Marketing_Chap12_NF.csv

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
292092
Filename:
Marketing_Chap12_NF.csv
Updated:
2014-12-26 16:52:35
Tags:
Marketing
Folders:

Description:
Marketing Chap12 NF
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Marketing en public relations
    Le marketing et les relations publiques
  2. de behoefte (-n/-s)
    le besoin
  3. de behoefte hebben aan
    avoir besoin de
  4. individuele behoefte
    besoin personnel
  5. onderliggende behoefte
    besoin sous-jacant
  6. een behoefte bevredigen
    satisfaire un besoin
  7. een behoefte ontdekken
    dcouvrir un besoin
  8. een behoefte opwekken
    veiller un besoin
  9. een behoefte vaststellen
    raliser un besoin
  10. een behoefte bepalen
    dterminer un besoin
  11. een behoefte vervullen
    raliser un besoin
  12. een behoefte voorzien
    prvoir un besoin
  13. de klant (-en)
    le client
  14. de klant is koning
    le client est roi
  15. de loyaliteit van de klant
    la fidlit du client
  16. aan de verwachtingen (=wensen) van de klant voldoen
    satisfaire les attentes (=souhaits) des clients
  17. de klant zijn bij
    tre le client chez
  18. de klant worden bij
    devenir le client chez
  19. de klanten aantrekken (=lokken)
    attirer des clients
  20. de klanten behouden (= vasthouden)
    garder (= maintenir) des clients
  21. de klanten benvloeden
    influencer les clients
  22. de klanten overtuigen
    convaincre les clients
  23. de klanten tevreden stellen
    satisfaire les clients
  24. de bestaande klanten (=huidige)
    les clients actuels
  25. de kooplustige klanten
    les clients dpensiers
  26. de loyale klanten
    les clients fidles
  27. de niet-loyale klanten
    les clients non fidles
  28. de ontevereden klanten
    les clients insatisfaits
  29. de tevreden klanten
    les clients satisfaits
  30. de potentile klanten
    les clients potentiels
  31. de toekomstige klanten
    les clients futurs
  32. de vaste klanten
    les clients fidles (= rguliers)
  33. getuigenissen van klanten
    des tmoignages de clients
  34. klanten werven
    prospecter des clients
  35. de marketeer (-s)
    le specialiste du marketing
  36. de marketing
    le marketing
  37. direct marketing
    le marketing direct
  38. duurzame marketing
    le marketing durable
  39. groen marketing
    le marketing vert
  40. individuele marketing
    le marketing personalis (=individualis)
  41. de geconcentreerde marketing (= nichemarketing)
    le marketing concentr (= de niche)
  42. de ongedifferentieerde marketing
    le marketing indiffrenci
  43. de gedifferencieerde marketing
    le marketing diffrenci
  44. de segmentmarketing
    le marketing segment
  45. de maatschappelijke marketing
    le marketing social
  46. de mobile marketing
    le marketing mobile
  47. de operationele marketing
    le marketing oprationnel
  48. de strategische marketing
    le marketing stratgique
  49. de belevingsmarketing
    le marketing exprientiel
  50. business-to-businessmarketing (= B2B-marketing)
    le B2B marketing
  51. business-to-consumer marketing (= de B2C-marketing)
    le B2C marketing
  52. e-mailmarketing
    l'e-mailing marketing
  53. neuromarketing
    neuromarketing
  54. nichemarketing
    marketing de niche
  55. relatiemarketing
    marketing relationnel
  56. telemarketing
    tlmarketing
  57. trademarketing
    trade marketing
  58. zintuigenmarketing
    marketing sensoriel
  59. de markt
    le marche
  60. de markt afbakenen
    dlimiter le march
  61. de markt benaderen
    approcher la march
  62. de markt bewerken
    travailler le march
  63. de markt verkennen
    prospecter le march
  64. de markt veroveren
    conqurir le march
  65. een groot deel van de markt bestrijken
    couvrir une grande partie du march
  66. de binnenlandse markt
    le marche national
  67. de buitenlandse markt
    le marche international
  68. zich differentieren op de markt
    se differencier sur le marche
  69. in een markt doordringen
    penetrer dans un marche
  70. op een markt doorstoten
    percer sur un marche
  71. de markt in segmenten opsplitsen (= segmenteren)
    segmenter le marche
  72. een gat in de markt opsporen
    deceler un creneau (commercial)
  73. de omvang van een markt
    l'etendue d'un marche
  74. ontluikende
    marche emergent
  75. prijsgevoelige markt
    marche sensible aux prix
  76. trage markt
    un marche lourd
  77. veelbelovende markt
    un marche prometteur
  78. winstgevende markt
    un marche porteur
  79. in/op een markt opereren
    agir(= operer) sur un marche
  80. de markt overspoelen met
    inonder le marche de
  81. zich op een markt storten
    s'attaquer a un marche
  82. zich uit een markt terugtrekken
    se retirer d'un marche
  83. de markt uitbreiden naar (= tot) het buitenland
    etendre le marche vers l'etranger
  84. de markt is verzadigd
    le marche est sature (= engorge)
  85. afzetmarkt
    le debouche (= le marche)
  86. consumentenmarkt
    marche des consommateurs
  87. groeimarkt
    marche en expansion
  88. kopersmarkt
    marche des acheteurs
  89. nichemarkt
    marche de niche
  90. overheidsmarkt
    marche en expansion
  91. de nood (noden) [B]
    le besoin
  92. inspelen op de noden van de klant
    repondre aux besoins du client
  93. de omgeving (-en)
    l'environnement
  94. de culturele omgeving
    l'environnement culturel
  95. de demografische omgeving
    l'environnement demographique
  96. de economische omgeving
    l'environnement economique
  97. de externe omgeving
    l'environnement externe
  98. de natuurlijke omgeving
    l'environnement naturel
  99. de politieke omgeving
    l'environnement politique
  100. de technologische omgeving
    l'environnement technique
  101. het consumentengedrag
    le comportement des consommateurs
  102. het consumentenpanel (-s)
    l'echantillon de consommateurs, le panel de consommateurs
  103. een consumentenpanel samenstellen
    constituer un echantillon de consommateurs
  104. de enquete (-s)
    l'enquete
  105. de deelnemers aan een de enquete
    les participants a une enquete
  106. een mondelinge enquete houden
    faire (= realiser) une enquete orale
  107. een schriftelijke enquete houden
    faire (= realiser) une enquete postale
  108. een telefonische enquete houden
    faire (= realiser) une enquete telephonique (par telephone)
  109. het huishouden
    le menage
  110. de ondervraagde
    le sonde
  111. de ondervraging
    le sondage
  112. de respondent
    la personne interrogee
  113. interviewen (interviewde / heeft geinterviewd)
    interviewer
  114. het koopgedrag
    le comportement d'achat
  115. de koopintentie (-s)
    l'intention d'achat
  116. het marktonderzoeksbureau (-s)
    la societe d'etudes de marches
  117. culturele factoren
    facteurs culturels
  118. economische factoren
    facteurs economiques
  119. geografische factoren
    facteurs geographiques
  120. juridische factoren
    facteurs Juridiques
  121. politieke factoren
    facteurs politiques
  122. psychologische factoren
    facteurs V
  123. sociale factoren
    facteurs sociaux
  124. de marktonderzoeker (-s)
    le specialiste en etudes de marche
  125. de marktverkenning (-en)
    la prospection du marche
  126. ondervragen (ondervraagde, ondervroeg / heeft ondervraagd)
    sonder
  127. het onderzoek (-en)
    l'enquete, l'etude
  128. de doelstellingen van het marktonderzoek
    Les objectifs de l'etude de marche
  129. een marktonderzoek online (uit)voeren
    mener une etude de marche en ligne
  130. consumentenonderzoek
    etude du consommateur
  131. gedragsonderzoek
    etude du comportement
  132. marktonderzoek
    etude de marche
  133. opinieonderzoek
    le sondage d'opinion
  134. veldonderzoek
    etude sur le terrain
  135. de onderzoeker (-s)
    l'enqueteur
  136. de opiniepeiling (-en)
    l'enquete, le sondage (d'opinion)
  137. een marktonderzoek houden
    faire un sondage
  138. de steekproef (-proeven)
    l'echantillon
  139. aselecte steekproef
    echantillon aleatoire
  140. gestratificeerde steekproef
    echantillon stratifie
  141. een representatieve steekproef uit de populatie trekken
    prelever un echantillon representatif de la population
  142. quotasteekproef
    echantillon par quotas
  143. trossteekproef (= clustersteekproef)
    echantillon par grappes
  144. kanssteekproef
    echantillon probabiliste
  145. niet-kanssteekproef
    echantillon non probabiliste
  146. de steekproeftrekking (-en)
    l'echantillonnage
  147. de vragenlijst (-en)
    le questionnaire
  148. een gerichte steekproef opstellen
    etablir un questionnaire directif
  149. de aankoop (-kopen)
    l'achat, l'acquisition
  150. bij de aankoop van
    a l'achat de
  151. bij de aankoop van drie flessen wijn (krijgt u) een gratis glas
    verre gratuit a l'achat de trois bouteilles de vin
  152. grote aankopen doen
    faire des achats importants
  153. impulsaankoop
    achat impulsif
  154. aankopen(kocht aan / heeft aangekocht)
    acheter, acquerir, s'acheter, se procurer
  155. nieuwe stoelen aankopen
    s'acheter de nouvelles chaises
  156. de analyse (-n/-s)
    l'analyse
  157. de analyses wijzen in dezelfde richting
    les analyses concordent
  158. SWOT-analyse
    Strengths, Weaknesses, Opportunities, Threats analyse
  159. sterktes
    forces
  160. zwaktes
    faiblesses
  161. kansen
    opportunites
  162. bedreigingen
    menaces
  163. de benchmarking
    le benchmarking, l'etalonnage
  164. de concurrent (-en)
    le concurrent
  165. de (in)directe concurrent
    le concurrent (in)direct
  166. de huidige concurrent
    les concurrents actuels
  167. de potentiele concurrent
    les concurrents potentiels
  168. de bestaande concurrent
    les concurrents existants
  169. de nabije concurrent
    les concurrents proches
  170. de verre concurrenten
    les concurrents lointains
  171. zich onderscheiden van de concurrenten
    se differencier de la concurrence
  172. de concurrentie
    la concurrence
  173. de concurrentie aangaan met
    entrer en concurrence avec
  174. de(in)directe concurrentie
    la concurrence (in)directe
  175. de(on)eerlijke concurrentie
    la concurrence(de)Loyale
  176. moordende concurrentie
    la concurrence feroce (== meurtriere)
  177. scherpe(= sterke) concurrentie
    la forte concurrence
  178. zich onderscheiden van de concurrentie
    se differencier de la concurrence
  179. de concurrentiepositie
    la position concurrentielle, la competitivite
  180. de concurrentiestrijd
    la concurrence, la lutte concurrentielle
  181. de concurrentie aanbinden (= aangaan) met
    entrer en concurrence avec
  182. het concurrentievoordeel (-delen)
    l'avantage concurrentiel
  183. een aanzienlijk concurrentie opbouwen
    construire un avantage concurrentiel important
  184. een aanzienlijk concurrentie opleveren
    rapporter un avantage concurrentiel important
  185. een aanzienlijk concurrentie vaststellen
    etablir un avantage concurrentiel important
  186. de differentiatie
    la differenciation
  187. differentieren (differentieerde / heeft gedifferentieerd)
    differencier
  188. de doelgroep (-en)
    le groupe-cible
  189. goed op de doelgroep afgestemd
    bien cible
  190. de doelgroep bepalen
    determiner le groupe-cible
  191. de doelgroep bereiken
    atteindre le groupe cible
  192. de doelgroep kiezen
    choisir le groupe-cible
  193. op een precieze doelgroep gericht zijn
    etre cible
  194. kwantitatief onderzoek voeren bij de doelgroep
    mener une enquete quantitative aupres de la cible
  195. kwalitatief onderzoek voeren bij de doelgroep
    mener une enquete qualitative aupres de la cible
  196. de leeftijdscategorieen van de doelgroep
    les tranches d'age de la cible
  197. verschillende doelgroepen aanspreken
    cibler differents groupes
  198. de hoofddoelgroep
    le cceur de cible
  199. de gebruiker (-s)
    l'utilisateur
  200. de gemiddelde gebruiker
    l'utilisateur moyen
  201. de huidige gebruiker
    l'utilisateur actuel
  202. de potentiele gebruiker
    l'utilisateur potentiel!regulier
  203. de regelmatige gebruiker
    l'utilisateur regulier
  204. de eindgebruiker
    l'utilisateur final
  205. de koopkracht
    le pouvoir d'achat
  206. het marketingplan (-nen)
    le plan marketing
  207. een geintegreerd marketingplan opstellen
    etablir un plan marketing integre
  208. het marketingplan implementeren
    realiser le plan marketing
  209. de implementatie van het marketingplan
    la mise en reuvre du plan marketing
  210. het marktaandeel
    la part de marche
  211. het marktaandeel heroveren
    reconquerir des parts de marches
  212. het marktaandeel verliezen
    perdre des parts de marches
  213. stabiel marktaandeel
    part de marche stable (= constante)
  214. marktaandeel veroveren
    s'emparer de parts de marche
  215. de marktleider (-s)
    le leader; le produit leader
  216. de marktpositie
    la position sur le marche
  217. een goede marktpositie opbouwen
    • se forger une position de choix sur le march?
    • het marktsegment (-en)
    • le segment de marche
  218. een marktpositie afbakenen
    delimiter un segment de marche
  219. de mededinging
    la concurrence
  220. de vrije mededinging (= concurrentie)
    la libre concurrence
  221. de niche(-s)
    le creneau, le marche de niche, la niche
  222. in een niche opereren
    occuper un marche de niche
  223. positioneren (positioneerde /heeft gepositioneerd)
    positionner
  224. de positionering
    le positionnement
  225. marktpositionering
    positionnement du marche
  226. merkpositionering
    positionnement de marque ;
  227. productpositionering
    positionnement du produit
  228. de segmentatie (-s)
    la segmentation
  229. demografische segmentatie
    segmentation demographique
  230. etnische segmentatie
    segmentation ethnique
  231. geografische segmentatie
    segmentation geographique
  232. psychografische segmentatie
    segmentation psychographique
  233. de segmentatie naar gelegenheid
    segmentation selon la situation d'achat(= de consommation)
  234. de segmentatie naar geslacht
    segmentation selon le sexe
  235. de segmentatie naar inkomen
    segmentation selon le revenu
  236. de strategie (-en)
    la strategie
  237. aanvalsstrategie
    strategie d'attaque
  238. communicatiestrategie
    strategie de communication
  239. concurrentiestrategie
    strategie des concurrents
  240. marketingstrategie
    strategie marketing
  241. marktstrategie
    strategie commerciale
  242. merkstrategie
    strategie de marque
  243. prijsstrategie
    strategie de prix
  244. pull- en pushstrategie
    strategie pull et push
  245. de targeting
    le ciblage
  246. De VIER P's: P - Product, P - Prijs, P - Plaats en P - Promotie
    Les QUATRE P: Le P - Produit, Le P - Prix, Le P - Place et Le P - Promotion
  247. Algemeen
    Generalites
  248. de marketingmix
    le marketing(-)mix; le marketing strategique; les 4 P
  249. geintegreerde marketing mix
    marketing mix integre
  250. het assortiment (-en)
    l'assortiment, l'eventail, la gamme
  251. de breedte van het assortiment
    la largeur de l'assortiment
  252. de lengte van het assortiment
    la l'etendue de l'assortiment
  253. het assortiment inperken
    resserrer l'eventail des produits
  254. het assortiment uitbreiden
    elargir (= etendre) l'eventail des produits
  255. de uitbreiding van het assortiment
    l'extension de gamme
  256. productassortiment
    assortiment de produits
  257. de consument(-en)
    le consommateur
  258. de consument bereiken
    atteindre le consommateur
  259. de consument oplichten (= bedriegen = misleiden)
    tromper le consommateur
  260. de gemiddelde consument
    le consommateur moyen
  261. de prijsbewuste consument
    le consommateur averti
  262. de toekomstige consument
    le consommateur futur
  263. consumeren (consurrieerde / heeft geconsumeerd)
    consommer
  264. de consumptie (-s)
    la consommation
  265. persoonlijke consumptie
    la consommation personnelle
  266. het (de) gamma (-'s)
    la gamme
  267. product(en)gamma
    gamme de produits
  268. de merchandising
    le marchandisage, le merchandising
  269. aan merchandising doen
    faire du merchandising
  270. het merk (-en)
    la marque
  271. gedeponeerd merk
    marque deposee
  272. het imago van het merk (= merkimago)
    l'image de marque
  273. een sterk merk opbouwen
    construire une marqueforte
  274. op een ander merk overstappen (= van merk veranderen)
    changer de marque
  275. de waarde van het merk (= merkwaarde)
    la valeur de la marque
  276. de waardering van het merk
    la valorisation de la marque
  277. A-merk
    marque de grande notoriete
  278. familiemerk
    marque de famille
  279. handelsmerk
    marque commerciale
  280. huismerk
    marque du distributeur
  281. de merkbekendheid
    la notoriete de la marque
  282. de merknaam (-namen)
    la griffe, la marque deposee, le nom de marque, le nom depose
  283. gevestigde merk
    marque etablie
  284. een merk selecteren
    selectionner un nom de marque
  285. het model(-len)
    le modele
  286. instapmodel
    modele de base
  287. luxemodel
    modele deluxe
  288. standaardmodel
    modele standard
  289. de naam(s}bekendheid
    la notoriete du nom
  290. de naam(s}bekendheid creeren/genereren/verwerven (= krijgen)
    creer/generer/acquerir de la notoriete
  291. het octrooi (-en)
    le brevet
  292. de aanvraag van een de naam(s}bekendheid (= octrooiaanvraag)
    la demande d'un brevet
  293. een de naam(s}bekendheid aanvragen
    deposer un brevet
  294. het octrooi(= het patent)
    le brevet
  295. de toekenning
    l'octroi
  296. het patent(-en)
    le brevet
  297. een patent aanvragen/verkrijgen/verlenen
    deposer/obtenir/delivrer un brevet
  298. het patent op iets nemen
    faire breveter une invention
  299. patenteren(patenteerde / heeft gepatenteerd)
    breveter
  300. een fabricageprocede
    faire breveter un procede de fabrication
  301. de(het) portfolio( -'s)
    le portefeuille
  302. zijn portfolio uitbreiden
    elargir son portefeuille de produits
  303. bedriifsportfolio
    portefeuille d'activites et de produits
  304. klantenportfolio
    portefeuille de clients
  305. product(en)portfolio
    portefeuille de produits
  306. het product(-en)
    le produit
  307. een product aanpassen
    adapter un produit
  308. een product aanschaffen (= in huis halen = kopen)
    acquerir un produit(= acheter)/livrer = fournir)
  309. een product(af)leveren/creeren(= ontwerpen = ontwikkelen)
    livrer (= fournir)
  310. een product creeren(= ontwerpen = ontwikkelen)
    creer un produit(= developper)
  311. een product verbeteren/vervangen/voorstellen
    ameliorer/remplacer/presenter un produit
  312. de aard van het product
    la nature du produit
  313. een product commercialiseren (= in de handel brengen = lanceren = op de markt brengen = uitbrengen)
    lancer un produit sur le marche
  314. de commercialisering(= lancering = introductie) van een product
    la commercialisation (= le lancement) d'un produit
  315. een concurrerend/duurzaam/ niet-duurzaam (= bederfelijk) /goedkoop/ (peper)duur/spotgoedkoop
    un produit concurrrent/durable/perissable/bon marche/(terriblement)cher/defiant toute concurrence
  316. de gebruiksvriendelijkheid van een product
    la convivialite d'un produit
  317. een product uit de handel nemen
    ecarter un produit du marche (= retirer un produit de la vente)
  318. de introductiefase/groeifase/volwassenheidsfase/neergangsfase van een product
    la phase de lancement/croissance/maturite/declin d'un produit
  319. de levensduur/levensfase(= levenscyclus) van een product
    la duree de vie/le cycle de vie d'un produit
  320. de meerwaarde van een product
    la plus value d'un produit
  321. een vervangend product
    un produit de remplacement (= substitution)
  322. de productcategorie (-en)
    la categorie du produit
  323. de productgroep(-en)
    la gamme (de produits)
  324. een product opvullen/toevoegen
    remplir/ajouter une gamme de produits
  325. de productlijn(-en)
    la gamme, la ligne de produits
  326. gedifferentieerde productielijn
    gamme de produits differenciee
  327. de tendens (-denzen/-en)
    la tendance
  328. de algemene tendens
    la tendance generale
  329. de trend (-s)
    la tendance
  330. Zal die trends doorzetten?
    Cette tendance persistera-t-elle?
  331. een trends traceren (= natrekken)
    reperer(= depister) les tendances
  332. een nieuwe trends op de voet volgen
    suivre de pres les nouvelles tendances
  333. vooruitlopen op een trends
    devancer une tendance
  334. trends zetten
    lancer des tendances
  335. de trendsetter(-s)
    le produit d'avant-garde, le produit innovant, le produit qui cree la mode; la personne qui donne le ton, la personne qui lance la mode
  336. de trendwatcher (-s)
    le chasseur de tendances, le suiveur de tendances
  337. trendy
    a la mode, branche
  338. de uitvoering (-en)
    la version
  339. luxe-uitvoering
    version de luxe
  340. standaarduitvoering
    version de base
  341. het verbruik
    la consommation
  342. consumptie hoeveelheid
    quantite consommee
  343. het verbruiken voor consumptie
    l'utilisation pour la consommation
  344. het verbruik in verband met wat je eet en drinkt
    la consommation par rapport a ce que tu manges et bois
  345. niet geschikt voor consumptie
    impropre ala consommation
  346. verbruik wat je in een cafe of restaurant eet of drinkt
    consomme ce que tu manges ou bois dans un cafe ou restaurant
  347. de consumpties betalen
    payer les consommations
  348. entree en consumpties gratis
    entree et consommation gratuites
  349. verbruiken (verbruikte / heeft verbruikt)
    consommer
  350. de verbruiker (-s)
    le consommateur
  351. eindverbruiker
    consommateur final
  352. de verpakking(-en)
    le conditionnement, l'emballage
  353. het etiket op de verpakking
    l'etiquette sur l'emballage
  354. de versie(-s)
    la version
  355. luxeversie
    la version de luxe
  356. standaardversie
    version de base
  357. De P-prijs
    Le P-prix
  358. de barcode(-s)
    le code-barre
  359. de kosten
    les cots
  360. de kosten bepalen/dekken/drukken/rechtvaardigen
    determiner/couvrir/diminuer/justifier les cots
  361. de gemiddelde/totale/variabele/vaste/verwachte kosten
    Les cots moyens/totaux (= globaux)/variables/fixes/prevus
  362. de prijs(prijzen)
    le prix
  363. aanbevolen/bescheiden/(on)betaalbare/concurrerende/gangbare/gereduceerde/gewenste/psychologische/scherpe/uiteindelijke prijzen
    prix recommande/modeste/(in)abordable/competitif(= concurrentiel)/courant(= demande)/reduit/voulu (= espere)/psychologique/serre/final
  364. de bovengrens/ondergrens van de prijs
    la limite superieure/inferieure du prix
  365. voor de helft van de prijs
    a moitie prix
  366. de prijzen breken/bevriezen/ophangen/vaststellen (= bepalen)/verhogen/verlagen/wijzigen
    casser/geler/afficher/fixer (= determiner)/augmenter/abaisser/modifier les prix
  367. lage/hoge prijzen hanteren
    pratiquer des prix bas!eleves
  368. aanbiedingsprijs (= promotieprijs = reclameprijs)
    prix promotionnel (= special)
  369. afbraakprijs (= dumpprijs = knalprijs = kraakprijs = stuntprijs = weggeefprijs)
    prix brade (=choc =sacrifie)
  370. bodemprijs
    prix plancher
  371. concurrentieprijs
    prix concurrentiel
  372. lokprijs
    prix d'appel
  373. opruimingsprijs (= uitverkoopprijs)
    prix de solde (= prix solde)
  374. reclameprijs
    prix publicitaire
  375. reductieprijs
    prix reduit ;
  376. spotprijs
    prix defiant toute concurrence (= prix derisoire)
  377. het prijsbeleid
    la politique de prix
  378. de prijsconcurrentie
    la concurrence de prix
  379. de priisklasse (-n)
    la categorie (de prix), la gamme
  380. in een hoge/lage prijs
    haut de gamme/bas de gamme
  381. in de prijsklasse van ... tot ...
    dans la categorie de prix de ... a ...
  382. de prijs-kwaliteit(s)verhouding
    le rapport qualite-prix
  383. op zoek gaan naar de beste prijs
    rechercher le meilleur rapport qualite-prix
  384. het prijsniveau (-s)
    le niveau de prix
  385. een optimaal prijs bepalen
    determiner un niveau de prix optimal
  386. de prijsstelling
    la fixation du/des prix, le niveau de prix, le prix
  387. het prijsverschil (-len)
    la difference de prix, l'ecart de prix
  388. de prijsvorming
    la formation des prix
  389. de priiszetting
    la fixation du/des prix
  390. de prijzenoorlog
    la guerre des prix
  391. een ware prijzenoorlog ontketenen
    declencher une veritable guerre des prix
  392. de prijzenslag
    la bataille des prix
  393. een prijzenoorlog voeren
    mener (= se livrer) une bataille des prix
  394. de streepjescode (-s)
    le code-barre
  395. De P-plaats
    le P-place
  396. de afzet
    la vente; les ventes; les debouches
  397. de afzet vinden
    trouver des debouches
  398. het afzetgebied (-en)
    le debouche, le marche
  399. de afzetmogelijkheid (-heden)
    le debouche, le creneau, le marche
  400. de dealer (-s)
    le distributeur
  401. het netwerk van de dealers
    le reseau de distributeurs
  402. dealer = handelaar, in het bijzonder iemand die in auto's van een bepaald merk handelt
    dealer = commercant, en particulier quelqu'un qui commerce des voitures d'une marque precise
  403. distribueren (distribueerde / heeft gedistribueerd)
    distribuer
  404. de distributeur (-s)
    le distributeur
  405. erkend distributeur
    distributeur agree
  406. exclusief distributeur van
    distributeur exclusif de
  407. de distributie
    la distribution
  408. de exclusieve/selectieve distributie verzorgen
    assurer la distribution exclusive/selective
  409. het distributiecentrum (-tra)
    le centre de distribution
  410. de distributieketen (-s)
    la chaine de distribution
  411. de e-commerce
    le commerce electronique, le commerce en ligne
  412. de etalage(-s)
    l'etalage, la vitrine
  413. de etalage inrichten
    decorer la vitrine
  414. de etalages kijken
    faire du leche-vitrine
  415. het uitstalraam
    la vitrine d'exposition
  416. het kanaal(-nalen)
    le canal, le circuit
  417. distributiekanaal
    canal de distribution
  418. verkoopkanaal (= verkoopkanaal)
    canal de vente
  419. de koopavond (-en)
    la nocturne
  420. het rek(-ken)
    l'etagere, le rayonnage
  421. de RFID
    l'identification par radiofrequence
  422. de showroom (-s)
    la salle d'exposition
  423. verdelen (verdeelde / heeft verdeeld)
    distribuer
  424. de verdeler (-s)
    le distributeur
  425. het verkooppunt (-en)
    le point de vente
  426. verkooppunt
    point de vente
  427. de buurtwinkel
    le magasin de quartier
  428. de cash-and-carry(zaak)
    le libre service de gros
  429. de detailzaak
    le magasin de detail
  430. discountwinkel (= de discounter = de discountzaak)
    le magasin discount
  431. fabriekswinkel (= de outlet)
    le magasin d'usine
  432. het grootwarenhuis
    le grand magasin ;
  433. het grootwinkelbedrijf
    le magasin a succursales multiples
  434. de hypermarkt
    l'hypermarche
  435. de kruidenierszaak
    le magasin d'alimentation
  436. de markthalle
    marche couvert
  437. de nachtwinkel
    le magasin de nuit
  438. onlinewinkel
    le magasin en ligne
  439. het postorderbedrijf
    la societe de vente par correspondance
  440. de speciaalzaak
    le magasin specialise
  441. de superette
    la superette
  442. de supermarkt
    le supermarche
  443. de telewinkel
    le (service de) teleachat
  444. het warenhuis
    le grand magasin
  445. het winkelcentrum
    le centre commercial
  446. de winkel passage
    la galerie marchande
  447. de winkelstraat
    la rue commercante
  448. de zelfbedieningswinkel (= zelfbedieningszaak)
    le magasin en libre service
  449. de winkel (-s)
    le magasin
  450. de (winkel)keten (-s)
    la chaine (de magasins)
  451. de P-promotie: algemeen
    Le P-promotion: generalites
  452. de aanbieding (-en)
    l'offre
  453. concurrerende aanbieding
    offre concurrente
  454. in de aanbieding
    en promotion
  455. speciale aanbieding van de maand
    offre speciale du mois
  456. de bon(-nen)
    le bon, le coupon
  457. een bon uitknippen
    decouper un coupon
  458. korting(s)bon
    bon de reduction
  459. waardebon
    bon de valeur
  460. demonstreren (demonstreerde / heeft gedemonstreerd)
    faire la demonstration de
  461. de demonstratie (-s)
    la demonstration
  462. een demonstratie van een product geven
    faire une demonstration d'un produit
  463. het koopje(-s)
    l'occasion, la bonne affaire
  464. een koopje doen (= halen)
    faire une bonne affaire
  465. daar heb je een koopje aan (= dat is een koopje)
    c'est donne (= c'est pas cher)
  466. op de koopjes lopen
    chercher les bonnes affaires
  467. de korting(-en)
    les comptes, la reduction, la remise
  468. korting voor contante betaling
    remise pour paiement comptant
  469. 10% korting geven (= toestaan)/krijgen
    accorder (= donner =faire)/obtenir 10 % de reduction(= de remise)
  470. met korting verkopen
    vendre au rabais
  471. korting voor verschil in kwaliteit
    remise pour ecart de qualite
  472. promotiekorting
    remise promotionnelle
  473. quantum korting (= kwantumkorting)
    remise quantitative (= remise sur quantite)
  474. het logo(-'s)
    le logo
  475. de herkenbaarheid van het
    la reconnaissance du logo
  476. de mailinglist(-s)
    la liste de diffusion
  477. de verzendlijst
    la liste d'envoi
  478. het mediaplan(-nen)
    le plan media; , le plan des supports
  479. de mediaplanner (-s)
    le mediaplanne(u)r, le responsable du plan media
  480. de mediaplanning
    l'etablissement du plan media
  481. het monster(-s)
    l'echantillon
  482. het gratis monster
    l'echantillon gratuit
  483. de opruiming(-en)
    la liquidation, les soldes
  484. najaarsopruiming
    soldes d'automne
  485. voorjaarsopruiming
    soldes de printemps
  486. winteropruiming
    soldes d'hiver ;
  487. Zomeropruiming
    soldes d'ete
  488. koopjes / solden (Belgisch)
    soldes
  489. koopjesperiode (Belgisch)
    la periode des soldes
  490. promoten (promootte / heeft gepromoot)
    promouvoir
  491. de promotie (-s)
    la promotion
  492. in promotie zijn
    etre en promotion
  493. prospecteren (prospecteerde / heeft geprospecteerd)
    prospecter, faire de la prospection
  494. de prospectie
    la prospection
  495. de reclame(-s)
    la publicite
  496. collectieve reclame
    publicite collective
  497. gedrukte reclame
    publicite ecrite
  498. ideele reclame
    publicite ecrite
  499. indringende reclame
    publicite accrocheuse
  500. industriele reclame
    publicite industrielle
  501. informatieve reclame
    publicite informative
  502. institutionele reclame
    publicite institutionnelle
  503. misleidende reclame
    publicite mensongere
  504. mobiele reclame
    publicite ambulante
  505. onbewuste(= subliminale)reclame
    publicite subliminale
  506. oneerlijke reclame
    publicite deloyale
  507. overredende reclame
    publicite persuasive
  508. schreeuwerige reclame
    publicite tapageuse
  509. vergelijkende reclame
    publicite comparative
  510. reclame die op kinderen is gericht
    publicite destinee aux enfants
  511. reclame maken voor
    faire de la publicite pour
  512. buitenreclame
    publicite exterieure
  513. etherreclame
    publicite radiotelevisee
  514. gevelreclame
    publicite de facade
  515. lichtreclame
    publicite lumineuse
  516. luchtreclame
    publicite aerienne
  517. mond-tot-mondreclame
    le bouche a oreille ;
  518. sluikreclame
    publicite clandestine
  519. iets in de publiciteit brengen
    rendre qqch. public
  520. een niet voor publiciteit bestemd rapport
    un rapport confidentiel
  521. in de publiciteit staan
    faire parler de soi.
  522. het reclamebureau (-s)
    l'agence publicitaire
  523. een reclamebureau inschakelen
    faire appel a une agence publicitaire
  524. het staal(stalen)
    l'echantillon gratuit
  525. het gratis staal lechantillon gratuit
    l'echantillon
  526. staaltje(s)
    echantillons
  527. de uitverkoop(-kopen)
    la liquidation, les soldes
  528. in de uitverkoop doen/kopen
    mettre/acheter en solde
  529. uitverkoop van kleding
    vetements en solde
  530. uitverkoop wegens verhuizing
    liquidation pour cause de demenagement
  531. najaarsuitverkoop
    soldes d'automne
  532. opruimingsuitverkoop
    liquidation de stocks
  533. voorjaarsuitverkoop
    soldes de printemps
  534. winteruitverkoop
    soldes d'hiver
  535. Zomeruitverkoop
    soldes d'ete
  536. uitverkopen(verkocht uit / heeft uitverkocht)
    brader, solder
  537. tegen fabrieksprijzen uitverkopen
    vendre a prix d'usine
  538. het voordeelpakket(-ten)
    l'offre avantageuse, l'offre speciale
  539. De P-promotie: reclamecampagnes
    Le P-promotion: les campagnes publicitaires
  540. de adverteerder (-s)
    l'annonceur
  541. adverteren (adverteerde / heeft geadverteerd)
    faire de la publicite, mettre une annonce
  542. de campagne (-s)
    la campagne
  543. een campagne opzetten (= op touw zetten) rond een product
    mettre sur pied une campagne publicitaire autour d'un produit
  544. een campagne voeren rond een product
    mener une campagne publicitaire autour d'un produit
  545. promotiecampagne
    campagne de promotion
  546. reclamecampagne
    campagne publicitaire
  547. de mailing(-s)
    le mailing, le publipostage
  548. campagnes laten uitgaan (= campagnes uitsturen)
    lancer des mailings
  549. de slagzin(-nen)
    le slogan (publicitaire)
  550. de slogan (-s)
    le slogan (publicitaire)
  551. pakkende slogan
    slogan accrocheur
  552. reclameslogan
    slogan publicitaire
  553. De P-promotie: reclamedragers
    Le P-promotion: les supports publicitaires
  554. de advertentie(-s)
    l'annonce(publicitaire)
  555. paginagrote advertentie
    publicite(= annonce) pleine page
  556. een advertentie plaatsen(= zetten)in
    faire passer une annonce dans
  557. de advertentieruimte(-n/-s)
    l'espace publicitaire
  558. de advertorial(-s)
    le publireportage
  559. de brochure (-s)
    la brochure
  560. uitgebreide brochure op aanvraag
    brochure detaillee sur demande
  561. een brochure aanvragen
    demander une brochure
  562. een brochure inkijken
    consulter une brochure
  563. de commercial(-s)
    la publicite, la pub, le spot
  564. commercials op radio en tv
    les spots radio et tele
  565. de display(-s)
    le placard publicitaire
  566. de flyer(-s)
    le prospectus
  567. de folder(-s)
    le depliant, le prospectus
  568. de folders uitdelen
    distribuer des depliants
  569. de massamedia
    les media de masse
  570. het medium (-dia)
    le media
  571. elektronische media
    medias electroniques
  572. lokale media
    medias de proximite
  573. reclamemedia
    medias publicitaires
  574. dat heeft veel aandacht in de media gekregen
    cela a ete fortement mediatise
  575. de reclameboodschap(-pen)
    le message publicitaire
  576. doelgerichte reclameboodschap
    message publicitaire cible
  577. overtuigende reclameboodschap
    message publicitaire convaincant(= persuasif)
  578. subliminale reclameboodschap
    message publicitaire subliminal
  579. de kern (= het centrale thema) van de reclameboodschap
    l'axe publicitaire
  580. een reclameboodschap overbrengen
    transmettre un message publicitaire
  581. een reclameboodschap uitzenden
    emettre (= diffuser) un message publicitaire
  582. een reclameboodschap waarnemen
    percevoir un message publicitaire
  583. het tijdstip van uitzending van de reclameboodschap
    l'heure de passage du message publicitaire
  584. de verspreiding van een reclameboodschap
    la diffusion d'un message publicitaire
  585. de vormgeving van een reclameboodschap
    la conception d'un message publicitaire
  586. het reclamebord (-en)
    le panneau publicitaire
  587. de reclamedrager (-s)
    le support publiciataire
  588. het reclamedrukwerk
    les imprimes publicitaires
  589. de reclamespot(-s)
    le spot publicitaire
  590. de reclamezendtijd
    la plage publicitaire
  591. de reclamezuil
    la colonne publicitaire (colonne Morris)
  592. De P-promotie: beurzen en tentoonstellingen
    Le P-promotion: les foires et les expositions
  593. de beurs (beurzen)
    l'exposition, la faire, le salon
  594. een beurs houden (= organiseren)
    organiser une foire
  595. op de beurs staan
    etre present au salon (= exposer au salon)
  596. autobeurs
    salon de l'automobile
  597. boekenbeurs
    foire du livre
  598. huishoudbeurs
    salon des arts menaqers
  599. jaarbeurs
    foire annuelle
  600. kijkbeurs
    foire-exposition
  601. vakantiebeurs
    salon des vacances
  602. vakbeurs
    foire professionnelle
  603. voedingsbeurs
    salon de l'alimentation
  604. de catalogus (catalogi/-sen)
    le catalogue
  605. geillustreerde catalogus op aanvraag
    demandez le catalogue illustre
  606. de exposant(-en)
    l'exposant
  607. de jaarmarkt(-en)
    la foire annuelle
  608. de stand(-s)
    l'emplacement, le stand
  609. een stand aankleden
    decorer un stand
  610. een stand afbreken
    demonter un stand
  611. een stand inrichten
    agencer un stand
  612. een stand opbouwen
    monter un stand
  613. gezamenlijke stand
    stand collectif
  614. tentoonstellen (stelde tentoon / heeft tentoongesteld)
    exposer
  615. de tentoonstelling(-en)
    l'exposition
  616. een tentoonstelling bezichtigen
    visiter une exposition
  617. een tentoonstelling houden over
    organiser une exposition sur
  618. Public relations
    Les relations publiques
  619. de communicatie
    la communication
  620. effectieve communicatie ontwikkelen
    developper une communication efficace
  621. marketingcommunicatie
    communication marketing
  622. massacommunicatie
    communication de masse
  623. het communicatiebureau(-s)
    l'agence de communication
  624. het communicatieplan(-nen)
    le plan de communication
  625. een doeltreffend communicatie opstellen
    elaborer un plan de communication efficace
  626. het imago(-'s)
    l'image
  627. een imago creeren (= opbouwen)
    creer (= construire) une image
  628. een imago oppoetsen
    redorer(= travailler a) une image
  629. de klandizie
    la clientele
  630. de klandizie uitbreiden
    etendre la clientele
  631. de klandizie versterken
    consolider la clientele
  632. het klantcontact(-en)
    le contact client
  633. het beheer van de klanten
    la gestion des contacts clients
  634. het klantenbestand(-en)
    le fichier client
  635. de klantenbinding
    la fidelisation
  636. aan klantenbinding doen
    fideliser la clientele
  637. de klantenkaart (-en)
    la carte de fidelite
  638. de klantenkring (-en)
    la clientele
  639. een grote klantenkring hebben
    avoir une large (= grosse) clientele
  640. een grote klantenkring opbouwen
    constituer une large (= grosse) clientele
  641. de (klanten)service
    le service clientele, le service clients
  642. de klantenwerving
    le demarchage
  643. aan klantenwerving doen
    faire du demarchage
  644. klantgericht
    centre sur le consommateur, oriente client, personnalise
  645. klantgerichte marketingstrategie
    strategie marketing centree sur le consommateur
  646. de klantgerichtheid
    l'orientation client
  647. de klantrelatie (-s)
    la relation client
  648. een duurzame klantrelatie opbouwen
    construire (= etablir) une relation durable avec le client
  649. de klanttevredenheid
    la satisfaction du client
  650. de klant is volledig tevreden
    le client est totalement satisfait
  651. de klant is redelijk tevreden
    le client est assez satisfait
  652. de open dag (-en)
    la journee portes ouvertes
  653. (een) open dag houden
    organiser une journee portes ouvertes
  654. opendeurdag(-en)
    journee portes ouverts
  655. de pers
    la presse
  656. de pers; het dagblad
    le journal
  657. de dagbladpers
    la presse quotidienne
  658. het huis-aan-huisblad
    le periodique (toutes boites)
  659. de journalist
    le journaliste
  660. de krant
    le journal
  661. de radio
    la radio
  662. de televisie
    la television
  663. het tijdschrift(= het magazine)
    le magazine(= la revue)
  664. de tijdschriftenpers
    la presse periodique
  665. het persbericht(-en)
    le communique de presse
  666. een persbericht publiceren
    publier un communique de presse
  667. het perscommunique(-s)
    le communique de presse
  668. de persconferentie(-s)
    la conference de presse
  669. de public relations (> de pr)
    les relations publiques(> les RP)
  670. de public relations verzorgen
    s'occuper des relations publiques
  671. het pr-bureau(-s)
    l'agence,le bureau de relations publiques
  672. de pr-campagne(-s)
    la campagne RP
  673. het pr-plan(-nen)
    le plan de relations publiques
  674. het re1atiegeschenk(-en)
    le cadeau d'entreprise, le cadeau publicitaire
  675. de sponsor(-s/-soren)
    le sponsor
  676. sponsoren(sponsorde / heeft gesponsord)
    sponsoriser
  677. de sponsoring
    le sponsoring
  678. de vakpers
    la presse professionnelle
  679. de woordvoerder (-s)
    le porte-parole

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview