NIMA Marketing A hfd 32.2

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
280064
Filename:
NIMA Marketing A hfd 32.2
Updated:
2014-07-31 10:59:55
Tags:
NIMA Marketing hfd 32
Folders:
NIMA Marketing A hfd 32.2
Description:
NIMA Marketing A hfd 32.2
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat zijn twee benamingen voor vertekeningen van de antwoorden van een enquête?
    • antwoordtendentie
    • bias
  2. Wat is een ander woord voor antwoordtendentie?
    bias
  3. Wat is een ander woord voor bias?
    antwoordtendentie
  4. Noem vijf oorzaken van fouten in een enquête
    • non-respons
    • foutieve interpretatie door respondent
    • foutieve interpretatie door enquêteur
    • selectie van de respondenten
    • beïnvloeding door de enquêteur
  5. Wat is non-respons?
    Geen of onvolledig antwoord op een enquête
  6. Wanneer wordt non-respons een groot probleem?
    Als een bepaalde groep niet antwoordt en daardoor de representativiteit van het onderzoek wordt aangetast
  7. Waarom is het belangrijk om de reden van non-respons te achterhalen?
    Om er met de interpretatie van de gegevens rekening mee te kunnen houden
  8. Wat gebeurd er als een ondervraagde meerdere keren achterelkaar gedwongen is een negatief antwoord te geven?
    Men zal (onterecht) een positief antwoord geven
  9. Hoe kan de selectie van respondenten de mist ingaan?
    Men richt zich onbewust meer op mensen die gemakkelijk antwoorden, uit een bepaalde doelgroep
  10. Hoe kan een enquêteur de antwoorden van een ondervraagde verkeerd interpreteren?
    Ze denken te horen wat ze graag willen horen
  11. Op welke twee manieren delen we de soorten vragen in?
    • open vragen en gesloten vragen
    • directe en indirecte vragen
  12. Omschrijf de open vraag
    De ondervraagde kan geheel vrij antwoorden en hoeft niet te kiezen uit een aantal voorgelegde opties
  13. Waarvoor past men open vragen toe?
    • verkrijgen van meningen
    • als er heel veel antwoorden mogelijk zijn
  14. Welke soort vragen stelt men als men een mening wil weten?
    open vragen
  15. Welk soort vragen stelt men als er heel veel mogelijke antwoorden zijn?
    open vragen
  16. Hoe verwerken we open vragen?
    we delen ze in in klassen of categorieën, oftewel coderen
  17. Wat is het coderen van open vragen?
    De antwoorden categoriseren of indelen in klassen
  18. Omschrijf de gesloten vraag
    Een vraag waarbij men moet kiezen uit een aantal antwoorden
  19. Hoe noemen we een vraag waarbij men moet kiezen tussen twee voorgelegde opties?
    dichotome vraag
  20. Wat is een dichotome vraag?
    een vraag waarbij men moet kiezen tussen twee antwoorden
  21. Wat is een multiple choice vraag?
    Een vraag waarbij men 1 optie kiest uit een aantal (meer dan twee) voorgelegde opties
  22. Wat is een ander woord voor multiple choice vraag?
    meerkeuzevraag
  23. Wat is een ander woord voor meerkeuzevraag?
    multiple choice vraag
  24. Hoe noemen we de multiple choice vraag waar er ook een of meer opties zijn die niet opgelegd zijn maar open voor eigen invulling?
    half openvragen
  25. Omschrijf meervoudige vragen
    Men kan meerdere opties uit een aantal opgelegde opties kiezen
  26. Hoe noemen we de vraag waarbij men meerdere opties kan kiezen?
    meervoudige vraag
  27. Wat is het verschil tussen de directe en indirecte vraagstelling?
    De directe vraag gaat over de ondervraagde, de indirecte vraag gaat over de derde persoon, maar wel met als doel het gedrag of de motieven van de ondervraagde te achterhalen
  28. Waarvoor gebruikt men de indirecte vraagstelling?
    Voor gevoelig liggende onderwerpen
  29. Welke vraagstelling gebruikt men voor gevoelige onderwerpen?
    indirecte vraagstelling
  30. Wat is een andere benaming voor indirecte vraagstelling?
    derde-persoontechniek
  31. Wat is een ander woord voor derde persoontechniek?
    indirecte vraagstelling
  32. Aan welke 5 eisen dient de vraagformulering te voldoen?
    • gebruik begrijpelijke taal
    • stel geen suggestieve vragen
    • laat vragen niet op meerdere manieren interpreteerbaar zijn
    • vraag geen twee dingen tegelijk
    • stel duidelijke vragen
  33. Welke zes regels gelden er voor de opbouw van de vragenlijst?
    • logisch verloop
    • begin met makkelijke, inleidende vragen
    • stel daarna de moeilijkere vragen
    • gebruik de funneltechniek: eerst een algemene vraag en dan specificeren
    • stel vragen die irritant kunnen zijn als laatste
    • hou het zo kort mogelijk
  34. Wat is de funneltechniek?
    Eerst algemene vragen stellen, dan inzoomen en specificeren
  35. Hoe noemen de opbouw van een vragenlijst waarbij men eerst algemene vragen stelt en dan specifiekere?
    funneltechniek
  36. Wat gaat er vooraf aan de pilot-study?
    prepilot
  37. Omschrijf de prepilot
    Een verkennend onderzoek met interviews om mogelijke antwoorden van de vragenlijst te achterhalen.
  38. Hoe noemen we het onderzoek voorafgaand aan de pilot-study?
    prepilot
  39. Hoe noemen we het onderzoek voorafgaand aan het opstellen van de definitieve vragenlijst?
    pilot-study of proefenquête
  40. Wat zijn de twee belangrijkste doelen van een proefenquête of pilot-study?
    • fouten in de vragenlijst achterhalen
    • meten hoeveel tijd het invullen van de lijst in beslag neemt
  41. Wat is een hulpmiddel bij het coderen van open vragen?
    het codeboek
  42. Wat is het codeboek?
    Het overzicht van de gecodeerde antwoorden van een vragenlijst
  43. Hoe geven we de resultaten van een onderzoek weer?
    In een frequentietabel
  44. Noem drie voorbeelden van een frequentietabel
    • lijndiagram
    • staafdiagram
    • cirkeldiagram
  45. Omschrijf een crossing
    Twee of drie vragen worden gecombineerd om te kijken of er een verband is tussen de vragen.
  46. Wat is een ander woord voor crossing?
    kruistabel
  47. Wat is een ander woord voor kruistabel?
    crossing
  48. Waarvoor worden schalen met name gebruikt?
    Het meten van gevoelens, opinies etc.
  49. Noem de 4 schaaltypen
    • nominale schaal
    • ordinale schaal
    • intervalschaal
    • ratioschaal
  50. Wat is een nominale schaal?
    Een schaaltype zonder ordening tussen de schaalwaarden. Het doel is de schaalwaarden te onderscheiden.
  51. Leg simpel uit wat een nominale schaal doen
    We plakken een naamkaartje op de verschillende schaalwaarden
  52. Kan men rekenkundige bewerkingen toepassen op de nominale schaal?
    nee
  53. Wat is een ordinale schaal?
    Een schaaltype waarbij er een rangorde tussen de schaalwaarden is, maar geen gelijke intervallen.
  54. Wat is een ander woord voor ordinale schaal?
    rangordeschaal
  55. Wat is een ander woord voor rangorde schaal?
    ordinale schaal
  56. Hoe noemen we de schaal waarbij we slechts een naamkaartje toekennen aan de verschillende schaalwaarden?
    nominale schaal
  57. Hoe noemen we het schaaltype waarbij we de schaaltypen ordenen, zonder dat er een gelijke afstand is tussen de intervallen tussen de schaalwaarden?
    ordinale schaal of rangorde schaal
  58. Omschrijf de intervalschaal
    Een schaaltype met ordening tussen de schaalwaarden waarvan de intervallen gelijk zijn. Er is geen vast (natuurlijk) nulpunt.
  59. Hoe noemen we de schaal met gelijke intervallen, maar zonder natuurlijk nulpunt?
    intervalschaal
  60. Noem twee voorbeelden van de intervalschaal
    • jaartelling
    • Celsius
  61. Omschrijf de ratioschaal
    Een schaaltype met rangorde met gelijke intervallen en een natuurlijk nulpunt. Men kan ermee meten.
  62. Welke schaal is een meetlat?
    De ratioschaal
  63. Welke schaal heeft een rangorde, gelijke intervallen en een natuurlijk nulpunt?
    de ratioschaal
  64. Hoe noemen we de 4 schaaltypen tegenwoordig?
    • nominaal meetniveau
    • ordinaal meetniveau
    • interval meetniveau
    • ratio meetniveau
  65. Op welke twee manieren kunnen we de schaaltypen indelen?
    • verbaal en non-verbaal
    • unipolair en bipolair
  66. Wat is het verschil tussen unipolaire en bipolaire schalen?
    bij unipolair is er aan een kant een uiterste, bij bipolair aan twee kanten van de lijn
  67. Hoe noemen we een schaal met aan 1 kant een waarde/variabele?
    een unipolaire schaal
  68. Noem de drie schaaltechnieken
    • semantische differentiaal
    • Likert-schaal
    • Stapel-schaal
  69. Noem twee andere benamingen van de semantische differentiaal
    • Osgood-schaal
    • semantische contrastparen
  70. Noem twee andere benamingen van de Osgood-schaal
    • semantische differentiaal
    • semantische contrastparen
  71. Noem twee andere namen voor de semantische contrastparen
    • semantische differentiaal
    • Osgood-schaal
  72. Omschrijf de semantische differentiaal
    Een ordinale, bipolaire schaal met 5 tot 7 punten. De ondervraagde dient aan te geven in hoeverre hij de woorden bij een bepaald onderwerp vindt passen
  73. Hoe noemen we de ordinale, bipolaire schaal waarbij men moet aangeven in hoeverre men de woorden bij een bepaald onderwerp vindt passen.
    • Osgood-schaal
    • semantische differentiaal
    • semantische contrastparen
  74. Voor het meten van wat is de semantische differentiaal geschikt?
    het meten van attitudes
  75. Met welke schaaltechniek kunnen we attitudes meten?
    • semantische differentiaal
    • semantische contrastparen
    • Osgood-schaal
  76. Welke twee bipolaire, ordinale schaaltechnieken kennen we?
    • Osgood schaal
    • Likert schaal
  77. Omschrijf de Likert schaal
    Bipolaire, ordinale schaal waarbij ondervraagde aangeeft in hoeverre hij het eens is met de stelling
  78. Hoe noemen we de schaal waarbij de ondervraagde aangeeft in hoeverre hij het eens is met een stelling?
    Likert schaal
  79. Worden de Likert schaal en Osgood schaal als intervalschalen gebruikt?
    ja
  80. Wat is een andere naam voor Stapel-schaal?
    scalometer
  81. Wat is een andere naam voor scalometer?
    Stapel-schaal
  82. Omschrijf de scalometer
    non-verbale, ordinale, unipolaire schaal. Variant op de semantische differentiaal. In het midden van een verticale staat een woord en men kruist zijn mening op de lijn aan

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview