Spaans - cursus

Card Set Information

Author:
celine
ID:
281812
Filename:
Spaans - cursus
Updated:
2014-09-02 15:39:25
Tags:
woordenschat spaans
Folders:

Description:
spaanse woordenschat cursus
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user celine on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Ik stel u voor
    Os presento
  2. vrijgezel
    soltero/-a
  3. heb je broers of zussen?
    tiene hermanos?
  4. overgrootmoeder/vader
    el bisabuelo, la bisabuela
  5. grootvader/moeder
    el abuelo, la abuela
  6. de oom
    el tío
  7. de tante
    la tía
  8. de neef, nicht (kind van tante)
    el primo, la prima
  9. de neef, nicht (kind van broer of zus)
    el sobrino, la sobrina
  10. de echtgenoot
    el marido
  11. de echtgenote
    la mujer
  12. de zoon, dochter
    el hijo, la hija
  13. de schoondochter
    la nuero
  14. de schoonzoon
    el yerno
  15. kleinzoon, kleindochter
    el nieto, la nieta
  16. achterkleinzoon, achterkleindochter
    el bisnieto, la bisnieta
  17. de schoonvader, schoonmoeder
    el suegro, la suegra
  18. schoonbroer, schoonzus
    el cuñado, la cuñada
  19. klaar zijn
    estar listo
  20. slim zijn
    ser listo
  21. rijk zijn
    ser rico
  22. lekker zijn
    estar rico
  23. goed/slecht zijn
    ser malo, bueno
  24. gezond/ziek zijn
    estar bueno/malo
  25. Hoe oud ben je?
    Cuantos años tienes?
  26. ik ben 18 jaar oud
    tengo 18 años
  27. hout
    la madera
  28. vuil, smerig
    sucio/-a
  29. kapot, stuk
    estropeado/-a
  30. bereid zijn om
    estar dispuesta a
  31. moe
    cansado
  32. breed
    ancha
  33. boos
    enfadado
  34. een afiche
    un cartel
  35. zittend
    sentadas
  36. dik
    gordo/-a
  37. een lap top
    un portátil
  38. graag willen
    querer
  39. kunnen
    poder
  40. vragen
    pedir
  41. spelen
    jugar
  42. sluiten
    cerrar
  43. beginnen
    • comenzar
    • empezar
  44. begrijpen
    entender
  45. verliezen
    perder
  46. denken
    pensar
  47. voelen
    sentir
  48. verwarmen
    calentar
  49. wakker worden
    despertarse
  50. aanbevelen
    recomendar
  51. verkiezen
    preferir
  52. zicht neerzetten, gaan zitten
    sentarse
  53. schrobben, afwassen
    fregar
  54. betogen
    manifestar
  55. negeren/ontkennen
    negar
  56. sneeuwen
    nevar
  57. zich verdedigen
    defenderse
  58. vinden
    encontrar
  59. terugkeren
    volver
  60. teruggeven
    devolver
  61. slapen
    dormir
  62. kosten
    costar
  63. zich herinneren
    • acordarse de
    • recordar
  64. gaan slapen
    acostarse
  65. vertellen
    contar
  66. tonen
    mostrar
  67. bewijzen, aantonen
    demostrar
  68. soñar con
    dromen over
  69. sterven
    morir
  70. regenen
    llover
  71. vliegen
    volar
  72. verbieden
    impedir
  73. volgen
    seguir
  74. kiezen
    elegir
  75. verbeteren
    corregir
  76. lachen
    reír ( río)
  77. glimlachen
    sonreír
  78. herhalen
    repetir
  79. dienen
    servir
  80. nemen
    coger (cojo)
  81. geven
    dar (doy)
  82. doen
    hacer
  83. plaatsen
    poner
  84. brengen
    traer
  85. weten
    saber
  86. uitgaan, vertrekken
    salir
  87. kennen
    conocer
  88. herkennen
    reconocer
  89. bedanken
    agradecer
  90. lijken op
    parecer
  91. rijden, besturen
    conducir
  92. inleiden
    introducir
  93. produceren
    producir
  94. vertalen
    traducir
  95. zeggen
    decir
  96. horen
    oír
  97. hebben
    tener
  98. komen
    venir
  99. vluchten
    huir
  100. besluiten
    concluir
  101. vervangen
    sustituir
  102. bouwen
    construir
  103. destruir
    vernietigen
  104. reconstruir
    heropbouwen
  105. verminderen
    disminuir
  106. bijdragen tot
    contribuir a
  107. nodig hebben
    necesitar
  108. kopen
    comprar
  109. slikken
    tragar
  110. omver rijden
    atropellar
  111. getrouwd
    casado/-a
  112. hoewel
    aunque
  113. afkomstig zijn uit
    proceder
  114. ik sta op het punt om
    estoy a punto de
  115. beëindigen
    acabar
  116. behalen
    sacar
  117. het milieu
    el medioambiente
  118. ik breng
    traigo
  119. ik rijd
    conduzco
  120. ze vernietigen
    destuyen
  121. ik herinner mij
    recuerdo
  122. Om welk uur ga je slapen?
    A qué hora te acuestas?
  123. Om welk uur sta je op?
    A qué hora te levantas?
  124. naar school
    a la escuela
  125. je luncht
    almuerzas
  126. Wat bestel je normaal in een restaurant?
    Qué pides normalmente en un restaurante?
  127. Waaraan denk je nu?
    En que piensas ahora?
  128. jij beoefent
    practicas
  129. Wanneer ga je uit?
    Cuándo sales?
  130. Wanneer sluit de bibliotheek?
    Cuándo cierra la biblioteca?
  131. Wanneer beginnen de lessen op school?
    Cuándo empiezan las clases en la escuela?
  132. dit weekend
    el fin de semana
  133. alle weekends
    los fines de semana
  134. Hoeveel keer per week was je af?
    Cuántas veces por semana lavas los platos?
  135. Hoelang kijk je naar televisie?
    Cuánto tiempo ves la tele?
  136. te laat komen
    llevar tarde
  137. vaak
    a menuda
  138. Hoeveel keer per maand ga je naar de cinema?
    Cuántas ves al mes vas al cine?
  139. luister je naar muziek?
    Escuchas música?
  140. Kom je soms te laat in de Spaanse les?
    A veces llegas tarde al la clase de español?
  141. Ga je soms iets drinken met vrienden uit de klas?
    A veces vas de copas con amigos de la clase?
  142. Hoeveel uren per dag slaap je?
    Cuántas horas al día duermes?
  143. Wat doe je op vrijdagavond?
    Qué haces los viernes por la tarde?
  144. Hoeveel kost een pintje?
    Cuánto cuesta una caña?
  145. Om welk uur wordt je wakker op zondag?
    A qué hora te despiertas los domingos?
  146. Hoeveel keer herhaal je de leerstof?
    Cuántas veces repites la materia?
  147. Breng je me een koffie alstublieft?
    Me trae un cafe por favor?
  148. Wat produceert HP?
    Qué produce HP?
  149. Wanneer studeer je frans?
    Cuándo estudias francés?
  150. Wat eet je als ontbijt?
    Qué desayunas?
  151. Welke krant lees je?
    Qué periódico lees?
  152. Speel je tennis?
    Juegas al tenis?
  153. Om welk uur openen de banken?
    A qué hora abren los bancos?
  154. Wanneer neem je een douche?
    Cuándo te duchas?
  155. Wanneer kijk je tv?
    Cuándo ves la tele?
  156. Hoeveel keer per jaar ga je naar de kapper?
    Cuántas veces al año vas a la peluquería?
  157. Hoeveel broers en zussen heb je?
    Cuántos hermanos tienes?
  158. Kan je me je gsm nummer geven?
    Me puedes dar tu número de móvil?
  159. Wat zijn je hobby's?
    Cuáles son tus aficiones?
  160. Onze dierenarts is van Lissabon.
    Nuestro veterinario es de Lisboa.
  161. De apotheek bevindt zich naast de supermarkt.
    La farmacia está al lado del supermercado.
  162. Hun Franse vrienden zijn momenteel in Oostenrijk.
    Sus amigos franceces están ahora en Austria.
  163. Ik beveel jullie het Italiaanse restaurant aan.
    Os recomiendo el restaurante italiano.
  164. Het regent vaak in België.
    A menuda llueve en Bélgica.
  165. Wij spelen voetbal in onze vrije tijd.
    Jugamos al fútbol en nuestro tiempo libre.
  166. Ik ben gescheiden, maar heb ondertussen een vriendin.
    Estoy divorciado, pero entretanto tengo novia.
  167. Het sneeuwt af en toe in Frankrijk.
    A veces nieva en Francia.
  168. De vergadering vindt plaats in het bedrijf.
    La reunión es en la empresa.
  169. Ik ben triestig omdat ik dit jaar niet op reis kan gaan.
    Estoy triste porque este año no puedo ir de viaje.
  170. houden van
    gustar
  171. heel erg leuk vinden
    encantar
  172. pijn doen
    doler
  173. vinden van
    parecer
  174. geïnteresseerd zijn in
    interesar
  175. ontbreken, tekort hebben
    faltar
  176. storen
    molestar
  177. schrik hebben van
    dar miedo
  178. zin hebben om
    apetecer
  179. In het weekend ga ik graag iets drinken met mijn vrienden.
    Los fines de semana me gusta ir a tomar algo con mis amigos.
  180. De meeste vertegenwoordigers houden niet erg van papierwerk.
    A la majoría de los representantes lo les gusta mucho el papeleo.
  181. Ik hou niet zo van reclamefolder, maar mijn moeder wel.
    A mi los folletos publicitarios no me gustan mucho pero a mi madre si.
  182. Ik moet ervan door. Het is namelijk zo dat klanten niet graag wachten.
    Tengo que irme. Es que a los clientes no les gusta esperar.
  183. Spanjaarden gaan ontzettend graag buitenshuis eten.
    A los españoles les encanta comer fuera de casa.
  184. Heb je nog pijn aan je arm?
    Te duele todavía el brazo?
  185. Waarom ben je bang van vrouwen met een rode rok?
    Por qué te dan miedo las mujeres con una falda roja.
  186. Heb je zin in een ijsje? ik wel anders!
    Te apetece un helado? pues a mí sí!
  187. innen
    cobrar
  188. Waarom hebben jullie geen bus genomen?
    ¿Por qué no habéis tomado un autobús?
  189. Nu ja, we wachten eigenlijk helemaal niet graag.
    Bueno, es que no nos gusta nada esperar.
  190. En...ben je naar het Museum voor Schone Kunsten geweest? En hoe was het?
    A ver, ¿has ido al Museo de Bellas Artes esta tarde? Y qué tal?
  191. Een uurtje maar. Ik heb moeten werken tot half vijf.
    Solo una hora. He tenido que trabajar hasta las cuatro y media.
  192. Vond je het een beetje leuk? Ik wel, maar Amudena vond het maar niets.
    Te ha gustado? A mí sí, pero a Amudena nada.
  193. Vanmorgen ben ik eerst naar de post geweest om postzegels te kopen.
    Esta mañana he ido a Correos para comprar sellos.
  194. Ik heb minstens een half uur moeten wachten.
    He tenido que esperar al menos media hora.
  195. Dan ben ik te voet naar de markt gegaan, maar tegen 10 uur ben ik even op een bankje gaan zitten in het park.
    Después he ido al mercado a pie, pero sobre las 10 me he sentado un rato en un banco en el parque.
  196. Mijn knieën doen altijd erg pijn, wanneer ik te veel wandel, weet je. Ik heb zelfs een pijnstiller moeten nemen.
    Siempre me duelen las rodillas, cuando ando demasiado, sabes. Incluso he tenido que tomar un analgésico.
  197. Heb je mijn nieuw kostuum al gezien? Ik heb het deze week gekocht in Londen.
    Ya has visto mi nuevo traje? Lo he comprado esta semana en Londres.
  198. Hoeveel heeft het je gekost? Ik herinner het me niet meer.
    Cuánto te ha costado? Ya no me acuerdo.
  199. Miguel is vrijgezel en werkt al psycholoog  in een multinational.
    Miguel es soltero y trabaja como psicólogo en una multinacional.
  200. Hij is redelijk slim en erg zenuwachtig, hoewel hij volgens zijn ex-vrouw niet meer zo zenuwachtig is als vroeger.
    Es bastante listo y muy nervioso, aunque según su ex-mujer ya no es tan nervioso como antes.
  201. Is er geen les vandaag of zo? Wel, het schijnt dat de leerkracht ziek is deze week.
    No hay clase hoy o qué? Bueno, parase que el profesor está enfermo esta semana.
  202. Ik hoor de beatles even graag dan de rolling stones. ik ook.
    A mí los Beatles me gustan tanto como los Rolling Stones. A mí también.
  203. dat meen je niet
    No me digas!
  204. Ik weet niet meer waar ik mijn agenda gelaten heb. Welke kleur heeft hij?
    Ya no sé dónde ne dejado mi agenda. Qué color tiene?
  205. Ik weet niet welk hostel ik moet kiezen.
    No se qué hostal tengo que elegir.
  206. Le méridien is het mooiste en ligt erg centraal, maar het andere is veel goedkoper.
    Le Méridien es el más bonito y está muy céntrico, pero el otro es mucho más barato.
  207. Welke van de twee verkies jij?
    Cuál de los dos prefieres?
  208. Welke stad in Spanje verkies je?
    Qué ciudad en España prefieres?
  209. Van waar kom je?
    De dónde vienes?
  210. Langs waar moet ik precies gaan?
    Por dónde tengo que ir exactamente?
  211. Wat is het juiste antwoord?
    Cuál es la respuesta correcta?
  212. Waar gaan jullie heen?
    Adónde vais?
  213. Met wie ga je naar de bioscoop?
    Con quién vas al cine?
  214. Van welk materiaal is de tafel gemaakt?
    De qué material es la mesa?
  215. Naar hoeveel bedrijven moet ik de uitnodiging sturen?
    A cuántas empresas tengo que enviar la invitación?
  216. Welke van de 5 voorstellen vindt u het interessantst?
    Cuál de las 5 propuestas le interesa más?
  217. Tot welk uur zijn de winkels open in Barcelona?
    Hasta qué hora están abiertas las tiendas en Barcelona?
  218. Heb je haar al gezien? Ik wil haar iets zeggen.
    Ya la has visto? Quiero decirle algo.
  219. Hij heeft me ze nog niet getoond.
    Todavía no me las ha mostrado.
  220. Hebben jullie het hem al verteld? Nee, we gaan het hem morgen vertellen.
    Ya se lo habeís dicho? No, vamos a decírselo mañana.
  221. Ik heb ze hem nog niet gegeven.
    Todavía no se las he dado.
  222. Je moet het haar nog eens uitleggen.
    • Se lo tienes que explicar otra vez.
    • Tienes que explicárselo otra vez.
  223. Ik wil jullie voorstellen aan mijn nieuwe buurvrouw.
    • Os quiero presentar a mi nueva vecina.
    • Quiero presentaros a mi nueva vecina.
  224. We moeten u iets zeggen. U hebt het mij al gezegd.
    Tenemos que decirle algo. Ya me lo ha dicho.
  225. Ik ben ze nog aan het schrijven. (de brieven)
    Todavía las estoy escribiendo.
  226. Wij zijn er ook op aan het wachten. (de bus)
    Nosotros también lo estamos esperando.
  227. Ik ben ze niet meer aan het zoeken. ( de sleutels)
    Ya no las estoy buscando.
  228. de sleutels
    las llaves
  229. verbeteren
    mejorarse
  230. De situatie is aan het verbeteren.
    La situación está mejorándose.
  231. De geschiedenis is zich aan het herhalen.
    La historia se está repitiendo.
  232. Eergisteren ben ik mijn gsm verloren op school. Heb jij hem niet gezien?
    Anteayer perdí mi móvil en la escuela. Tú no lo has visto?
  233. Vorige woensdag heeft Dhr. Garcia gezegd dat hij het pakje onmiddellijk zou opsturen, maar we hebben no steeds niets ontvangen.
    El miércoles pasado, el señor Garcia dijo que enviaría el paquete inmediatamente pero todavía no hemos recibido nada.
  234. Vorig weekend heeft m'n vriend moeten werken.
    El fin de semana pasado, mi novio tuvo que trabajar.
  235. Gisteren ben ik na de les naar het centrum gegaan. Ik heb me een jasje gekocht dat afgeprijsd  was en dan ben ik met de bus naar huis gegaan.
    Ayer, después de la clase, fui al centro. Me compré una chaqueta que estaba en rebajas y luego volví a casa en autobús.
  236. De goederen zijn gisterenmiddag eindelijk aangekomen, maar ondertussen was de helft al rot.
    Ayer por la tarde, llegaron por fin las mercancías, pero entretanto, la mitad estaba ya podrida.
  237. Toen ik klein was, speelde ik vaak met mijn vriendjes op straat. Eén keer zijn we allemaal samen naar de zee gegaan om naar de boten te kijken.
    De pequeño, jugaba mucho con mis amigos en la calle. Una vez fuimos todos junto al mar para mirar los barcos.
  238. De eerste/laatste keer dat ik hem ben tegengekomen, had hij erg lang haar.
    La primera/última vez que lo encontré, tenía el pelo muy largo.
  239. Iedereen was aan het dansen, toen Dhr. V. plots een fles champagne bestelde.
    Todo el mundo estaba bailando, cuando de pronto el señor V. pidió una botella de champán.
  240. Vroeger rookte ik vrij veel, maar nu niet meer. Vanmorgen heb ik m'n laatste sigaret gerookt!
    Antes fumaba bastante, pero ahora ya no. Esta mañana he fumado mi último cigarillo.
  241. Heb je iets gedronken gisteren? Ja, een sangria, maar ik lustte hem niet.
    Bebiste algo anoche? Sí, una sangría, pero no me gustó.
  242. Ineens stond hij op en begon hij te schreeuwen.
    De pronto se levantó y empezó a gritar.
  243. Zondag heeft hij de ganse dag geslapen. Hij heeft het me vanmorgen gezegd.
    El domingo durmió todo el día. Me lo ha dicho esta mañana.
  244. Gisteren hebben mijn grootouders me een auto cadeau gedaan. Hij was wel wat vuil, maar goed...
    Ayer mis abuelos me regalaron un coche. Estaba un poco sucio, pero bueno.
  245. Waarom zijn jullie gisteren niet gekomen? Omdat we geen zin hadden.
    Por qué no vinisteis ayer? Porque no teníamos ganas.
  246. Heb je al iets gegeten?
    Ya has comido algo?
  247. Ik wist niet dat je haar hebt leren kennen op een feestje.
    No sabía que la conociste en una fiesta.
  248. Toen wij klein waren aten we minstens evenveel als jullie.
    Cuando éramos pequeños, comíamos tanto como vosotros.
  249. Normaalgezien stonden ze vroeg op, maar die dag zijn ze pas om 10 uur opgestaan.
    Normalmente se lavantaban pronto, pero ese día se lavantaron sólo a las diez.
  250. Gisteren heb ik Jan ontmoet. Hij zei me dat hij geen geld en vroeg me 100 euro.
    Ayer encontré a Juan. Me dijo que no tenía dinero y me pidió 100 euros.
  251. Directeur generaal
    director general
  252. administratief directrice
    directora de administración
  253. financieel directeur
    director financiero
  254. productie directeur
    director de producción
  255. commercieel directrice
    directora comercial
  256. marketing directeur
    director de márketing
  257. HRM directrice
    Directora de RRHH
  258. een departement leiden
    dirigir un departamento
  259. een medewerker
    un colaborador
  260. Jan is de persoon belast met de kwaliteitscontrole
    Juan es la persona encargada del control de calidad.
  261. plannen
    planificar
  262. verloning/salariëring
    la remuneración
  263. een marktonderzoek
    un estudio de mercado
  264. een promotiecampagne
    una campaña de promoción
  265. De boekhouder zal overmorgen in zijn kantoor zijn.
    Pasado mañana, el contable estará en su oficina.
  266. Dat product verkoopt zeer goed.
    El producto vende muy bien.
  267. De baas zou mensen met veel ervaring aanwerven.
    El jefe contrataría a gente con mucha experiencia.
  268. Ik zou graag deeltijds werken.
    Me gustaría trabajar a tiempo parcial.
  269. Zal je een bedrijfswagen of een loonsverhoging geven aan de vertegenwoordigers?
    Les darás un coche de la compañía o un aumento de sueldo a los representantes?
  270. De HRM-directeur ondervraagt de kandidaten voor de functie van boekhouder.
    El director de RRHH entrevista a los candidatos para la función de contable.
  271. Is het mogelijk een afspraak te maken met de nieuwe leverancier?
    Es possible concertar una cita con el nuevo suministrador?
  272. Zou hij ons nu vrijdag in de namiddag kunnen ontvangen?
    Podría recibirnos el viernes por la tarde?
  273. Ik wil een informaticabedrijf oprichten, maar ik heb nog enkele investeerders nodig.
    Quiero crear una empresa de informática, pero necesito todavía algunos inversores.
  274. Een van zijn meest creatieve werknemers zal voor de concurrentie werken.
    Uno de sus empleados más creativos trabajará para la competencia.
  275. de bouw
    la contrucción
  276. het toerisme
    el turismo
  277. de oliesector
    el petróleo
  278. de drankensector
    las bebidas
  279. de bankwereld
    la banca
  280. te telecomsector
    las telecomunicaciones
  281. de textielsector
    el textil
  282. de distributie
    la distribución
  283. het luchtvervoer
    el transporte aéreo
  284. de energiesector
    la energía
  285. het verzekeringswezen
    los seguros
  286. de automobielsector
    el automóvil
  287. een handelsschool
    una escuela de negocios
  288. een school voor marketing
    una escuela de marketing
  289. een school voor toerisme
    una escuela de turismo
  290. een talenschool
    • una academia de idiomas
    • una escuela de idiomas
  291. een luchtvaartmaatschappij
    una compañía aérea
  292. een verzekeringsmaatschappij
    una compañía de seguros
  293. een keten van kledingwinkels
    una cadena de tiendas de ropa
  294. een hotelketen
    una cadena de hoteles
  295. een voedingsbedrijg
    una empresa de alimentación
  296. een informatica bedrijf
    una empresa de informática
  297. een petrochemisch bedrijf
    una empresa petroquímica
  298. een telecombedrij
    una empresa de telecomunicaciones
  299. een architectenbureau
    un despacho de arquitectos
  300. een reclamebureau
    una agencia de publicidad
  301. een bank
    un banco
  302. een zaak, een bedrijf
    un negocio
  303. een zakenman
    un hombre de negocios
  304. de zakenwereld
    el mundo de negocios
  305. een verzekering
    un seguro
  306. verzekeren
    asegurar
  307. een bureau, een kantoor
    • un despacho
    • una oficina
  308. een groot bedrijf
    una gran empresa
  309. een middelgroot bedrijf
    una  mediana empresa
  310. een klein bedrijf
    una pequeña empresa
  311. een KMO
    • una pyme
    • una pequeña y mediana empresa
  312. een staatswinkel voor tabak, postzegels...
    un estanco
  313. een kiosk
    un quiosco
  314. een reisbureau
    una agencia de viajes
  315. een cibercafé
    un cibercafé
  316. een postkantoor
    una oficina de Correos
  317. de post
    Correos
  318. de verkoopafdeling
    el departamento comercial/de ventas
  319. de marketingafdeling
    el departamento de márketing/marketing
  320. de receptie en de infobalie
    la recepción y la información
  321. de research and development-afdeling
    R&D
    • el departamento de investigación y desarrollo
    • I+D
  322. de algemene leiding
    la dirección general
  323. de financiële afdeling
    el departamento financiero/ de finanzas
  324. de administratie
    la administración
  325. de productieafdeling
    el departamento de producción
  326. de personeelsdienst
    • el departamento de personal
    • RRHH = recursos humanos
  327. de opleidingsdienst
    el departamento de formación
  328. de logistiek
    la logística
  329. de vertegenwoordiger
    el representante
  330. de klant
    el cliente
  331. de prijs
    el precio
  332. de verkop
    la venta
  333. verkopen
    vender
  334. de aankoop
    la compra
  335. kopen
    comprar
  336. (ver)huren
    alquilar
  337. de export
    la exportación
  338. exporteren
    exportar
  339. de import
    la importación
  340. importeren
    importar
  341. verdelen
    distribuir
  342. de concurrentie
    la competencia
  343. concurreren
    competir
  344. de markt
    el mercado
  345. de reclame
    la publicidad
  346. de communicatiemiddelen
    los medios de comunicación
  347. het publiek
    el público
  348. de advertentie
    el anuncio
  349. promoten
    promocionar
  350. het logo
    el logotipo
  351. het merk
    la marca
  352. het marktonderzoek
    el estudio de mercado
  353. de trend
    la tendencia
  354. op de markt brengen
    lanzar al mercado
  355. de werknemer
    • el trabajador
    • el empleado
  356. de functie
    • el cargo
    • la función
  357. interviewen
    entrevistar
  358. de aanwerving
    la contratación
  359. aanwerven
    contratar
  360. deeltijds
    a tiempo parcial
  361. de ervaring
    la experiencia
  362. het salaris
    el salario
  363. de loonsverhoging
    el aumento salarial
  364. de bedrijfswagen
    el coche de la compañía
  365. de ingenieur
    el igeniero
  366. de industrie
    la industria
  367. het product
    el producto
  368. de productie
    la producción
  369. de fabriek
    la fábrica
  370. de fabricage
    la fabricación
  371. de fabrikant
    el fabricante
  372. fabriceren, vervaardigen
    fabricar
  373. het ontwerp
    el diseño
  374. ontwerpen
    diseñar
  375. de verpakking
    el envase
  376. de goederen
    las mercancías
  377. de leverancier
    • el proveedor
    • el suministrador
  378. de (spits)technologie
    la tecnología (punta)
  379. de innovatie
    la innovación
  380. de kwaliteitscontrole
    el control de calidad
  381. controleren
    controlar
  382. de boekhouder
    el cotable
  383. de boekhouding
    la contabilidad
  384. het boekjaar
    el ejercicio
  385. het budget
    el presupuesto
  386. het business plan
    el plan de empresa
  387. de kosten
    los costes
  388. rendabel
    rentable
  389. de rekening
    la cuenta
  390. het kapitaal
    el capital
  391. de beursgang
    la salida a Bolsa
  392. op de Beurs genoteerd zijn
    estar cotizado en la Bolsa
  393. het aandeel
    la acción
  394. de aandeelhouder
    el accionista
  395. de investering
    la inversión
  396. de investeerder
    el inversor
  397. investeren
    invertir
  398. de oprichting van een bedrijf
    la creación/ la fundación de una empresa
  399. oprichten
    • crear
    • fundar
  400. de groep
    el grupo
  401. de vennootschap
    la sociedad
  402. de leider
    el líder
  403. de fusie
    la fusión
  404. het filiaal
    la sucursal
  405. de eigenaar
    el propietario
  406. de baas
    • el jefe
    • el director
  407. de kaderleden
    los directivos
  408. het beheer
    la gestión
  409. de benedenverdieping
    la planta baja
  410. de 1e, 2e, 3e verdieping
    la primera, segunda, tercera planta
  411. de consument
    el consumidor
  412. consumeren
    consumir
  413. de consumptie, het verbruik
    el consumu
  414. de BTW
    • el IVA
    • el impuesto sobre el valor añadido
  415. de potentiële klant
    el cliente potencial
  416. de leverancier
    • el suministrador
    • el proveedor
  417. leveren
    • suministrar
    • entregar
  418. de levering
    la entrega
  419. een bestek, raming
    el presupuesto
  420. de koper
    el comprador
  421. de verkoper
    el vededor
  422. een marktonderzoek
    • un estudio de mercado
    • un sondeo de mercado
  423. een enquête houden
    hacer una encuesta
  424. een vakbeurs
    una feria
  425. een stand
    el stand
  426. de commissie
    la comisión
  427. de catalogus
    el catálogo
  428. een offerte, een aanbod
    una oferta
  429. (aan)bieden
    efrecer
  430. vrijblijvend
    sin compromiso
  431. een staal
    una muestra
  432. een veiling
    una subasta
  433. een order plaatsen
    hacer un pedido
  434. bestellen
    pedir
  435. een onderhandeling
    una negociación
  436. onderhandelen
    negociar
  437. het koopcontract
    el contrato de compraventa
  438. de prijs verhogen
    subir/aumentar el precio
  439. de prijs verlagen
    bajar el precio
  440. de prijslijst
    la lista de precios
  441. een korting
    • un descuento
    • una rebaja
  442. een dossier
    un expediente
  443. het assortiment
    el surtido
  444. een merk
    una marca
  445. de doelgroep
    • el grupo objetivo
    • el grupo meta
  446. op maat
    a medida
  447. de terugbetaling
    el reembolso
  448. terugbetalen
    reembolsar
  449. een reserveonderdeel, een wisselstuk
    la pieza de recambio
  450. de balans
    el balance
  451. inkomsten en kosten
    los ingresos y gastos
  452. uitbesteden
    subcontratar
  453. de winstmarge
    el margen de beneficios
  454. de winst
    el beneficio
  455. productiviteit
    la productividad
  456. een besparing
    un ahorro
  457. sparen, bezuinigen
    • ahorrar
    • economizar
  458. efficiënt
    eficaz
  459. de factuur
    la factura
  460. factureren
    inchecken vliegtuig
    facturar
  461. een klacht indienen
    hacer una reclamación
  462. de omzet
    • el volumen de negocios
    • la cifra de venta
  463. het bedrag overschrijven
    transferir el importe
  464. een overschrijving
    una transferencia
  465. een investering
    una inversión
  466. een investeerder
    un inversor
  467. investeren
    invertir
  468. mediaplanning
    la planificación/estrategia de medios publicitarios
  469. een handelaar, middenstander
    el comerciante
  470. een vennoot, partner
    un socio
  471. een besloten vennootschap
    • la sociedad limitada 
    • S.L.
  472. een naamloze vennootschap
    • la sociedad anónima
    • S.A.
  473. een multinational
    una empresa multinacional
  474. de hoofdzetel
    la sede principal
  475. de oprichter
    el fundador
  476. oprichten
    fundar
  477. de Raad van beheer
    el Consejo de Administración
  478. de directie, het management
    la dirección
  479. de adviseur, consultant
    el asesor
  480. in vergadering zijn
    estar reunido/-a
  481. fabricagefout
    un defecto de fabricación
  482. magazijn
    • el almacén
    • el depósito
  483. opslaan
    almacenar
  484. in voorraad hebben
    tener en almacén
  485. de oorraad
    • las existencias 
    • el stock
  486. de groothandel
    el comercio al por mayor
  487. de groothandelaar
    el mayorista
  488. de detailhandel
    el comercio al por menor
  489. de kleinhandelaar
    el minorista
  490. invoerder
    el importador
  491. import
    la importación
  492. importeren
    importar
  493. uitvoerder
    el exportador
  494. export
    la exportación
  495. exporteren
    exportar
  496. de zending
    el envío
  497. verzenden
    enviar
  498. de leveringsdatum
    la fecha de entrega
  499. de leveringstermijn
    el plazo de entrega
  500. het ontvangstbewijs, een reçu
    el recibo
  501. de boekenbeurs
    la feria del libro
  502. een daling
    una bajada
  503. met betrekking tot
    con respecto al
  504. terwijl
    mientras que
  505. diensten
    los servicios
  506. verpakking
    embalaje
  507. het spaanse vasteland zonder de eilanden
    España Peninsular
  508. een zending
    una entrega
  509. on line
    en línea
  510. een engagement
    un compomiso
  511. distributieketen
    la cadena de distribución
  512. hallo (telefoon opnemen)
    • diga?
    • dígame?
  513. waarover gaat het?
    De qué se trata?
  514. een afspraak vastleggen
    • concertar una cita
    • fijar una cita
  515. ik neem mijn agenda
    cojo/tomo mi agenda
  516. een vergadering verplaatsen
    aplazar una reunión
  517. past dit voor u?
    • le conviene?
    • le va bien?
  518. ik bel ivm
    llamo en relación con
  519. wat is het probleem?
    Cuál es el problema?
  520. de toestellen werken niet
    los aparatos no funcionan
  521. ik heb de toestellen tegen de 15e nodig
    necesito los aparatos para el 15
  522. het is dringend
    es urgente
  523. vroeger
    más temprano
  524. later
    más tarde
  525. geen probleem
    no hay problema
  526. trager spreken
    hablar más despacio
  527. ik ga het opschrijven
    voy a apuntarlo
  528. Zal het lang duren voor hij terug is?
    Tardará mucho en volver?
  529. een ogenblikje aub
    un momento por favor
  530. Blijf aan de lijn, aub.
    • No cuelgue, por favor.
    • No corte, por favor.
  531. Daar spreekt u mee
    soy yo
  532. Ik verbind u meteen door
    Ahora mismo le pongo
  533. ... komt meteen aan de lijn
    El señor X se pone enseguida
  534. ... is in gesprek
    está comunicando
  535. de lijn is bezet
    la línea está ocupada.
  536. Wacht u even of gaat u terug bellen?
    Espera o vuelve a llamar?
  537. Ik hoor je niet
    No te oigo
  538. Zeg, men hoort niets.
    Oiga, no se oye nada.
  539. Ik zal later terugbellen.
    Ll amaré más tarde.
  540. Ik zal morgen terugbellen.
    Volveré a llamar mañana.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview