unidad 9

Card Set Information

Author:
celine
ID:
280096
Filename:
unidad 9
Updated:
2014-08-01 09:38:37
Tags:
spaans
Folders:

Description:
woordenlijst
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user celine on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. persoonlijke betrekkingen
    las relaciones personales
  2. bij de familie horen
    ser de la familia
  3. team, ploeg
    el equipo
  4. collega
    el/la colega
  5. werk
    el curro
  6. dienst, service
    el servicio
  7. dezelfde
    el/la mismo/-a
  8. bericht, smsje
    el mensaje
  9. aan wie?
    a quién?
  10. gebruiken
    usar
  11. contact opnemen met
    ponerse en contacto con
  12. ouders
    los padres
  13. kleinkind, kleinzoon/kleindochter
    el/la nieto/-a
  14. lievelings-
    preferido/-a
  15. verliefd (op)
    enamorado/-a
  16. generaal
    el general
  17. gepensioneerd
    jubilado/-a
  18. echtgenoot
    el marido
  19. opa/oma
    el/la abuelo/-a
  20. vijand
    el/la enemigo/-a
  21. vader
    el padre
  22. gefrustreerd
    frustrado/-a
  23. oppositie
    la opsiciòn
  24. oom/tante
    el/la tìo/-a
  25. docent(e) geneeskunde
    el/la profesor/a de medicina
  26. vrouw, echtgenote
    la mujer
  27. moeilijk, zwaar
    difìcil
  28. journalist(e)
    el/la periodista
  29. jong
    joven
  30. (jongere) zus
    la hermana (menor)
  31. gescheiden
    separado/-a
  32. vermoord
    asesinado/-a
  33. in een goede stemming, met een goed humeur
    de buen humor
  34. vrijgevig (jegens)
    generoso/-a (con)
  35. (oudere) broer
    el hermano (mayor)
  36. dynamisch
    dinàmico/-a
  37. fobie (voor)
    la fobia (a)
  38. enig
    ùnico/-a
  39. neef/nicht (kind van oom/tante)
    el/la primo/-a
  40. nachtleven
    la vida nocturna
  41. avontuur
    la aventura
  42. schuinschrift
    la cursiva
  43. neef/nicht (kind van broer/zus)
    el/la sobrino/-a
  44. echtgenoot/echtgenote (LA)
    el/la esposo/-a (LA)
  45. uitvinden, verzinnen
    inventar
  46. kop, titel
    el tìtulo
  47. thriller, detective
    la novela policíaca
  48. gelijk, hetzelfde
    igual
  49. achternaam
    el apellido
  50. lid
    el miembro
  51. grootouders
    los abuelos
  52. broers en zussen
    los hermanos
  53. ouders
    los padres
  54. regelmatig
    con frecuencia
  55. buurman/buurvrouw
    el/la vecino/-a
  56. hit
    la canción de moda
  57. zomer
    el verano
  58. moordenaar(es)
    el/la asesino/-a
  59. identificeren
    identificar
  60. uitleggen
    explicar
  61. ons, onze
    nuestro/-a
  62. aangepast
    adaptado/-a
  63. bezittelijk voornaamwoord
    el posesivo
  64. jullie
    vuestro/-a
  65. in heel spanje
    en toda España
  66. eenvoud, ongekunsteldheid
    la naturalidad
  67. het enige
    lo único
  68. kerstmis
    la(s) Navidad(es)
  69. halfbroers en-zussen
    los medio hermanos
  70. centrum, midden
    el centro
  71. zijde
    el lado
  72. combineren
    combinar
  73. tonen
    mostrar (ue)
  74. (zich) voorstellen, indenken
    imaginar(se)
  75. inhoud
    el contenido
  76. vertaling
    la traducción
  77. ... uit het begin ...
    ... de principios de ...
  78. eeuw
    el siglo
  79. Europees
    europeo/-a
  80. geboortecijfer
    la tasa de natalidad
  81. geboren worden
    nacer (zc)
  82. laag
    bajo/-a
  83. echter
    sin embargo
  84. weggaan
    irse
  85. spoedig, snel
    pronto
  86. woning
    la vivienda
  87. jongeren
    los/las jóvenes
  88. werkloos zijn
    estar sin trabajo
  89. vormen
    formar
  90. paar, stel
    la pareja
  91. in vergelijking met
    en comparación con
  92. samenleving
    la sociedad
  93. scheiding
    el divorcio
  94. 0,5 promile
    0,5 por mil
  95. wet
    la ley
  96. hoog
    alto/-a
  97. buiten (...om)
    fuera (de)
  98. huwelijk
    el matrimonio
  99. noch, en ook niet
    ni
  100. vrijgezel, alleenstaand
    soltero/-a
  101. samenwonen
    convivir
  102. ettelijke, heel wat
    bastantes
  103. samen
    juntos/-as
  104. aspect
    el aspecto
  105. verslag
    el informe
  106. scheiden
    divorciarse
  107. steeds minder kinderen
    cada vez menos niños
  108. trouwen
    casarse
  109. verrassen
    sorprender
  110. reageren
    reaccionar
  111. vreugde
    la alegría
  112. verdriet
    la pena
  113. werkelijk? echt?
    de verdad?
  114. serieus?
    qué me dices?
  115. ongelooflijk!
    increíble!
  116. dat kan niet waar zijn!
    No puede ser!
  117. Mijn god!
    Dios mío!
  118. Wat een geluk!
    Qué suerte!
  119. Wat ben ik daar blij om!
    Cuánto me alegro!
  120. Zonde! Wat jammer!
    Qué pena!
  121. Wat spijt me dat!
    Cuánto lo siento!
  122. contact opnemen
    entrar en contacto
  123. sturen, zenden
    mandar
  124. faculteit, universiteit
    la facultad
  125. de jongen met de rode trui
    el chico del jersey rojo
  126. (hij/zij) zit naast me
    está sentado a mi lado
  127. zij met dat lange haar
    la del pelo largo
  128. haar
    el pelo
  129. yoga
    el yoga
  130. met elkaar opschieten, elkaar begrijpen
    entenderse (ie)
  131. de blonde op de hoek
    el rubio de la esquina
  132. blond
    rubio/-a
  133. sport(st)er
    el/la deportista
  134. surfen
    hacer surf
  135. een baard hebben
    llevar barba
  136. gezet, mollig
    gordito/-a
  137. Ecuadoriaan(se)
    el/la ecuatoriano/-a
  138. intelligent
    inteligente
  139. temperament
    el temperamento
  140. nog niet
    todavía no
  141. tamelijk
    bastante
  142. aangenaam, aardig
    agradable
  143. karakter
    el carácter
  144. lijken, overkomen
    parecer (zc)
  145. verlegen
    tímido/-a
  146. serieus
    serio/-a
  147. donker (haar)
    moreno/-a
  148. dik
    gordo/-a
  149. slank
    delgado/-a
  150. klein
    bajo/-a
  151. lang
    alto/-a
  152. knap
    guapo/-a
  153. onsympathiek
    antipático/-a
  154. gezellig
    sociable
  155. snor
    el bigote
  156. bruin haar hebben
    tener el pelo castaño
  157. blauwe ogen hebben
    tener los ojos azures
  158. oog
    el ojo
  159. kaal
    calvo
  160. sollicitatiegesprek
    la entrevista de trabajo
  161. kaart(je), formulier
    la ficha
  162. persoonlijk
    personal
  163. verzekering
    el seguro
  164. (persoons-)gegevens
    los datos (personales)
  165. gegeven
    el dato
  166. nationaliteit
    la nacionalidad
  167. geboortedatum
    la fecha de nacimiento
  168. burgerlijke staat
    el estado civil
  169. woonplaats
    el domicilio
  170. opmerking
    la observación
  171. kandidaat/kandidate, sollicitant(e)
    el/la candidato/-a
  172. sinds
    desde hace
  173. Madrileen(se)
    el/la madrileño/-a
  174. reden
    el motivo
  175. gezins-
    familiar
  176. nerveus
    nervioso/-a
  177. ontspannen
    relajado/-a
  178. indruk
    la impresión
  179. algemeen
    general
  180. positief
    positivo/-a
  181. personeelschef
    el jefe de personal
  182. deskundige, vakman/-vrouw
    el/la experto/-a
  183. Peruaan(se)
    el/la peruano/-a
  184. ziek
    enfermo/-a
  185. zich herinneren
    acordarse (ue) de
  186. beschrijving
    la descripción
  187. ambitieus
    ambicioso/-a
  188. ontmoetingsplek, trefpunt
    el punto de encuentro
  189. gezelschap
    la compañía
  190. samen de vrije tijd doorbrengen
    compartir el tiempo libre
  191. (uit-)oefenen
    practicar
  192. Spaanssprekend persoon, Spaanstalige
    el/la hispanohablante
  193. (zit-)plaats
    la plaza
  194. benzinekosten
    los gastos de gasolina
  195. goedkoop
    de forma barata
  196. rugzak
    la mochila
  197. alleenstaande moeder
    la madre soltera
  198. vriendschap
    la amistad
  199. plan, voornemen
    el plan
  200. gemeenschappelijk
    común
  201. oprechtheid
    la seriedad
  202. deelnemer/deelneemster aan een excursie
    el/la excurionista
  203. uitbreiden
    ampliar
  204. vrolijk
    alegre
  205. ik zou graag ...
    me gustaría ...
  206. vriendschap sluiten
    entablar amistad
  207. vrije tijd
    el tiempo libre
  208. zin krijgen/hebben
    animarse
  209. joggen
    hacer footing
  210. vormen
    formar
  211. muziekgroep, band
    el grupo de música
  212. piano spelen
    tocar el piano
  213. website, homepage
    la página web
  214. Spaanse les
    las clases de español
  215. (in ruil) voor, tegen
    a cambio de
  216. biografie
    la biografía
  217. kiezen uit, uitkiezen
    elegir
  218. schrijven
    escribir
  219. uiterlijk
    el aspecto físico
  220. voorkeur
    el gusto
  221. formuleren
    formular

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview