Marketing NIMA A hfd 34

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
280393
Filename:
Marketing NIMA A hfd 34
Updated:
2014-08-08 07:04:01
Tags:
Marketing NIMA hfd 34
Folders:
Marketing NIMA A hfd 34
Description:
Marketing NIMA A hfd 34
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is de definitie van statistiek?
    Statistiek is de wetenschap die zich bezighoudt met de waarneming, de bestudering en de analyse van massaverschijnselen.
  2. Wat is de definitie van beschrijvende statistiek?
    Het deel van statistiek dat zich bezighoudt met de verwerking en weergave van feiten, zodat een goed overzicht van de gegevens ontstaat.
  3. Wat is verklarende statistiek?
    Het deel van de statistiek dat de samenhang tussen bepaalde verschijnselen verklaart of voorspellingen doet
  4. Uit welke twee delen bestaat statistiek?
    beschrijvende en verklarende statistiek
  5. Noem de 5 doelen van statistiek
    • bepalen omvang van de totale massa
    • bepalen structuur van een massa
    • opstellen van prognoses
    • bepalen van correlaties tussen verschijnselen
    • maken van algemeen-economische en bedrijfseconomische vergelijkingen
  6. Wat is correlatie?
    samenhang tussen verschijnselen
  7. Waar heeft de statistiek altijd betrekking op?
    massaverschijnselen
  8. Hoe noemen we de verzameling elementen waar een onderzoek betrekking op heeft?
    populatie of universum
  9. Wat is de populatie of het universum?
    De verzameling van elementen waar een onderzoek betrekking op heeft
  10. Wat is een andere naam voor populatie?
    universum
  11. Wat is een andere naam voor universum?
    populatie
  12. Hoe noemen we het onderzoek waarbij alle elementen uit de populatie betrokken zijn?
    integraal onderzoek
  13. Wat is integraal onderzoek?
    Onderzoek waaraan alle elementen uit de populatie deelnemen
  14. Hoe noemen we het onderzoek waarbij slechts een deel van de populatie wordt onderzocht?
    steekproef onderzoek
  15. Met welke twee stappen begint men bij statistisch onderzoek?
    • kenmerken operationeel maken om er variabelen van te maken
    • beschrijven welke waarden de variabelen kunnen aannemen
  16. Welke twee soorten variabelen kennen we?
    • discrete variabelen 
    • continue variabelen
  17. Wat is het verschil tussen discrete en continue variabelen?
    Continue variabelen zijn oneindig (in nauwkeurigheid) en discrete variabelen niet.
  18. Wat zijn grootteklassen?
    Verzamelde gegevens rangschikken naar grootte
  19. Hoe noemen we de rangschikking van gegevens naar grootte?
    grootteklassen
  20. Wat is de frequentieverdeling?
    De verdeling van frequenties over verschillende klassen
  21. Hoe noemt men het aantal waarnemingen per klasse?
    absolute frequentie
  22. Hoe noemt men het aantal waarnemingen per klasse plus het aantal waarnemingen onder die klasse?
    cumulatief absolute frequentie
  23. Wat is het verschil tussen de absolute frequentie en de cumulatief absolute frequentie?
    De absolute frequentie is het aantal waarnemingen van een bepaalde klasse, de cumulatieve absolute frequentie is het aantal waarnemingen van een bepaalde klasse, plus alle klassen daaronder
  24. Hoe noemen we het verschil tussen de laagste en de hoogste waarde binnen een klasse?
    de klassenbreedte
  25. Wat is de klassenbreedte?
    Het verschil tussen de laagste en de hoogste waarde binnen een klasse
  26. Geef de definitie van klasse
    Een verzameling van identieke of ongeveer gelijke meetwaarden.
  27. Hoe noemen het punt tussen twee verschillende klassen?
    klassengrens
  28. Hoe bereken je de relatieve frequentie of relatieve frequentieverdeling?
    klasse frequentie gedeeld door totale frequentie, maal 100%
  29. klasse frequentie gedeeld door totale frequentie, maal 100%, waarvan is dit de formule?
    relatieve frequentie(verdeling)
  30. Wat is het probleem als niet alle klassenbreedten even breed zijn?
    Dan kun je ze niet met elkaar vergelijken
  31. Hoe kunnen we ongelijke klassenbreedte vervormen zodat ze vergelijkbaar zijn?
    Door naar de frequentiedichtheid te kijken en die te vergelijken
  32. Hoe bereken je de frequentiedichtheid?
    absolute frequentie gedeeld door klassenbreedte
  33. Als je de absolute frequentie deelt door de klassenbreedte, wat krijg je dan?
    frequentiedichtheid
  34. Op welke 7 manieren kunnen we een frequentieverdeling weergeven?
    • histogram (kolommendiagram)
    • frequentiepolygoon
    • staafdiagram
    • lijndiagram
    • cirkeldiagram
    • beelddiagram
    • Lorenz-curve
  35. Omschrijf het histogram
    De frequentieverdeling van een continue variabele waarbij de kolommen op elkaar aansluiten.
  36. Hoe noemen we de grafische frequentieverdeling van een continue variabele waarbij de kolommen op elkaar aansluiten?
    histogram of kolommendiagram
  37. Wat is een ander woord voor histogram?
    kolommendiagram
  38. Wat is een ander woord voor kolommendiagram?
    histogram
  39. Wat staat er op de x en y as van een histogram?
    • x = klassen
    • y = klassenfrequenties of klassendichtheid
  40. Wat doen we met ongelijke klassenbreedtes in het histogram?
    die krijgen een ongelijke grafische breedte
  41. Wat zijn twee verschillen tussen het histogram en het staafdiagram?
    • kolommen sluiten bij staafdiagram niet op elkaar aan.
    • histogram zijn continue variabelen, staafdiagram zijn discrete variabelen
  42. Omschrijf het staafdiagram
    grafische weergaven van frequentieverdeling met discrete variabelen. De kolommen sluiten niet direct op elkaar aan en hij kan zowel horizontaal als verticaal zijn.
  43. Omschrijf de frequentiepolygoon
    Lijkt op het histogram, maar dan een lijngrafiek. Boven elk klassenmidden wordt de bijbehorende frequentiedichtheid gezet, die punten worden met een lijn verbonden.
  44. Welke variant van het frequentiepolygoon kennen we?
    cumulatieve frequentiepolygoon
  45. Wat is bij een normale verdeling het verschil tussen een gewoon frequentiepolygoon en een cumulatief frequentiepolygoon?
    Het gewoon frequentiepolygoon is meer klokvormig en het cumulatief frequentiepolygoon is altijd stijgend
  46. Wat is een ander woord voor cumulatief frequentiepolygoon?
    ogive
  47. Wat is een ander woord voor ogive?
    cumulatief frequentiepolygoon
  48. Wat is een ander woord voor cirkeldiagram?
    pie-chart
  49. Wat is een ander woord voor pie-chart?
    cirkeldiagram
  50. Wat is een ander woord voor beelddiagram?
    pictogram
  51. Wat is een ander woord voor pictogram?
    beelddiagram
  52. Wat is een ander woord voor Lorenz-curve?
    concentratiecurve
  53. Wat is een ander woord voor concentratiecurve?
    Lorenz-curve
  54. Wat kan men aflezen aan de Lorenz-curve?
    Voor hoeveel procent van de omzet een product verantwoordelijk is.
  55. Van welke grafische frequentieverdeling kunnen we aflezen wat de verhouding is tussen een product en zijn omzet?
    Lorenz-curve of concentratiecurve
  56. Wat is de centrale tendentie?
    Het gebied waarin de meeste waarnemingen zich bevinden.
  57. Wat is de verzamelnaam voor het gebied waarin zich de meeste waarnemingen bevinden?
    centrale tendentie
  58. Wat is een centrale-tendentiemaatstaf, centrummaat of locatiemaatstaf?
    Een maatstaf die aangeeft rond welk getal de waarnemingen gegroepeerd zijn.
  59. Noem drie termen voor de maat die aangeeft rond welk getal de meeste waarnemingen gegroepeerd zijn
    • centrale-tendentiemaatstaf
    • centrummaat
    • locatiemaatstaf
  60. Noem de drie maten waarmee we de centrale-tendentie meten
    • modus 
    • gemiddelde
    • mediaan
  61. Hoe berekenen we het ongewogen rekenkundig gemiddelde?
    variabelen bij elkaar optellen en delen door het totaal aantal variabelen
  62. Hoe berekenen we het gewogen rekenkundig gemiddelde?
    variabele maal frequentie, uitkomst per variabele bij elkaar optellen, delen door totale frequentie
  63. Hoe berekenen we het gemiddelde van een frequentieverdeling met continue variabelen?
    frequentie per variabele maal bijbehorende klassenmidden, gedeeld door totale frequentie
  64. Wat is het klassenmidden?
    Het middelste getal binnen een klasse
  65. Hoe noemen we het middelste getal binnen een klasse?
    klassenmidden
  66. Wat is de modus?
    de meest voorkomende waarneming
  67. Hoe noemen we de waarneming die het meeste voorkomt?
    de modus
  68. Hoe noemen we de meest voorkomende waarneming bij een frequentieverdeling met klassen?
    modale klasse
  69. Wat is de modale klasse?
    de klasse waarin zich de meeste waarnemingen zich bevinden
  70. Wat is de mediaan?
    de middelste waarneming
  71. Hoe noemen we de middelste waarneming?
    mediaan
  72. Wanneer kun je geen mediaan benoemen?
    als de gegevens niet naar grootte zijn gerangschikt.
  73. Wat doe je als er een even aantal frequenties zijn en je de mediaan wilt weten?
    Het gemiddelde van de twee middelste medianen nemen
  74. Hoe noemen we de klasse waarin zich de mediaan bevindt?
    de mediale klasse
  75. Wat is de mediale klasse?
    de klasse waarin de mediaan zich bevindt
  76. Wanneer werken we doorgaans met klassen?
    bij continue variabelen
  77. Heeft een grafische frequentieverdeling ook een mediaan?
    ja, het klassenmidden
  78. Wat is de scheve verdeling?
    het gemiddelde, de mediaan en de modus zijn niet hetzelfde
  79. Hoe noemen we het als het gemiddelde, de mediaan en de modus niet hetzelfde zijn?
    scheve verdeling
  80. wat is een andere term voor scheve verdeling?
    asymmetrische verdeling
  81. Wie bepaalt in een frequentiepolygoon het hoogste punt?
    de modus
  82. Wat is rechtsscheef?
    de mediaan en het gemiddelde liggen links van de modus
  83. Wat is linksscheef?
    De mediaan en het gemiddelde liggen rechts van de modus
  84. Noem de drie locatiemaatstaven
    • modus
    • mediaan
    • gemiddelde
  85. Geef de definitie van de spreiding
    De mate waarin de individuele waarnemingen afwijken van de centrale tendentie
  86. Noem de twee spreidingsmaatstaven
    • variatiebreedte, spreidingsbreedte of range
    • standaarddeviatie of standaardafwijking
  87. Noem twee andere termen voor variatiebreedte
    • spreidingsbreedte
    • range
  88. Noem twee andere namen voor spreidingsbreedte
    • variatiebreedte
    • range
  89. Noem twee andere termen voor range
    • spreidingsbreedte
    • variatiebreedte
  90. Wat is de variatiebreedte, spreidingsbreedte of range?
    het verschil tussen de hoogste en de laagste waarneming van een verdeling. Bij klassen de ondergrens van de laagste klasse en de bovengrens van de hoogste klasse.
  91. Hoe noemen we het verschil tussen de laagste en de hoogste waarneming van een verdeling?
    • variatiebreedte
    • spreidingsbreedte
    • range
  92. Wat is een andere naam voor de standaarddeviatie?
    standaardafwijking
  93. Wat is een andere naam voor standaardafwijking?
    standaarddeviatie
  94. Wat geeft de standaarddeviatie aan?
    de gemiddelde afwijking van de waarnemingen ten opzichte van het rekenkundig gemiddelde
  95. Waarmee kunnen we de gemiddelde afwijking van de waarnemingen ten opzichte van het rekenkundig gemiddelde weergeven?
    de standaarddeviatie of standaardafwijking
  96. Omschrijf de formule van de standaarddeviatie
  97. Welke twee vuistregels horen bij de standaarddeviatie?
    • de uitkomsten liggen symmetrisch rond het gemiddelde
    • hoe verder de uitkomst van het gemiddelde ligt, hoe minder vaak hij voorkomt
  98. welke verdeling hoort bij de standaarddeviatie?
    normale verdeling
  99. Wat is de definitie van de indexcijfers
    een verhoudingsgetal waarbij de waarde van een verschijnsel in een bepaalde periode wordt uitgedrukt in de waarde van hetzelfde verschijnsel in een andere periode.
  100. Wat betekent bij een indexcijfer met een basiswaarde van 100, een waarde boven 100?
    een stijging
  101. Hoe herken je bij een indexcijfer met een basiswaarde van 100 een daling?
    een waarde onder de 100
  102. Wat is de basisperiode bij de indexcijfers?
    de periode waar men de te onderzoeken periode tegen afzet
  103. Hoe lang is de basisperiode meestal?
    een jaar
  104. Aan welke twee voorwaarden moet een basisperiode voldoen?
    • niet te lang geleden
    • geen afwijkende omstandigheden
  105. Welke twee indexcijfers onderscheiden we binnen de statistiek?
    • enkelvoudige indexcijfers of partiële indexcijfers
    • samengestelde indexcijfers
  106. Wat zijn enkelvoudige indexcijfers?
    indexcijfers die betrekking hebben op 1 product
  107. Wat zijn partiële indexcijfers?
    indexcijfers die betrekking hebben op 1 product
  108. Wat zijn samengestelde indexcijfers?
    indexcijfers met gegevens van verschillende producten
  109. Noem de drie belangrijkste indexcijfers
    • prijsindex (PI)
    • hoeveelheidsindex (HI)
    • waarde-index (WI)
  110. Wat is de formule voor het prijsindexcijfer?
  111. Wat is de formule voor HI?
  112. Wat is de formule voor het WI?
  113. Hoe berekenen we de omzet?
    afzet maal prijs

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview