Marketing NIMA A hfd 33

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
280213
Filename:
Marketing NIMA A hfd 33
Updated:
2014-08-04 05:31:27
Tags:
Marketing NIMA hfd 33
Folders:
Marketing NIMA A hfd 33
Description:
Marketing NIMA A hfd 33
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat bedoelen we met de populatie?
    de personen of producten waar het onderzoek betrekking op heeft, we noemen het ook wel de elementen
  2. Aan welke drie voorwaarden moet een steekproef voldoen?
    • voldoende omvang hebben
    • representatief zijn
    • aselect zijn
  3. Hoeveel respondenten dienen minimaal mee te doen aan de steekproef?
    25
  4. Wat bedoelen we met aselect?
    gelijke kansen voor ieder element
  5. Wat is de definitie van de aselecte steekproef?
    Een steekproef waarbij de elementen uit het steekproefkader volgens toeval worden getrokken en waarbij elk element een van tevoren bekende kans heeft om getrokken te worden.
  6. Hoe noemen we de steekproef waarbij elk element gelijke kans heeft om getrokken te worden en van te voren bekend is hoeveel kans men heeft om getrokken te worden?
    aselecte steekproef
  7. Wat zijn drie andere benamingen voor aselecte steekproef?
    • random sample
    • kanssteekproef
    • toevalssteekproef
  8. Wat zijn drie andere benamingen voor random sample?
    • aselecte steekproef
    • kanssteekproef
    • toevalssteekproef
  9. Wat zijn drie andere benamingen voor kanssteekproef?
    • aselecte steekproef
    • toevalssteekproef
    • random sample
  10. Wat zijn drie andere benamingen voor toevalssteekproef?
    • random sample
    • kanssteekproef
    • aselecte steekproef
  11. Hoe noemen we het bestand waarin de totale populatie van de steekproef zich bevindt?
    het steekproefkader
  12. Wat is het steekproefkader?
    De totale populatie
  13. Noem een aantal voorbeelden van steekproefkaders
    • KvK
    • vakvereniging
    • telefoonboek
    • bevolkingsregister
    • postadressenbestand van Post NL
    • Postcodesysteem van Post NL
    • ledenadministraties, abonnementenadmnistraties
    • emailadressen
  14. Wat is het verschil tussen het bevolkingsregister als bron en het telefoonboek of postadressenbestand als bron?
    Het bevolkingsregister is een bestand van personen, de andere twee een bestand van huishoudens
  15. Noem de 6 methoden om een steekproef uit te voeren
    • enkelvoudige steekproef
    • getrapte steekproef
    • proportioneel gestratificeerde steekproef
    • disproportioneel gestratificeerde steekproef
    • random-walkmethode
    • quotasteekproef
  16. Wat is een andere benaming voor enkelvoudige steekproef?
    simple random sample
  17. Wat is een andere benaming voor simple random sample?
    enkelvoudige steekproef
  18. Omschrijf de enkelvoudige steekproef
    Een aselecte steekproef waarbij ieder element uit het kader een gelijke en berekende kans heeft om getrokken te worden
  19. Hoe noemen we de methode van aselecte steekproef die als enige kenmerk heeft dat ieder element een gelijke en berekende kans heeft om getrokken te worden?
    enkelvoudige steekproef of simple random sample
  20. Omschrijf de interval steekproef of systematische steekproef
    Een aselecte steekproef waarbij ieder zoveelste element uit het kader wordt getrokken. Men gaat ervan uit dat er geen relevante ordening van de elementen in het steekproefkader bestaat.
  21. Hoe noemen we de methode van aselecte steekproef waarbij het belangrijkste is dat uit het kader steeds het zoveelste element wordt getrokken?
    intervals steekproef of systematische steekproef
  22. Wat is een andere benaming voor intervalsteekproef?
    systematische steekproef
  23. Wat is een andere benaming voor systematische steekproef?
    intervalsteekproef
  24. Omschrijf de getrapte steekproef
    Een steekproef waarbij het kader wordt gesplitst in groepen (clusters) waarna uit deze groepen, hele groepen aselect wordt getrokken
  25. Hoe noemt men de steekproefmethode waarbij men het kader opdeelt in clusters en niet uit de individuele elementen, maar uit de clusters een trekking doet?
    • getrapte steekproef
    • clustersteekproef
    • trossteekproef
  26. Wat zijn twee andere benamingen voor clustersteekproef?
    • getrapte steekproef
    • trossteekproef
  27. Wat zijn twee andere benamingen voor trossteekproef?
    • getrapte steekproef
    • clustersteekproef
  28. Wat zijn twee andere benamingen voor getrapte steekproef?
    • clustersteekproef
    • trossteekproef
  29. In welke twee groepen onderscheiden we de getrapte steekproef?
    • eentrapssteekproef
    • tweetrapssteekproef
  30. Omschrijf de eentrapssteekproef
    Een getrapte steekproef waar alle elementen uit de getrokken clusters worden ondervraagd
  31. Hoe noemen we de getrapte steekproef waarbij alle elementen uit de getrokken clusters worden ondervraagd?
    eentrapsclustersteekproef
  32. Hoe noemen we de getrapte steekproef waarbij men eerst clusters trekt en uit die clusters elementen trekt?
    tweetrapsclustersteekproef
  33. Omschrijf de tweetrapsclustersteekproef
    Eerst worden er clusters getrokken, dan worden er uit die clusters elementen getrokken.
  34. Wat is een andere benaming voor de proportioneel gestratificeerde steekproef?
    evenredige allocatie
  35. Wat is een andere benaming voor de evenredige allocatie?
    proportioneel gestratificeerde steekproef
  36. Omschrijf de proportioneel gestratificeerde steekproef
    Een gestratificeerde steekproef waarbij de verhoudingen van de strata in de steekproef gelijk zijn aan de verhoudingen van de strata in het steekproefkader.
  37. Hoe werkt de proportioneel gestratificeerde steekproef?
    Het steekproefkader wordt ingedeeld in strata, de verschillende lagen in de populatie. Uit elk strata wordt een aantal (dat representatief is voor de populatie) elementen getrokken. Dus bvb 10% van de populatie is ouder dan 90, dan wordt uit het strata 'ouder dan 90' 10% procent elementen van de volledige steekproef getrokken.
  38. Wat is een andere naam voor proportioneel gestratificeerde steekproef?
    gelede steekproef
  39. Wat is een andere naam voor gelede steekproef?
    proportioneel gestratificeerde steekproef
  40. Omschrijf de disproportioneel gestratificeerde steekproef
    Een gestratificeerde steekproef waarbij de verhoudingen van de strata in de steekproef ongelijk zijn aan de verhoudingen van de strata in het steekproefkader
  41. Hoe noemen we de steekproef waarbij men de populatie opdeelt in lagen en uit elke laag een aantal elementen kiest in verhouding met het aantal elementen in de volledige populatie?
    proportioneel gestratificeerde steekproef of gelede steekproef
  42. Hoe noemen we de steekproef waarbij men het steekproefkader indeelt in verschillende lagen en uit die lagen een aantal elementen kiest dat niet in verhouding is met het aantal elementen uit die laag in de totale populatie?
    disproportioneel getsratificeerde steekproef
  43. Wat moet men doen om de uitkomsten van een disproportioneel gestratificeerde steekproef om te rekenen naar de reële verhoudingen?
    bv, de steekproef bestaat uit 50% A en 50% B. De verhoudingen in de populatie zijn 10% A en 90% B. De uitkomsten in de steekproef zijn 50% van groep A bezit het product en 60% van groep B bezit het product. Om de verhoudingen terug te brengen doet men: (10% x 50) + (90% x 60) = 59%
  44. Wat is een andere naam voor random-walkmethode?
    startadressenmethode
  45. Wat is een andere naam voor startadressenmethode?
    random-walkmethode
  46. Omschrijf de random-walkmethode
    Men selecteert respondenten door volgens toeval een straat met huisnummer als startadres te trekken
  47. Hoe noemt men de steekproefmethode waarbij men clusters maakt door een startadres te trekken en vanuit daar de volgende elementen kiest volgens een vast partoon? (bv elk 10de huis)
    random walkmethode
  48. Welke steekproefmethode is als enige niet aselect?
    quotasteekproefmethode
  49. Omschrijf de quotasteekproef
    De populatie wordt opgedeeld in strata op basis van voor het onderzoek belangrijk geachte variabelen. Uit ieder stratum wordt gericht een aantal elementen geselecteerd tot een bepaald quota is gehaald.
  50. Hoe noemen we de steekproefmethode waarbij we de populatie indelen in strata naar bepaalde eigenschappen en per stratum gericht een vaststaand aantal elementen selecteren?
    quotasteekproef
  51. Waarom is de quotasteekproef niet objectief?
    De interviewer mag zelf de respondenten uitkiezen
  52. Welke drie zaken zeggen iets over de waarde van een steekproef?
    • validiteit
    • betrouwbaarheid
    • nauwkeurigheid
  53. Wat bedoelen we met een valide steekproef?
    In welke mate is de steekproef bruikbaar? Is er gemeten wat men wilde meten?
  54. Wat is het verband tussen de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid?
    Hoe nauwkeuriger het onderzoek, hoe minder betrouwbaar, en vice versa.
  55. Wat is de standaarddeviatie?
    De manier waarop de resultaten zich verspreiden rond het gemiddelde resultaat (het hoogste punt)
  56. Hoe noemen we de manier waarop de resultaten van een onderzoek zich verspreiden rond het gemiddelde resultaat (het hoogste punt)?
    de standaarddeviatie
  57. Wat is de normale verdeling
    Een bekende verdeling, het is een klokvormige, symmetrische kromme
  58. Hoe noemen we de klokvormige, symmetrische kromme?
    normale verdeling
  59. Hoe noemen we de verdeling van de resultaten van een onderzoek die altijd in 2 groepen is?
    binomiale verdeling
  60. Wat is de binomiale verdeling?
    De verdeling van de resultaten van een onderzoek in twee groepen
  61. Wat doet men als er drie of vier groepen resultaten uit een steekproef zijn?
    Men deelt ze op in twee groepen om een binomiale verdeling te krijgen.
  62. Wat is een andere naam voor binomiale verdeling?
    bernoulliverdeling
  63. Wat is een andere naam voor bernoulliverdeling?
    binomiale verdeling
  64. Hoe berekenen we de standaarddeviatie van de binomiale verdeling?
    • s = wortel van p x q gedeeld door n
    • p is het percentage dat voldoet aan een bepaald kenmerk
    • q is 100% min p
    • n is de omvang van de steekproef (het aantal elementen)
  65. Wat is de formule voor de nauwkeurigheidsmarge?
    • m = z maal de wortel van p x q gedeeld door n
    • m is het nauwkeurigheidsgetal
    • z = een constante
    • p = is het percentage dat voldoet aan een bepaald kenmerk
    • q = 100% min p
    • n is het totale aantal elementen binnen de steekproef
  66. Noem de 6 belangrijkste betrouwbaarheidsniveau's en de bijbehoorende z-waardes
    • 99,7% 3
    • 99% 2,58
    • 95,4% 2 
    • 95% 1,96
    • 90% 1,65
    • 68,3% 1
  67. Hoe kan men de p en q in de formule invullen als men deze niet weet?
    men 50% en 50%
  68. Waarom vullen 50% in bij p en q als we die niet weten?
    de betrouwbaarheid van een steekproefomvang is bij dit getal het grootst
  69. Leidt een vergroting van een steekproef tot een vergroting van de nauwkeurigheid?
    ja, maar de vergroting van de nauwkeurig stijgt langzamer van de vergroting van de steekproef
  70. Is de nauwkeurigheid van de steekproef alleen afhankelijk van de omvang van de steekproef?
    nee, ook van het resultaat
  71. Wat is een nomogram?
    Een tabel die het verband tussen steekproefgrootte en nauwkeurigheidsgetallen weergeeft.
  72. Welke twee fouten kunnen optreden binnen de steekproef?
    • systematische fouten
    • toevallige fouten
  73. Hoe lossen we toevallige fouten in de steekproef op?
    Niet, daar wordt rekening mee gehouden binnen de nauwkeurigheidsmarge

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview