sterke werkwoorden

Card Set Information

Author:
ClockHeart
ID:
287464
Filename:
sterke werkwoorden
Updated:
2014-10-29 11:12:44
Tags:
sterke werkwoorden
Folders:

Description:
sterke werkwoorden lijst wikipedia
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ClockHeart on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. bergen
    borg/geborgen
  2. bidden
    bad/gebeden
  3. bieden
    bood/geboden
  4. bijten
    beet/gebeten
  5. binden
    bond/gebonden
  6. blazen
    blies/geblazen
  7. blijken
    bleek/gebleken
  8. blijven
    bleef/gebleven
  9. blinken
    blonk/geblonken
  10. breken
    brak/gebroken
  11. brengen
    bracht/gebracht
  12. buigen
    boog/gebogen
  13. delven
    dolf/gedolven
  14. denken
    dacht/gedacht
  15. (be)derven
    (be)dierf/(be)dorven
  16. dingen
    dong/gedongen
  17. doen
    deed/gedaan
  18. dragen
    droeg/gedragen
  19. bedriegen
    bedroog/bedrogen
  20. verdrieten
    verdroot/verdroten
  21. drijven
    dreef/gedreven
  22. dringen
    drong/gedrongen
  23. drinken
    dronk/gedronken
  24. druipen
    droop/gedropen
  25. duiken
    dook/gedoken
  26. verdwijnen
    verdween/verdwenen
  27. dwingen
    dwong/gedwongen
  28. eten
    at/gegeten
  29. fluiten
    floot/gefloten
  30. gaan
    ging/gegaan
  31. gelden
    gold/gegolden
  32. vergeten
    vergat/vergeten
  33. geven
    gaf/gegeven
  34. gieten
    goot/gegoten
  35. beginnen
    begon/begonnen
  36. glijden
    gleed/gegleden
  37. glimmen
    glom/geglommen
  38. graven
    groef/gegraven
  39. grijpen
    greep/gegrepen
  40. hangen
    hing/gehangen
  41. hebben
    had/gehad
  42. heffen
    hief/geheven
  43. helpen
    hielp/geholpen
  44. hijsen
    hees/gehesen
  45. houden
    hield/gehouden
  46. houwen
    hieuw/gehouwen
  47. jagen
    joeg/gejaagd
  48. kerven
    korf/gekorven
  49. kiezen
    koos/gekozen
  50. kijken
    keek/gekeken
  51. kijven
    keef/gekeven
  52. klieven
    kloof/gekloven
  53. klimmen
    klom/geklommen
  54. klinken
    klonk/geklonken
  55. knijpen
    kneep/geknepen
  56. komen
    kwam/gekomen
  57. kopen
    kocht/gekocht
  58. krijgen
    kreeg/gekregen
  59. krijsen
    krees/gekresen
  60. krijten
    kreet/gekreten
  61. krimpen
    kromp/gekrompen
  62. kruipen
    kroop/gekropen
  63. kunnen
    kon/gekunnen
  64. kwijten
    kweet/gekweten
  65. laten
    liet/gelaten
  66. lezen
    las/gelezen
  67. liegen
    loog/gelogen
  68. verliezen
    verloor/verloren
  69. liggen
    lag/gelegen
  70. lijden
    leed/geleden
  71. lijken
    leek/geleken
  72. lopen
    liep/gelopen
  73. luiken
    look/geloken
  74. meten
    mat/gemeten
  75. mijden
    meed/gemeden
  76. moeten
    moest/gemoeten
  77. mogen
    mocht/gemogen
  78. nemen
    nam/genomen
  79. genezen
    genas/genezen
  80. genieten
    genoot/genoten
  81. nijgen
    neeg/genegen
  82. nijpen
    neep/genepen
  83. pluizen
    ploos/geplozen
  84. prijzen
    prees/geprezen
  85. rijden
    reed/gereden
  86. rijgen
    reeg/geregen
  87. rijten
    reet/gereten
  88. rijven
    reef/gereven
  89. rijzen
    rees/gerezen
  90. rinnen
    ron/geronnen
  91. roepen
    riep/geroepen
  92. ruiken
    rook/geroken
  93. schelden
    schold/gescholden
  94. schenden
    schond/geschonden
  95. schenken
    schonk/geschonken
  96. scheppen
    schiep/geschapen
  97. scheren
    schoor/geschoren
  98. schieten
    schoot/geschoten
  99. schrijden
    schreed/geschreden
  100. schijten
    scheet/gescheten
  101. schijnen
    scheen/geschenen
  102. schrijven
    schreef/geschreven
  103. schrikken
    schrok/geschrokken
  104. schuilen
    school/gescholen
  105. schuiven
    schoof/geschoven
  106. slaan
    sloeg/geslagen
  107. slapen
    sliep/geslapen
  108. slijpen
    sleep/geslepen
  109. slijten
    sleet/gesleten
  110. verslinden
    verslond/verslonden
  111. slinken
    slonk/geslonken
  112. sluipen
    sloop/geslopen
  113. sluiten
    sloot/gesloten
  114. smelten
    smolt/gesmolten
  115. smijten
    smeet/gesmeten
  116. snijden
    sneed/gesneden
  117. snuiten
    snoot/gesnoten
  118. snuiven
    snoof/gesnoven
  119. spijten
    speet/gespeten
  120. spinnen
    spon/gesponnen
  121. splijten
    spleet/gespleten
  122. spreken
    sprak/gesproken
  123. springen
    sprong/gesprongen
  124. spruiten
    sproot/gesproten
  125. spugen
    spoog/gespogen
  126. spuiten
    spoot/gespoten
  127. staan
    stond/gestaan
  128. steken
    stak/gestoken
  129. stelen
    stal/gestolen
  130. sterven
    stierf/gestorven
  131. stijgen
    steeg/gestegen
  132. stijven
    steef/gesteven
  133. stinken
    stonk/gestonken
  134. strijden
    streed/gestreden
  135. strijken
    streek/gestreken
  136. stuiven
    stoof/gestoven
  137. tijgen
    toog/getogen
  138. treden
    trad/getreden
  139. trekken
    trok/getrokken
  140. vallen
    viel/gevallen
  141. vangen
    ving/gevangen
  142. ervaren
    ervoer/ervaren
  143. varen
    voer/gevaren
  144. vechten
    vocht/gevochten
  145. bevelen
    beval/bevolen
  146. bevallen
    beviel/bevallen
  147. vinden
    vond/gevonden
  148. vlechten
    vlocht/gevlochten
  149. vliegen
    vloog/gevlogen
  150. vragen
    vroeg/gevraagd
  151. vreten
    vrat/gevreten
  152. vriezen
    vroor/gevroren
  153. vrijen
    vree/gevreeƫn
  154. wegen
    woog/gewogen
  155. werpen
    wierp/geworpen
  156. werven
    wierf/geworven
  157. weten
    wist/geweten
  158. weven
    woof/geweven
  159. wijken
    week/geweken
  160. wijten
    weet/geweten
  161. wijzen
    wees/gewezen
  162. winden
    wond/gewonden
  163. winnen
    won/gewonnen
  164. worden
    werd/geworden
  165. wreken
    wrak/gewroken
  166. wrijven
    wreef/gewreven
  167. wringen
    wrong/gewrongen
  168. wuiven
    woof/gewoven
  169. zeggen
    zei/gezegd
  170. zeiken
    zeek/gezeken
  171. zenden
    zond/gezonden
  172. zien
    zag/gezien
  173. zijn
    was/geweest
  174. zingen
    zong/gezongen
  175. zinken
    zonk/gezonken
  176. zinnen
    zon/gezonnen
  177. zitten
    zat/gezeten
  178. zoeken
    zocht/gezocht
  179. zuigen
    zoog/gezogen
  180. zuipen
    zoop/gezopen
  181. zullen
    zou / geen voltooid deelwoord!!
  182. zwemmen
    zwom/gezwommen
  183. zweren
    zwoor/gezworen
  184. zwerven
    zwierf/gezworven
  185. zwijgen
    zweeg/gezwogen
  186. bezwijken
    bezweek/bezweken
  187. verzwinden
    verzwond/verzwonden

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview