Nederlands Lektion4

Card Set Information

Author:
mav83
ID:
286097
Filename:
Nederlands Lektion4
Updated:
2014-10-17 10:33:58
Tags:
Nederlands Lektion4
Folders:

Description:
Nederlands Power-Kurs Lektion4
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user mav83 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. abend
    's avonds
  2. acht
    acht
  3. Garten hinter dem Haus
    de achtertuin
  4. ab und zu
    af en toe
  5. abtrocknen
    afdrogen
  6. abwaschen
    afwassen
  7. immer
    altijd
  8. Balkon
    het balkon
  9. Sofa
    de bank
  10. bisschen
    beetje
  11. betrachten
    bekijken
  12. bewohnen
    bewonen
  13. beinahe, fast
    bijna
  14. fast immer
    bijna altijd
  15. fast nie
    bijna nooit
  16. einkaufen (Lebensmittel, Gebrauchsgegenstände)
    boodschappen doen
  17. Butterbrot, Brotscheibe
    de boterham
  18. Zentrum
    het centrum
  19. duschen
    douchen
  20. drei
    drie
  21. Zwerge
    de dwergen
  22. eins (Grundzahl)
    één
  23. es gibt (Sing.)
    er is
  24. es gibt (Pl.)
    er zijn
  25. Essen machen
    het eten klaarmaken
  26. Hochhäuser
    de flatgebouwen
  27. Flaschen
    de flessen
  28. Geld
    het geld
  29. Zahl
    het getal
  30. Zahlen
    de getallen
  31. Giebel
    de gevels
  32. Grachten
    de grachten
  33. ihr(e)
    haar
  34. halb
    half
  35. Haushalt machen
    het huishouden doen
  36. ihr(e) (3. Pl.)
    hun
  37. mieten
    huren
  38. Nachrichten
    het journaal
  39. dein(e)
    jouw
  40. euer, eure
    jullie
  41. schauen, gucken
    kijken
  42. kaufen
    kopen
  43. ein Viertel
    een kwart
  44. Mann
    de man
  45. mein
    mijn
  46. müde
    moe
  47. neun
    negen
  48. Neubaugebiete
    de nieuwbouwgebieden
  49. nie
    nooit
  50. um
    om
  51. unter
    onder
  52. ungefähr
    ongeveer
  53. unser
    • ons (het)
    • onze (de)
  54. Frühstück
    het ontbijt
  55. frühstücken
    ontbijten
  56. aufräumen
    opruimen
  57. aufstehen
    opstaan
  58. nach
    over
  59. Pflanzen
    de planten
  60. Pflanzen gießen
    de planten water geven
  61. Fenster
    de ramen
  62. Reihenhaus
    het rijtjeshuis
  63. mittags
    's middags
  64. morgens
    's morgens
  65. sauber machen, putzen
    schoonmaken
  66. Diplomarbeit
    de scriptie
  67. schmal
    smal
  68. Süßigkeit, Bonbon
    het snoepje
  69. sich bewerben
    solliciteren
  70. manche
    sommige
  71. Staub wischen
    het stof afnemen
  72. staubsaugen
    stofzuigen
  73. bügeln
    strijken
  74. zu
    te
  75. fernsehen
    televisie kijken
  76. tien
    zehn
  77. bis
    tot
  78. zwölf
    twaalf
  79. ausruhen
    uitrusten
  80. aussschlafen
    uitsplapen
  81. Uhr
    uur
  82. Ihr(e)
    uw
  83. oft
    vaak
  84. Spülmaschine
    de vaatwasser
  85. Ferienhaus
    het vakantiehuis
  86. Etagen, Stockwerke
    de verdiepingen
  87. abfahren, weggehen
    vertrekken
  88. vier
    vier
  89. fünf
    vijf
  90. Finger
    de vingers
  91. bevor
    voordat
  92. Vorgarten
    de voortuin
  93. fragen
    vragen
  94. früh
    vroeg
  95. Frau
    de vrouw
  96. Frauen
    de vrouwen
  97. wach
    wakker
  98. aufwachen
    wakker worden
  99. wann
    wanneer
  100. warm
    warm
  101. warm essen
    warm eten
  102. Wäsche
    de was
  103. Wäsche machen
    de was doen
  104. gießen
    water geven
  105. Wochenende
    het weekend
  106. wieder
    weer
  107. Wohnbote
    de woonboten
  108. sagen
    zeggen
  109. sechs
    zes
  110. sieben
    zeven
  111. sein(e)
    zijn
  112. Sohn
    de zoon

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview