoppeld aan de gebruiker of eigenaar.
  78. Waarom werd de mogelijkheid voor gemeentebesturen geopend om een aftop-
    en ingroeivariant toe te passen voor de OZB?
    Omdat de waardering van OZB door alle gemeenten op een vastgestelde waardepeildatum plaatsvindt 1x in de 4 jaar. Er wordt geen rekening gehouden met ontwikkelingen op de woningmarkt die tussentijds schokeffecten kunnen opleveren. De ingroei- en aftopvariant bieden mogelijkheden voor gemeenten om dit op te vangen. Belastingdrukverschijnselen kunnen dan worden gecompenseerd en hevige schommelingen in de belastingdruk wordt voorkomen.
  79. Wat is het verschil tussen de aftop- en de ingroeivariant?
    • De ingroeivariant biedt de mogelijkheid om de lastenstijging te spreiden in de tijd (bijv. het belastingbedrag bedraagt niet meer dan 115% van het voorgaande jaar, en dit een aantal jaren achter elkaar).
    • De aftopvariant biedt de mogelijkheid om de lastenstijging te bevriezen (bijv. niet meer dan 130% van het voorgaande jaar).
  80. Waaraan moet volgens de Raad voor de Financiële Verhoudingen een in te voeren macronorm voor het tarief van de OZB voldoen?
    • eenvoudig
    • eenduidig
    • praktisch uitvoerbaar
    • rekening houden met gemeentelijke
    • autonomie vwb voorzieningenniveau
    • rekening houden met de bufferfunctie van de OZB
    • rekening houden met gevolgen van decentralisatie
    • rekening houden met inflatie, areaal en waardeontwikkelingen
    • voor individuele gemeenten mag het geen verdere beperking inhouden van hun beleidsvrijheid ten aanzien van de tariefstelling.
  81. Waar gaat het om bij de financiële functie?
    De financiële functie ziet toe op alle zaken die van belang zijn voor de inrichting van de financiën van de gemeentelijke huishouding.
  82. Wat houdt de term “bestuurlijke planning en control” in?
    Kaderstellend, besturend, verantwoording afleggen en controleren.
  83. Waaruit blijkt het cyclische karakter van de financiële functie?
    Uit de jaarlijkse terugkerende heroriëntatie van het voorgenomen beleid.
  84. Wat houden de beginselen van preabiliteit en annaliteit in?
    • Preabiliteit = de gemeenteraad moet vooraf ramen en vaststellen;
    • Annaliteit  = de begroting moet betrekking hebben op een tijdvak, het kalenderjaar.
  85. Wat gebeurt er als de gemeenteraad weigert verplichte lasten op te nemen in de begroting?
    GS kunnen dat doen en voorzien zonodig in een dekking.
  86. Welke AMvB regelt de inrichting van de (meerjaren)begroting en de jaarrekening?
    Het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten.
  87. Wat is het grootste verschil tussen de verschillende begrotinsstelsels?
    Het verschil tussen beiden stelsels is het tijdstip waarop uitgaven en inkomsten worden vastgesteld en hoe deze uitgaven en inkomsten aan de tijd worden toegerekend.
  88. Welke categorie vereisten aan financiële gegevens hangt samen met het gekozen begrotingsstelsel?
    Toerekenen.
  89. Waardoor is het karakter en het beleidsmatige belang van de begroting- en jaarrekeningsprocedure sterkt toegenomen?
    • - emancipatie van de burger: burgers willen zien wat er met hun geld gebeurt;
    • - decentralisatie: door de vaak gedecentraliseerde grote taken van het rijk naar gemeenten, hebben gemeenten nu te maken met meer complexe en risicovolle taken bijv. voorzieningen voor gehandicapten en voorzieningen voor onderwijshuisvesting;
    • -  samenwerking tussen publieke sector en de private sector: is toegenomen, in de vorm van PPS;
    • - interne verzelfstandiging binnen de gemeenten
    • -  toenemende noodzaak tot professionalisering van de financiën.
  90. Welke functies heeft de gemeentebegroting?
    • 1. autorisatiefunctie
    • 2. allocatiefunctie
    • 3. controlerende functie
    • 4. geven van goed inzicht in de financiele positie
    • 5. beheerstechnische functie
    • 6. Verantwoordinsfunctie
  91. Wat waren de redenen om het Besluit Comptabiliteitsvoorschriften 1995 te vervangen door het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten?
    • - de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur: andere begrotings- en verantwoordingsopzet was noodzakelijk. Gemeenten zijn nu vrij om hun eigen begroting, ook wel programmabegroting of duale begroting, in te delen.
    • - de afbakening van BW boek 2, titel 9, ten aanzien van de vastleggings-voorschriften voor privaatrechtelijke rechtspersonen.
  92. Door welke verschillen tussen gemeenten en bedrijven is een gemodificeerd stelsel van baten en lasten gerechtvaardigd?
    • -  de autorisatie-, allocatie- en controlefunctie vormen een fundament van het democratisch stelsel en zijn dus essentieel voor een overheid.
    • -  afwezigheid van puur winstoogmerk. Alle activiteiten van bedrijven zijn gericht op winst, terwijl die van gemeenten is gericht op algemeen belang.
    • - afwezigheid noodzaak vermogen voor continuïteit. Bedrijven zijn gericht op vermogen en vermeerdering van vermogen, in tegenstelling tot gemeenten.
  93. Welke 5 eisen worden gesteld aan de financiële gegevens die voortvloeien uit de begrotingsfuncties?
    • 1. transparantie
    • 2. toerekenen
    • 3. voorzichtigheid
    • 4. rechtmatigheid
    • 5. getrouw beeld
  94. Wat houdt de eis van toerekenen in?
    Het vereiste van toerekenen houdt in, dat de gevolgen van transacties en andere gebeurtenissen in de administratie worden geboekt en in de jaarrekening verwerkt in de periode waarin zij zich voordoen of waarop zij betrekking hebben (en niet wanneer geldmiddelen ontvangen of betaald zijn). Met de raming wordt op dezelfde manier omgegaan. Door toepassing van het toerekenbaarheidsprincipe krijgen de gebruikers van de begroting en jaarrekening informatie die van belang is bij het nemen van beslissingen.
  95. Wie stelt de jaarrekening van een
    gemeente vast?
    De gemeenteraad.
  96. Wat is het directe gevolg van het besluit van de gemeenteraad of GS om de jaarrekening vast te stellen?
    Decharge van het college van B&W.
  97. Wat kan de betekenis zijn van de indemniteitsprocedure?
    Het kan voor de gemeenteraad een belangrijke versterking betekenen van het proces van het afleggen van verantwoording door het college van burgemeesters en wethouders.
  98. Waarom is in het BBV de wijze waarop toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves plaatsvinden, veranderd ten opzichte van de wijze waarop dit gebeurde onder het Besluit Comptabiliteitsvoorschriften?
    Omdat het niet zichtbaar genoeg is voor de gemeenteraad hoe reserves worden gevormd of benut.
  99. Waarom is er in het BBV voor gekozen de activering van de kosten voor onderzoek en ontwikkeling in te kaderen?
    Omdat bij gemeenten de activa niet altijd eenduidig is, activa worden niet alleen vanwege hun economische nut maar ook vanwege hun maatschappelijke nut geactiveerd.
  100. Waar staat IPSAS voor?
    International Public Sector Accounting Standards.
  101. Welke voordelen aan het BBV zijn er te onderkennen ten opzichte van IPSAS?
    • -   BBV is gebaseerd op een lange, levende traditie binnen de Nederlandse lokale overheid, IPSAS is dat niet;
    • -   kenmerkend voor het Nederlandse stelsel is dat verantwoordelijkheden worden gedelegeerd. IPSAS heeft een centralistische benadering.
    • -   het BBV is mede gebaseerd op de eigenheid van de gemeenten. Internationaal is dat nog niet gerealiseerd.
  102. Wat is de oorzaak van een indemniteitsprocedure?
    De oorzaak is het vermoeden bij de gemeenteraad bij het vaststellen van de jaarrekening dat één of meer uitgaven niet rechtmatig is geschied.
  103. Hoe wordt er gehandeld en door wie?
    • -   college wordt van het standpunt gelijk in kennis gesteld
    • -   binnen 2 maanden na ontvangst standpunt zendt het college een voorstel voor een indemniteitsbesluit aan de gemeenteraad. Hierin wordt van de onrechtmatigheid nader uitleg gegeven en wordt aangegeven hoe dit opgelost kan worden);
    • -   de vaststelling van de jaarrekening wordt opgeschort totdat de raad heeft besloten over het voorstel.
  104. Wat gebeurt er als de gemeenteraad het eens is over het ontwerp indemniteitbesluit?
    • -   jaarrekening wordt vastgesteld = college krijgt decharge;
    • -   binnen 2 weken na vaststelling maar vóór 15 juli wordt de vastgestelde jaarrekening naar GS gezonden;
    • -   voorstel indemniteitsbesluit en reactie van de gemeente is bijgevoegd.
  105. Wat gebeurt er als de gemeenteraad het niet eens is over het ontwerp indemniteitsbesluit of deze niet naar behoren vaststelt?
    • -  jaarrekening wordt niet vastgesteld;
    • -  college zendt ontwerp indemniteitsbesluit naar GS. GS kan ervoor zorgen dat het indemniteitsbesluit en de jaarrekening wel naar behoren vastgesteld wordt en dat het college alsnog decharge kijgt
  106. Wat wordt verstaan onder het “niet naar behoren” vaststellen van een besluit?
    Het zodanig vaststellen dat bepaalde lasten die wel zijn gedaan, buiten de jaarrekening gehouden worden.
  107. Uit welke onderdelen bestaat de eigenheid van gemeenten in relatie tot het jaarverslag en
    de jaarrekening?
    • -   openbare begroting
    • -   bedrijven streven naar vermogensvergroting met als doel continuïteit te waarborgen, gemeenten niet
    • -   activa van gemeenten hebben deels een ander karakter dan die van bedrijven 
    • -   een deel van de middelen van gemeenten is door derden gebonden qua bestedingsdoel
  108. Wat is de reden dat gemeenten investeringen in bijvoorbeeld bruggen en wegen op de reserves in mindering mogen brengen en er resultaatafhankelijk op mogen afschrijven?
    Deze activa zijn belangrijk voor gemeenten, de investeringen vereisen het goed verwerken van onderhoud in de begroting en meerjarenraming. Het niet activeren van deze activa draagt niet bijzonder bij aan inzicht in de financiële positie van de gemeente. Daarom gaat de voorkeur ernaar uit deze activa niet te activeren. Dit zou voor kleine gemeenten een probleem kunnen zijn want dan kunnen zij grote investeringen zoals rotondes niet doen. Daarom mogen investeringen met een meerjarig maatschappelijk nut mits gedaan in de openbare ruimte wel geactiveerd worden. Wel moeten ze op een zo kort mogelijke termijn worden afgeschreven, daarom mag dat op reserves en mag ook resultaatafhankelijk worden afgeschreven.
  109. Waar worden bestemmingsreserves en voorzieningen voor de jaarrekening van de gemeente geregeld en wat is de reden dat het begrip ruimer wordt gedefinieerd dan
    artikel 324 boek 2 BW?
    De begrippen worden in de BBV geregeld en daarin worden ze ruimer geïnterpreteerd. Reden is dat de gemeenten meer middelen voor een specifiek doel ontvangen dan bedrijven. Bovendien spelen reserves een veel belangrijkere rol bij de overheid vanwege de allocatiefunctie.
  110. Van welke ontwikkelingen is IPSAS het gevolgd?
    • -   internationalisering door globalisering en daardoor uniformering van regelgeving ten behoeve van de marktsector
    • -   wereldwijde behoefte aan goed bestuur door de overheid. Een betrouwbaar verslagleggingsstelsel kan de kredietwaardigheid van de overheid vergroten, waardoor goedkoper gelden
    • voor financiering van overheidstaken kunnen worden aangetrokken.
    • -   IPSAS kan als alternatief bieden voor landen die nog geen uitgebalanceerde set van regelgeving hebben (bijv. ontwikkelingslanden).
  111. Wat zou voor Nederland het voordeel zijn om de IPSAS-standaarden van toepassing te verklaren?
    Nederland kent verschillende verslagleggingstelsels, door het van toepassing verklaren van IPSAS zou veel individuele wet- en regelgeving overbodig worden.
  112. Wie bepaalt of er sprake is van een publieke taak die wordt gefinancierd?
    De decentrale overheden zelf.
  113. Wat zijn derivaten?
    Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan bepaalde onderliggende waarde.
  114. Welke zaken moeten in ieder geval worden opgenomen in het Financieringsstatuut?
    • - Algemene doelstellingen
    • - te hanteren richtlijnen
    • - limieten van de financieringsfunctie
    • - regels voor de ambtelijke organisatie van de financieringsfunctie
  115. Wat betekent het recht op financiële autonomie?
    Het recht om, binnen bepaalde grenzen, zelfstandig inkomsten te verwerven, uitgaven te doen en leningen aan te gaan.
  116. Mag een gemeente of een provincie geld uitlenen met als enig oogmerk het maken van
    winst?
    Nee
  117. Wat is de belangrijkste reden om sociaal krediet stringent te definiëren?
    Het voorkomen van oneerlijke concurrentie tussen gemeenschappelijke kredietbanken aan de ene kant en banken van financieringsmaatschappijen aan de andere kant.
  118. Wat is een kasgeldlimiet?
    De hoeveelheid geld overheden mogen lenen voor een periode van maximaal 1 jaar.
  119. Wat is Renterisiconorm?
    De hoeveelheid overheden mogen lenen voor een periode langer dan 1 jaar
  120. Waarom gaat het kabinet akkoord met een afwijkende renterisiconorm voor de waterschappen?
    De vaste schuld van de waterschappen zijn vele malen omvangrijker dan het begrotingstotaal. De nieuwe norm zou een beperking betekenen in mogelijkheden tot investering. Verder hebben waterschappen een groter weerstandsvermogen omdat hun inkomsten grotendeels bestaan uit eigen belastingen.
  121. Wat is de renterisiconorm voor decentrale overheden en is dat bij alle zo?
    Dat is 20%, voor waterschappen is dit echter 30%.
  122. Waar staat FIDO voor en wat treffen we daar aan?
    Wet Financiering Decentrale Overheden. Daarin staan regels met name voor het beheersen van financiële risico’s.
  123. Wat zijn de doelstellingen van de FIDO?
    • - bevordering van solide financiering en kredietwaardigheid van decentrale overheden.
    • - bevordering van het transparant maken van een solide financieringsbeleid.
    • - bewaken van de budgettaire stabiliteit van de overheid.
  124. Waar staat UFDO voor en wat treffen we daar aan?
    Uitvoeringsregeling Financiering Decentrale Overheden. Daar staan regels in inzake wat men jaarlijks met het jaarverslag mee moet zenden en de uitwerkingen van het kasgeldlimiet en de renterisiconorm.
  125. Waar staat RUDDO voor en wat treffen we daar aan?
    Regeling Uitzettingen en Derivaten Decentrale Overheden. Daar staan regels in omtrent het uitzetten van overtollige middelen en het gebruik van derivaten.
  126. Welke 2 kwalitatieve randvoorwaarden stelt de FIDO aan het financieringsbeleid?
    • -   Uitzettingen en derivaten moeten een prudent karakter hebben en niet gericht zijn op het genereren van inkomen door het lopen overmatig risico;
    • -   het aangaan en verstrekken van leningen en het verstrekken van garanties mag alleen voor de uitoefening van de publieke taak.
  127. Wat is het verschil tussen het risicoparagraaf zoals in het BBV en het financieringsparagraaf?
    In het financieringsparagraaf moeten de risico’s goed kwantificeerbaar zijn. Op voorhand is dus wel al vast te stellen welke bedragen maximaal met elk risico zijn gemoeid. In de risicoparagraaf moeten risico’s worden opgenomen die door het gemeentebestuur beperkt of niet beïnvloedbaar zijn en waarvoor geen reserve voor kan worden uitgetrokken.
  128. Wat vond het kabinet ten aanzien van het advies van de Raad voor Financiële Verhoudingen over de EMU-norm?
    Het kabinet onderschrijft de conclusie van de Raad dat decentrale overheden t.o.v. het Rijk een beperkt kapitaalbeslag hebben. Het is echter noodzakelijk om collectieve afspraken te maken om aan de EMU-norm te kunnen blijven voldoen. Hetkabinet vindt het geen goed plan om de definitie van de EMU-norm te heroverwegen.
  129. Wat is het standpunt van het kabinet t.a.v. hypotheken voor personeel van gemeenten en provincies en wat is de motivatie om af te wijken van het advies van de Raad?
    Kabinet wil wettelijke regel om deze hypotheken te verbieden, de Raad vond dat het verbod een detailuitwerking was die niet in de scope van FIDO paste. Het kabinet onderschrijft dat de norm en niet de gedetailleerde uitwerking centraal staan in de FIDO maar vind een explieciet verbod noodzakelijk daar de gemeenten daar niet zelf niet toe overgaan.
  130. Wat houdt de hypotheekverstrekking van gemeente en provincies is en is het rechtmatig?
    Gemeenten en Provincies mochten tegen een aantrekkelijk tarief aan personeel hypotheken verstrekken. Kabinet vond het onwenselijk omdat er risico wordt gelopen met publieke middelen, zonder dat een maatschappelijk doel wordt beoogd en omdat de gemeente haar gunstige positie op de kapitaalmarkt niet dient te gebruiken om zelf voor bank te spelen. Hoewel het op gespannen voet staat met de FIDO is het niet onrechtmatig.
  131. Mogen deelnemers aan een Gemeenschappelijke regeling een afwijkende kasgeldlimiet vaststellen?
    Ja, in de UFDO is die mogelijkheid opgenomen. Er moet wel evenwicht zijn tussen de duur van de financieringsbehoefte en de aangetrokken schuld. Het is niet toegestaan om korte financieringsmiddelen in te zetten voor een structurele behoefte.
  132. Wat is de doelstelling van de renterisiconorm en wordt daar in de nieuwe normering op ingespeeld?
    De norm beoogt om de besluitvorming over schuldlooptijden en het renterisico te laten meelopen in de besluitvorming bij de vaststelling van de begroting. Een doel van de nieuwe norm is vereenvoudiging doordat de variabelen van weinig betekenis niet meer daarin worden meegenomen. De norm is bedoeld om het budgettaire risico van rentestijgingen te maximaliseren.
  133. Wat is de bedoeling van de gemeentelijke financiële verordening?
    De sturende en controlerende functie van de gemeente te versterken.
  134. Wat betekenen de termen prijzen en tarieven?
    Prijzen die de gemeente in rekening brengt in een privaatrechtelijke relatie.
  135. Wanneer worden prijzen en tarieven vastgesteld?
    Bij de jaarlijkse vaststelling van de begroting of in het kader van de besluitvorming over een concreet project.
  136. Wat is de bedoeling van de controle verordening?
    Waarborging van de rechtmatigheid van het financiële beheer en de financiële organisatie.
  137. Als een accountant in dienst van een gemeente is, wie is dan bevoegd in aanstelling en ontslag?
    De gemeenteraad.
  138. Wat omvat financieel beheer?
    Beheershandelingen en de verslaglegging daarvan in administraties.
  139. Betekent een goedgekeurde verklaring van de accountant dat de jaarrekening geen fouten
    bevat?
    Nee, het betekent dat de jaarrekening geen fouten van materieel belang bevat.
  140. Wat wordt beoogd met horizontaal toezicht?
    Samenwerking met gemeenten centraal stellen. Afstemming vooraf waar nodig in plaats van controles en correcties achteraf.
  141. Wat is Tax Control Framework?
    Voldoende inzicht in de opzet, het bestaan en de werking van de fiscale interne beheersing.
  142. Aan welke regels moet de gemeentelijke
    financiële verordening in ieder geval voldoen en waar is dat geregeld?
    • - waardering en afschrijving
    • - grondslagen voor berekening van prijzen en tarieven voor rechten
    • - financieringsfunctie/treasuryfunctie.
    • Het staat in de gemeentewet art. 212.
  143. Aan welke eisen moet de accountantsverklaring voldoen en waar is dit geregeld?
    • - getrouw beeld
    • - rechtmatigheid baten, lasten en balanswijzigingen
    • - of de jaarrekening is opgesteld conform de daartoe geldende AMvB
    • - of het verslag van bevindingen aangeeft of de inrichting van het financieel beheer en de organisatie een getrouw en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en of in de jaarrekening onrechtmatigheden voorkomen.
    • Het is geregeld in de gemeentewet, art. 213.
  144. Welke categorieën begrotingsoverschrijdingen worden onderkent en wat is het effect op
    de accountantsverklaring?
    • - Wel overschrijding maar college is bij het doen van uitgaven wel binnen het door de gemeenteraad uitgezette beleid gebleven - de accountant kan, aan de hand van een door het college vastgesteld concept jaarrekening, aangeven dat de bedragen alsnog moeten worden geautoriseerd;
    • - Wel overschrijding die onrechtmatig kan worden genoemd omdat de uitgave bijv. strijdig is met een wettelijke bepaling of een door de gemeenteraad genomen beslissing. De onrechtmatigheid kan niet opgeheven door het vaststellen van de jaarrekening, er moet een indemniteitsprocedure komen.
  145. Wat betekenen doelmatigheid en doeltreffendheid en waarvoor is toetsing van deze begrippen van groot belang?
    • Doelmatigheid: de nagestreefde beleidsdoelen worden tegen zo gering mogelijke kosten bereikt.
    • Doeltreffendheid: het resultaat van beleid beantwoordt aan wat er met het beleid werd beoogd en de gestelde beleidsdoelen zijn verwezenlijkt.
    • Van groot belang voor de algemene oordeelsvorming over het gevoerde beleid.
  146. Is een convenant in het kader van horizontaal toezicht vrijblijvend voor betrokken partijen?
    Nee.
  147. Wat was het effect van het traditionele toezicht door de belastingdienst, welke risico’s waren eraan verbonden en wat levert horizontaal toezicht in dat verband op?
    Bij traditioneel toezicht controleert de belastingdienst achteraf. Dat kan aanleiding zijn voor correcties of aanvullende controles wat de gemeenten kan belasten, zeker als er naheffingen komen (nog 5 jaar na aangifte mogelijk). Gemeente kan betrokken raken in tijd- en geldrovende bezwaar- en beroepsprocedures. Bij horizontaal toezicht wordt getracht dit te voorkomen zodat de gemeente in een vroeg stadium weet wat het kan verwachten en probleemen vooraf  kunnen worden opgelost. Horizontaal betekent het een borging van de fiscale risico’s.
  148. Waarom was er behoefte aan een nieuw toezichtkader?
    • Nieuwe ontwikkelingen o.a.:
    • - dualisering gemeenten
    • - financieel toezicht moet zich meer gaan richten op de langere termijn en duurzaamheid van financieel beleid;
    • - rol van de overheid, minder regels en scherpere afbakening van verantwoordelijkheden moet leiden tot een andere overheid;
    • - duurzaam financieel evenwicht ipv sluitende begroting. Verschil tussen beiden is dat duurzaam financieel evenwicht op meerdere jaren slaat, het integrale beeld van begroting en meerjarenraming is leidend voor het oordeel van de toezichthouder.
  149. Wat betekent fiscaliseren?
    Dat een volksverzekering of andere heffing als zodanig ophoudt te bestaan doordat de premies in de belastingheffing worden ingevoerd en de uitkeringen uit de algemene middelen worden verstrekt.
  150. Waarom kan de AOW niet worden gezien als een verzekering?
    Omdat er geen sprake was van een relatie tussen de hoogte van de uitkering en de in het verleden betaalde premie.
  151. Wat was het grootste bezwaar tegen fiscalisering van de AOW?
    Dat fiscalisering van de AOW-premie materieel ongeveer hetzelfde effect zou hebben als invoering van een premieplicht voor 65-plussers.
  152. Wat is het nadeel van fiscaal stimuleringsbeleid?
    Dat als het beleid succesvol is, de inkomsten van de fiscus dalen of er compenserende maatregelen nodig zijn.
  153. Welk doel heeft de Tolwet en wie kan deze heffen?
    Regulering van het verkeer, kan worden ingevoerd door provincie, gemeente of waterschap.
  154. Waarom heeft VROM in 2004 de corporaties een aantal fiscale verplichtingen opgelegd?
    Om een einde te maken aan concurrentievervalsing, om tegemoet te komen aan de Europese regelgeving en om hogere belastingopbrengsten te genereren.
  155. Wat zag de Raad voor Cultuur als belangrijkste nadelen aan fiscalisering van de omroepbijdrage?
    • - directe relatie tussen betalen van omroepbijdrage en datgene wat men daarvoor terugkrijgt;
    • - er is een band tussen publieke omroep en burger die daarvoor betaalt. Fiscalisering snijdt in die band en ondergraaft daarmee de legitimering van de publieke omroep = gevoel van staatsomroep;
    • - lijkt alsof omroep gaat functioneren op basis van subsidie van de overheid met het gevaar van staatsomroep omdat de politiek zich daarmee zal willen bemoeien (zij bepalen hoogte belasting dus zullen ze ook wat over de inhoud willen zeggen).
  156. Waarom pleit de SER voor fiscalisering van de AOW en wie werden in de ogen van de SER het
    meest getroffen door fiscalisering?
    Met een geleidelijke fiscalisering werd een evenwichtiger inkomensontwikkeling gerealiseerd binnen de groep ouderen en tussen ouderen en jongeren. Met name de aanvullende pensioenen zouden worden getroffen.
  157. Welke verdergaande vorm van fiscalisering van sociale verzekeringen is denkbaar?
    Volledig geïntegreerde loon- en premieheffing waarbij de premies werknemersverzekeringen volledig geïntegreerd worden in (tarieven voor) loonheffing en ook niet meer te onderscheiden zijn.
  158. Welke andere manieren dan het stimuleren van elektrisch rijden zijn mogelijk om voldoende inkomsten bij het wegverkeer te kunnen innen? Wat zijn de bezwaren en welke
    mogelijkheden haalbaar?
    • - accijns innen op electriciteit: onwaarschijnlijk omdat je daarmee ook de mensen treft die geen auto rijden;
    • - verhogen wegenbelasting of BPM voor electrisch rijden; politiek nauwelijks haalbaar;
    • - zwaarder belasten van auto’s met interne verbrandingsmotor door hogere brandstofaccijns of wegenbelasting; ook moeilijk haalbaar want verhoging wegenbelasting zegt niets over gereden kilometers en hogere branstofprijzen gaan te ver uiteen lopen met rest van Europa.
    • Enige mogelijkheid is gerelateerd aan kilometerheffing of CO2-uitstoot.
  159. Waarom kiezen veel gemeenten voor fiscalisering van parkeren, naast strafrechtelijke
    handhaving?
    Zo wordt de mogelijkheid geboden bepaalde gebieden aan te wijzen waar parkeerapparatuur wordt geplaatst en waar fiscale handhaving van kracht is, naast gebieden waar dit niet het geval is. In die gebieden kunnen andere maatregelen komen (bijv. blauwe zone) waar strafrechtelijke afdoening mogelijk is. Op de kaart behorend bij de Parkeerverordening en de Verordening Parkeerbelastingen wordt aangegeven wat waar van kracht is.
  160. Wat hield fiscalisering van de huursubsidie oorspronkelijk in en hoe is de fiscalisering uiteindelijk ingevoerd?
    Oorspronkelijk wilde men de huur fiscaal aftrekbaar maken. Uiteindelijk is de fiscalisering vorm gegeven door de huurtoeslag die bij de belastingdienst moet worden aangevraagd.
  161. Wat is een fiscale illusie en is deze wenselijk?
    De burger weet niet hoeveel belasting hij betaalt, noch wat hij daarvoor terug krijgt. Gebrekkig inzicht in kosten en baten kan leiden tot economisch inefficiënte keuzen. Als de overheid wil dat de burger zelf meer keuzen maakt en verantwoordelijkheden draagt dan moet meer inzicht worden geboden in wat en hoeveel de burger daarvoor wil betalen. Of het wenselijk is hangt af van de context. Voor financiering van de basisvoorziening kan het handig zijn om gebruik te maken van de fiscale illusie, je wilt niet dat de burger calculeert wat men betaalt met wat men krijgt. In andere gevallen moet de overheid motiveren dat de burger weet waarvoor hij betaalt.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview