NIMA Marketing A hfd 32

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
280055
Filename:
NIMA Marketing A hfd 32
Updated:
2014-07-31 08:16:49
Tags:
NIMA Marketing hfd 32
Folders:
NIMA Marketing A hfd 32
Description:
NIMA Marketing A hfd 32
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Noem de drie vormen van primair onderzoek
    • observatie
    • experiment
    • ondervraging
  2. Omschrijf de observatiemethode
    Het planmatig registreren van waarnemingen bij personen of van materiële dingen. Het kan gedaan worden door een persoon of met behulp van apparatuur.
  3. Omschrijf observatie eenvoudig
    Het waarnemen van de werkelijkheid en de waarnemingen registreren
  4. Waarvoor gebruiken we observatie zoal?
    • gedrag van consumenten bestuderen
    • voorraden, verkopen of prijzen bij detaillist bepalen
  5. Noem twee voordelen van de observatiemethode
    • eenvoudig
    • objectief (haast geen bias)
  6. Wat is bias?
    Een vertekening van de uitkomsten van een onderzoek
  7. Wat is een nadeel van de observatiemethode?
    Men registreerd alleen wat men ziet en bestudeert niet de achterliggende gedachten
  8. Noem de drie vormen van de observatiemethode in de detailhandel
    • shoptest
    • scanning
    • detailistenpanel
  9. Omschrijf de shoptest
    Een shopping lady komt in de winkel en doet alsof ze een klant is
  10. Hoe noemen we het onderzoek waarbij een onderzoeker zich in de winkel als klant gedraagt?
    shoptest
  11. Wat is een mystery buyer?
    Een shopping lady, vaak in odracht van een producent, marktonderzoeksbureau of groothandel. Hij controleert de omstandigheden van een bepaald product in de winkel.
  12. Waar staat EAN voor?
    Europees Artikel Nummer
  13. Welke 6 gegevens kunnen we met scanning achterhalen?
    • welk product het is
    • wat de prijs is
    • wanneer het is gekocht
    • in welke winkel het is gekocht
    • wat het assortiment is van de winkel waar het gekocht is
    • wat de consument nog meer heeft gekocht
  14. Hoe noemen we een aantal winkels dat scan informatie bijhoudt en doorgeeft t.b.v. onderzoek?
    scanningpanel
  15. Hoe is de EAN-code opgebouwd?
    • eerste twee letters zijn voor het land dat de code op het product heeft gezet (systeemcode)
    • erna het nummer van de aanvrager (aansluitnummer) (producent)
    • overige nummers staan voor het artikel
    • het laatste getal 0 is een controle getal
  16. Wat is het bedrijfsnummer?
    Het systeemnummer en het aansluitnummer
  17. Hoe noemen we het systeemnummer en het aansluitnummer samen?
    het bedrijfsnummer
  18. Hoe noemen we de elektronische dataverwerking die een gevolg is van scanning?
    Electronic Data Interchange (EDI)
  19. Wat is EDI?
    Electronic Data Interchange
  20. Omschrijf het detaillistenpanel
    Een vaste groep van detailhandelsondernemingen waarbij continu (wekelijks, maandelijks etc.) gegevens worden verzameld.
  21. Hoe noemen we de groep detaillisten bij wie regelmatig gegevens worden verzameld?
    detaillistenpanel
  22. Welke organisatie is de grootste in detaillistenpanelonderzoek?
    Nielsen
  23. Wat doet Nielsen?
    detaillistenpanel onderzoek
  24. Noem twee benamingen voor het Nielsen detaillistenpanel onderzoek
    • Nielsen Store Audit
    • Nielsen Retail Index
  25. Wat registreerd Nielsen hoofdzakeijk bij het detaillistenpanel?
    wat men heeft ingekocht, wat de voorraden zijn en wat men heeft verkocht
  26. Hoe berekent Nielsen de verkopen van detaillisten?
    vorige voorraad + inkopen - huidige voorraad = verkopen
  27. Hoe worden de Nielsen gegevens (geografisch) ingedeeld?
    • nationaal
    • per winkeltype
    • per Nielsen district
  28. Noem de vijf Nielsen districten
    • Amsterdam - Rotterdam - Den Haag e.o.
    • West (Utrecht)
    • Oost (Overijssel, Gelderland, Flevoland)
    • Noord (Friesland, Groningen, Drenthe)
    • Zuid (Zeeland, Noord-Brabant, Limburg)
  29. Wat is het belangrijkste doel van het Nielsen detaillistenpanel onderzoek?
    controle op het distributiebeleid en segmenteren op detailhandelsniveau
  30. In o.a. welke drie punten geeft het Nielsen detaillisten panelonderzoek inzicht?
    • grootte en ontwikkeling van de markt, (inter)nationaal
    • marktpositie eigen merk en dat van de concurrentie
    • verkrijgbaarheid, omzetsnelheid en voorraadpositie eigen merk en concurrerende merken
  31. Waarom heeft Nielsen geen monopoliepositie meer?
    Door de opkomst van scanning is het eenvoudiger geworden data te verzamelen
  32. Welke 4 methoden kennen we bij observerend consumentenonderzoek?
    • pantrycheck
    • dustbincheck
    • kijk- en luisteronderzoek
    • consumentenpanel
  33. Omschrijf de pantrycheck
    De consument registreert met behulp van scanning apparatuur welke producten hij in huis heeft.
  34. Noem van de pantrycheck twee nadelen
    • Niet van alle producten wordt een voorraad gehouden
    • De aanwezigheid van een product zegt niets over het gebruik
  35. Hoe noemen we het onderzoek waarbij consumenten registreren wat ze in huis hebben?
    pantrycheck
  36. Omschrijf de dustbincheck
    Men registreert welke verpakkingen zijn weggegooid
  37. Wat is een nettere manier van dustbincheck?
    mensen vragen bepaalde producten in een aparte afvalbak te deponeren
  38. Wat is het doel van de dustbincheck?
    het verbruik registreren
  39. Hoe kunnen we het verbruik van een product onderzoeken?
    met de dustbincheck
  40. Voor welk soort producten is de dustbincheck geschikt?
    producten die gevoelig liggen, zoals condooms
  41. Welke onderzoeksmethode bij consumenten kan men gebruiken bij producten die gevoelig liggen?
    dustbincheck
  42. Wie voert het kijk- en luisteronderzoek uit?
    Intomart GfK
  43. Wat doet Intomart GfK?
    Uitvoeren van het kijk- en luisteronderzoek en het Continu Luisteronderzoek (CLO)
  44. Waar staat CLO voor?
    Continu Luisteronderzoek
  45. Wat is de kijkdichtheid?
    Het percentage (van 6 jaar en ouder) dat naar een bepaalde zender heeft gekeken
  46. Hoe noemen we het percentage mensen van 6 jaar en ouder dat naar een bepaalde zender heeft gekeken?
    de kijkdichtheid
  47. Welk onderscheid maken we binnen de kijkdichtheid?
    • toestelbereik
    • persoonsbereik
  48. Wat is de kijkmeter?
    een meter die registreert op welke zender de tv van een huishouden staat.
  49. Omschrijf het consumentenpanel
    Een vaste groep huishoudens of consumenten die representatief is voor de populatie waaruit een steekproef getrokken wordt
  50. Wat kan men met het consumentenpanel gemakkelijk opsporen?
    • verschuivingen in de markt
    • koopintensiteit
    • gebruiksintensiteit
    • mate van merkentrouw
    • invloed van promotionele acties
    • etc.
  51. Wat is de ConsumerScan?
    Het apparaat waarmee consumenten uit een consumentenpanel hun producten scannen
  52. Welke organisatie is zeer belangrijk bij consumenten panelonderzoek?
    GfK Panelservices
  53. Wat bestuderen we bij een experiment?
    oorzaak-gevolg relaties
  54. Welk onderscheid maken we binnen experimenten?
    • ongecontroleerd experiment
    • gecontroleerd experiment
  55. Wat is ongecontroleerd experiment?
    experiment waarbij men de werkelijkheid zo min mogelijk probeert te manipuleren
  56. Noem twee andere benamingen van ongecontroleerd experiment
    • pre-experiment
    • quasi-experiment
  57. Noem twee andere benamingen van pre-experiment
    • ongecontroleerd experiment
    • quasi-experiment
  58. Noem twee andere benamingen van quasi-experiment
    • pre-experiment
    • ongecontroleerd experiment
  59. Wat is een andere naam voor gecontroleerd experiment?
    true-experiment
  60. Wat is een ander woord voor true-experiment?
    gecontroleerd experiment
  61. Omschrijf het gecontroleerd experiment
    Men probeert zoveel mogelijk de omstandigheden, verstorende invloeden, te manipuleren (uitschakelen)
  62. Hoe noemen we de variabelen waarmee geëxperimenteerd wordt?
    experimentele variabelen
  63. Wat zijn experimentele variabelen?
    variabelen waarmee geëxperimenteerd wordt
  64. Noem een aantal voorbeelden van experimentele variabelen
    • prijsniveau
    • kortingen
    • verpakkingen
    • advertenties
    • andere marketinginstrumenten
  65. Hoe noemen we de variabelen bij gecontroleerd experiment die we onder controle willen houden?
    omgevingsvariabelen
  66. Noem voorbeelden van omgevingsvariabelen van een experiment
    • weersomstandigheden
    • activiteiten van de concurrentie
    • economische ontwikkelingen
  67. Op welke twee manieren kunnen we omgevingsvariabelen controleren?
    • uitschakelen
    • werken met controle- en test eenheden
  68. Omschrijf de methode van controle- en test eenheden toepassen
    In een aantal winkels blijft allen hetzelfde, de resultaten van de verkoop worden vergeleken met winkels waar de experimentele variabele wordt toegepast
  69. Hoe noemen we de winkel bij het gecontroleerde experiment die dient om de winkel waar geëxperimenteerd wordt tegen af te zetten?
    controlewinkel
  70. In welke twee groepen delen we het gecontroleerde experiment op?
    • laboratoriumexperiment
    • veldexperiment
  71. Omschrijf het laboratoriumexperiment
    een onderzoek dat plaatsvindt onder kunstmatige omstandigheden
  72. Voor welke tests gebruiken we vaak laboratorium experiment?
    producttests
  73. Welke onderzoeksmethode is zeer geschikt voor producttests?
    gecontroleerd laboratoriumonderzoek
  74. Wat is een ander woord voor productvergelijking?
    paired comparison
  75. Wat is een ander woord voor paired comparison?
    productvergelijking
  76. Noem een aantal voorbeelden van ruimtes waarin laboratoriumexperiment kan plaatsvinden
    • speciale ruimte bij marktonderzoeksbureau
    • mobiel onderzoek
    • testwinkel of proefwinkel
  77. Omschrijf veldexperiment
    experiment in de natuurlijke, dagelijkse omgeving
  78. Noem 4 vormen van het veldexperiment
    • winkelexperiment
    • productuitzetting
    • testmarkt
    • split-run-test
  79. Omschrijf het winkelexperiment
    Men zet in verschillende winkels verschillende uitvoeringen van de marketingmix getest
  80. Hoe noemt men het onderzoek waarbij men in verschillende winkels verschillende concepties van de marketingmix uitprobeert.
    winkelexperiment
  81. Noem twee andere benamingen van het winkelexperiment
    • winkeltest
    • in-store-test
  82. Noem twee andere benamingen van winkeltest
    • winkelexperiment
    • in-store-test
  83. Noem twee andere benamingen van in-store-test
    • winkelexperiment
    • winkeltest
  84. Omschrijf productuitzetting
    een (nieuw) product wordt aan de doelgroep gegeven om het uit te proberen en later wordt hen gevraagd wat zij ervan vonden
  85. Hoe noemen we het als consumenten een product ontvangen om thuis uit te proberen?
    in-home-use test of productuitzetting
  86. Omschrijf een testmarkt
    Onder zo normaal mogelijke omstandigheden wordt in een beperkt gebied met een representatieve doelgroep een product op de markt gebracht
  87. Hoe noemen we het als een organisatie een product op de markt brengt bij een klein deel van de doelgroep dat representatief is voor de volledige doelgroep?
    een testmarkt
  88. Wat is het doel van een testmarkt experiment?
    mate van productacceptatie testen
  89. Omschrijf de split-run-test
    een test die advertenties test
  90. Op welke twee manieren kunnen we de split-run-test uitvoeren?
    • een advertentie uitzetten bij twee verschillende doelgroepen
    • twee verschillende advertenties tonen aan de doelgroep en kijken op welke de meeste reactie is
  91. In welke twee groepen delen we de vraagstellingmethode?
    • interview of groepsdiscussie
    • enquête
  92. Wat is het doel van de groepsdiscussie of het interview?
    het opvangen van kwalitatieve uitspraken
  93. Wat is het doel van een enquête?
    Het opvangen van kwantitatieve uitspraken
  94. Wat is een andere naam voor de enquête?
    vragenlijstmethode
  95. Wat is een andere naam voor de vragenlijstmethode?
    enquête
  96. Noem 3 woorden die kenmerkend zijn voor de groepsdiscussie of het interview
    • informeel
    • ongestructureerd
    • interactie
  97. Noem 3 woorden horend bij de enquête
    • gestructureerd
    • formeel
    • gestandaardiseerd
  98. Wat komt naar voren met kwalitatief onderzoek?
    • achterliggende motieven
    • gedragingen
    • meningen
    • houdingen
    • belevingen
  99. Welk onderzoek past men toe om erachter te komen waarom iemand een voorkeur voor een bepaald merk heeft?
    kwalitatief onderzoek
  100. Op welke drie manieren kunnen we het kwalitatief onderzoek gebruiken?
    • als voorbereiding op het kwantitatief onderzoek
    • om de cijfermatige uitkomst van het kwantitatieve onderzoek te verklaren
    • als zelfstandige onderzoeksvorm
  101. Hoe noemt men het onderzoek waarbij men graaft naar achterliggende gedachten?
    psychologisch marktonderzoek
  102. Welk onderzoek past men toe om de resultaten van het kwantitatieve onderzoek te verklaren?
    kwalitatief onderzoek
  103. Noem de drie vraaggespreksmethoden
    • persoonlijk interview
    • groepsdiscussie
    • Delphi-methode
  104. In welke twee groepen delen we het persoonlijke interview?
    • open interview
    • half-gestructureerde interview
  105. Wat is een andere benaming voor het open interview?
    vrije interview
  106. Wat is een andere benaming voor het vrije interview?
    open interview
  107. Wat is een andere benaming voor het half-gestructureerde interview?
    semi-gestructureerd interview
  108. Wat is een andere benaming voor het semi-gestructureerde interview?
    half-gestructureerde interview
  109. Hoe verloopt het persoonlijke, open interview?
    Men voert een gesprek aan de hand van gesprekspunten en probeert de ondervraagde zo vrij mogelijk te laten spreken
  110. Hoe noemt men persoonlijke, open interviews ook wel?
    diepte interviews
  111. Wat zijn diepte interviews?
    persoonlijke, open interviews
  112. Omschrijf het half-gestructureerde interview
    De interviewer geeft een bepaalde structuur aan het gesprek.
  113. Wanneer zetten we persoonlijke interview onderzoek in?
    Bij hypothesevorming en vooronderzoek
  114. Welke vorm van vraagstelling-onderzoek is geschikt voor hypothesevorming en vooronderzoek?
    half-gestructureerde interview
  115. Wat zijn twee andere benamingen voor groepsdiscussie?
    • paneldiscussie
    • focus-groep onderzoek
  116. Wat zijn twee andere benamingen voor paneldiscussie?
    • focus-groep onderzoek
    • paneldiscussie
  117. Wat zijn twee andere benamingen voor focus-groep onderzoek?
    • paneldiscussie
    • groepsdiscussie
  118. Voor welke doeleinden wordt groepsdiscussie toegepast?
    • hypothesevorming
    • testen nieuwe producten
    • advertenties, imago's, organisaties bespreken
  119. Omschrijf de Delphi-methode
    Een panel van deskundigen wordt (individueel) om hun mening gevraagd. Na elke ronde vragen krijgen zij inzicht in de resultaten om daar hun mening over te geven.
  120. Omschrijf de enquête
    Dataverzameling aan de hand van een uniforme en gestructureerde vragenlijst
  121. Wat is het doel van de enquête?
    opvangen van kwantitatieve uitkomsten
  122. Welke vier enquêtevormen kennen we?
    • persoonlijke enquête
    • schriftelijke enquête
    • telefonische enquête
    • online onderzoek
  123. Omschrijf de persoonlijke enquête
    een mondeling, face-to-face vraaggesprek aan de hand van een vragenlijst
  124. Wat is een andere naam voor de persoonlijke enquête?
    mondelinge enquête
  125. Wat is een andere naam voor mondelinge enquête?
    persoonlijke enquête
  126. Hoe noemen we de enquêtevorm waarbij iemand face-to-face wordt ondervraagt?
    persoonlijke of mondelinge enquête
  127. Wat is het belangrijkste voordeel van het persoonlijke interview en waarom?
    De hoge mate van respons, tijdens een gesprek kan men wat druk uitoefenen op de ondervraagde zodat die toch antwoord
  128. Wat is het grootste nadeel van het persoonlijk interview?
    hoge kosten
  129. Wat is een andere naam voor schriftelijke enquête?
    postaal onderzoek
  130. Wat is een andere naam voor postaal onderzoek?
    schriftelijke enquête
  131. Omschijr de schriftelijke enquête
    De ondervraagden vullen een formulier in
  132. Wat is het grootste voordeel van de schriftelijke enquête?
    het invultijdstip is flexibel
  133. Wat is het grootste nadeel van de schriftelijke enquête?
    zeer lage respons
  134. Wat verstaan we onder de selectieve respons?
    Alleen een bepaald type consumenten reageert op een enquête
  135. Wat is een ander woord voor selectieve respons?
    zelf-selecterende steekproef
  136. Wat is een ander woord voor zelf-selecterende steekproef?
    selectieve respons
  137. Wat bedoelen we met de zelf selecterende steekproef?
    Alleen een bepaald type personen reageert op een enquête
  138. Op welke 6 manieren kan men de respons vergroten?
    • persoonlijk adresseren
    • reminder sturen
    • begeleidingsbrief met doel van onderzoek vermeld
    • retourenveloppe meesturen
    • beloning voor retournatie
    • waarborgen anonimiteit
  139. Welk hulpmiddel speelde een belangrijke rol bij de opkomst van de telefonische enquête?
    Computer Assisted Telephone Interviewing (CATI)
  140. Waar staat CATI voor?
    Computer Assisted Telephone Interviewing
  141. Omschrijf Computer Assisted Telephone Interviewing
    Het voeren van een telefoon gesprek waarbij de computer de routing bepaalt en de gegevens gelijk verwerkt.
  142. Wat is het grootste callcenter van Nederland?
    EDCC
  143. Wat is EDCC?
    Het grootste callcenter van Nederland
  144. Wat is een webcenter?
    Een unit van EDCC die gespecialiseerd is in online veldwerk
  145. Welk hulpmiddel kan gebruikt worden bij de mondelinge enquête?
    Computer Assisted Interviewing (CAI)
  146. Wat is CAI?
    Computer Assisted Interviewing
  147. Wat is Computer Assisted Interviewing?
    De interviewer gebruikt de computer voor het opslaan en verwerken van gegevens tijdens een interview, of laat de ondervraagde zelf de gegevens invullen
  148. Bij welke soort enquête kan men veel en gecompliceerde vragen stellen?
    mondelinge enquête
  149. Bij welke vormen van enquête kan men niet teveel en geen gecompliceerde vragen stellen?
    schriftelijke, telefonische en online enquete
  150. Bij welke vorm van enquête is het potentiële bereik niet volledig maar groot?
    online enquête
  151. Welke vormen van enquêtes hebben een hoge respons?
    mondelinge en telefonische enquête
  152. Welke vorm van enquête heeft een lage respons?
    schriftelijke enquête
  153. Welke vorm van enquete heeft een redelijke respons?
    online enquête
  154. Welke vormen van enquête hebben grote flexibiliteit bij het tijdstip van beantwoorden?
    schriftelijke en online enquête
  155. Bij welke vormen van enquête is er geen contact tussen interviewer en ondervraagde?
    schriftelijk en online enquête
  156. Bij welke vormen is het gebruik van toonmateriaal mogelijk?
    mondelinge en online enquête, bij schriftelijk een beetje
  157. Welke vormen van enquête verlopen snel?
    telefonische en online enquête
  158. Is de mondelinge enquête een snel of een traag onderzoek?
    matig
  159. Welke vorm van enquête heeft als enige zeer hoge kosten?
    mondeling onderzoek

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview