Nederlands Lektion2

Card Set Information

Author:
mav83
ID:
284684
Filename:
Nederlands Lektion2
Updated:
2014-10-02 04:04:02
Tags:
Nederlands Lektion2
Folders:

Description:
PONS Power-Kurz Niederländisch, Lektion2
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user mav83 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. alleine, nur
    alleen
  2. der Beamte, die Beamtin
    de ambtenaar, ambtenares
  3. andere(r,s)
    andere
  4. Apotheke
    de apotheek
  5. Apotheker(in)
    de apotheker, apothekeres
  6. Wohnung, Appartement
    het appartement
  7. Arbeitsstelle, Job
    de baan
  8. backen
    bakken
  9. Bäcker, Bäckerin
    de bakker
  10. Bank
    de bank
  11. besitzen
    bezitten
  12. bei
    bij
  13. fast fertig
    bijna klaar
  14. Biologe (-in)
    de bioloog, biologe
  15. Buchhalter
    de boekhouder
  16. Briefe
    de brieven
  17. Brille
    de bril
  18. Bruder
    de broer
  19. Konzert
    het concert
  20. Dozentin
    de docente
  21. tun
    doen
  22. Arzt, Ärztin
    de dokter
  23. Betriebswirtschaft
    economie
  24. eigentlich
    eigenlijk
  25. fantastisch
    fantastisch
  26. Fahrrad
    de fiets
  27. Fahrrad fahren
    fietsen
  28. Film
    de film
  29. Arzneimittel
    de geneesmiddelen
  30. gesund
    gezond
  31. Gruppenleiter
    de groepsleider
  32. haben
    hebben
  33. hat
    heeft
  34. sehr gut
    heel erg goed
  35. Es geht so.
    Het gaat wel.
  36. Wie geht's?
    Hoe gaat het ermee?
  37. Wie geht's dir/Ihnen?
    Hoe gaat het met je/u?
  38. Wie geht es Ihnen?
    Hoe maakt u het?
  39. Hauptstadt
    de hoofdstad
  40. Gastronomie
    de horeca
  41. mögen, lieben
    houden van
  42. Ich mag sehr gerne...
    Ik houd erg van...
  43. in der Nähe
    in de buurt
  44. Frisör /-in
    de kapper / kapster
  45. Kind
    het kind
  46. Kinder
    de kinderen
  47. fertig
    klaar
  48. basteln
    knutselen
  49. koken
    kochen
  50. Zeitung
    de krant
  51. später
    later
  52. (ich) lese
    lees
  53. Lehrer /-in
    de leraar / lerares
  54. lehren
    leren
  55. lesen
    lezen
  56. lieber
    liever
  57. Medizin
    medicijnen
  58. Mensch
    de mens
  59. Menschen
    de mensen
  60. Natur
    de natuur
  61. nicht so gut
    niet zo best/goed
  62. noch
    nog
  63. Optiker, Optikerin
    de opticien
  64. organisieren
    organiseren
  65. Eltern
    de ouders
  66. Personalleiter
    de personeelsleider
  67. der Polizist / Polizistin
    de politieagent / politieagente
  68. reden, sprechen
    praten
  69. prima
    prima
  70. Jura
    rechten
  71. rechnen
    rekenen
  72. relativ
    relatief
  73. reparieren
    repareren
  74. Maler /-in
    de schilder, schilderes
  75. malen
    schilderen
  76. Schuh / Schuhe
    de schoen / schoenen
  77. Schuhladen
    de schoenenwinkel
  78. Schule
    de school
  79. schreiben
    schrijven
  80. Sektretärin
    de secretaresse
  81. schlecht
    slecht
  82. manchmal
    soms
  83. spielen
    spelen
  84. sportlich
    sportief
  85. Stadt
    de stad
  86. Student /-in
    de student / studente
  87. Studenten
    de studenten
  88. studieren
    studeren
  89. Studienbücher
    de studieboeken
  90. Studienfach
    de studierichting
  91. Es könnte nicht besser sein.
    't kan niet beter.
  92. Torte, Kuchen
    de taart
  93. Zeichner /-in
    de tekenaar, tekenares
  94. telefonieren
    telefoneren
  95. Fernseher
    de televisie
  96. Tennis spielen
    tennissen
  97. zu Hause
    thuis
  98. Zeit
    de tijd
  99. im Garten arbeiten
    tuinieren
  100. zwei
    twee
  101. ausgezeichnet
    uitstekend
  102. Universität
    de universiteit
  103. Verkäufer /-in
    de verkoper / verkoopster
  104. verkaufen
    verkopen
  105. Krankenschwester
    de verpleegster
  106. sag mal
    vertel eens
  107. spazieren gehen, wandern
    wandelen
  108. Was für Hobbys hast du?
    Wat heb jij voor hobby's?
  109. welche(r)?
    welke?
  110. Arbeit
    het werk
  111. arbeiten
    werken
  112. einkaufen, bummeln
    winkelen
  113. Wohnung
    de woning
  114. krank
    ziek
  115. (ich) suche
    zoek
  116. suchen
    zoeken
  117. Schwester
    de zus
  118. schwimmen
    zwemmen
  119. haben
    • hebben
    • ik heb, jij hebt, u hebt (heeft), hij heeft
    • wij/jullie/zij hebben
  120. die Antwort
    het antwoord
  121. der Apparat
    het apparaat
  122. der Bericht
    het bericht
  123. der Beruf
    het beroep
  124. der Besuch
    het bezoek
  125. die Landschaft
    het landschap
  126. het transport
    der Transport
  127. das Mädchen
    het meisje
  128. das Brüderchen
    het broertje
  129. das Männlein
    het manneke
  130. Auto
    de auto
  131. Baby
    de baby
  132. Boot
    de boot
  133. datum
    de datum
  134. Radio
    de radio
  135. Studium
    de studie
  136. Telefon
    de telefoon
  137. Ich habe keien Geschwister.
    Ik heb geen broers of zussen.
  138. Ich gehe gerne aus.
    Ik ga graag uit.
  139. Ich gehe gerne in ein Konzert.
    Ik ga graag naar een concert.
  140. Ich gehe gerne in die Kneipe.
    Ik ga graag naar de kroeg.
  141. Ich gehe gerne essen.
    Ik ga graag uit eten.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview