PM2

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
299401
Filename:
PM2
Updated:
2015-03-29 08:47:05
Tags:
PM2
Folders:
PM2
Description:
PM2
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat zijn projecten?:
    • Een project is een activiteit
    • waarmee een projectteam een complex doel met een uniek karakter probeert te
    • bereiken, waarvoor beperkte tijd en middelen beschikbaar zijn.
  2. Complex doel met een uniek karakter:
    • Een complex doel vraagt om een
    • intensieve vorm van projectmatig werken, zodat het  doel bereikt kan worden.

    • Het unieke karakter drukt uit dat een project altijd en nieuw element heeft waardoor
    • het zich duidelijk onderscheidt van eerdere activiteiten
  3. Wat is projectmanagement?:
    • Projectmanagement houdt in: het
    • beheersen van projecten, met als doel het gewenste projectresultaat te
    • bereiken.
  4. Wat is projectmatig werken?:
    • Projectmatig werken houdt in: het
    • verrichten van activiteiten met inzet van methoden en technieken van projectmanagement.


    • Bij projectmatig werken wordt
    • vooral veel aandacht besteed aan:

    - oriëntatie op de verrichten werkzaamheden

    -  planning van de werkzaamheden

    • - goede communicatie tussen de personen die bij het
    • project betrokken zijn.
  5. Hierbij kan er een onderscheid
    worden gemaakt tussen 2 categorieën
    • Categorie 1: Met als kernactiviteit juridische
    • dienstverlening.
    •        
    • Categorie 2:  Met andere kernactiviteiten.
  6. Improvisatie:
    • Hierbij gaat het om
    • activiteiten die de organisatie onverwacht moet verrichten, waardoor deze niet
    • goed voor te bereiden zijn. Organisaties willen improvisatie dan ook zoveel
    • mogelijk vermijden, vanwege een grote kans of fouten, die kunnen worden gemaakt
  7. Routine:
    • Hierbij gaat het om
    • activiteiten die de organisatie herhaaldelijk uitvoert. Op basis van ervaring
    • weten de medewerkers vrijwel precies wat zij moeten doen en de organisatie is
    • volledig ingericht op het verrichten van deze activiteiten
  8. Projectgestuurde organisaties:
    • : is een organisatie waarbij
    • het merendeel van de activiteiten die zij verricht, bestaat uit projecten. VB: Een bouwbedrijf, die iedere keer
    • weer een nieuw ‘project’ verricht. Of vb:
    • Apple, die ieder jaar een nieuwe iPhone uitbrengt
  9. Herhalingsproject
    • is een project dat in veel
    • opzichten gelijkenissen vertoont met voorafgaande projecten.
  10. Welke soorten projecten zijn er?:
    • 1. Vernieuwing of verbetering van (processen rondom)
    • juridische dienstverlening.

    2.De behandeling van zaken die door hun omvang of complexiteit afwijken van standaardgevallen.

    3. Het eenmalig behandelen van grote aantallen vergelijkbare zaken.

    4. Implementatie van nieuwe wet- of (interne) regelgeving binnen een organisatie.

    5. Opstellen van nieuwe regelgeving.

    6. Juridische advisering bij grote projecten
  11. Due diligence-onderzoek
    • Een uitgebreid juridisch
    • onderzoek waarbij o.a. alle lopende verplichtingen en rechten van de
    • onderneming worden doorgenomen om de risico´s van de fusie of overname in kaart
    • te brengen.
  12. Compliance
    • Organisaties in de
    • beroepspraktijk dienen ervoor te zorgen dat zij steeds aan de voor hen geldende
    • regelgeving voldoen.

    • Juristen die ervoor zorgen dat de
    • organisaties steeds voldoen aan de geldende regelgeving worden ook wel compliance officers genoemd.
  13. Wat is de meerwaarde van
    projectmanagement?:
    • De meerwaarde van
    • projectmanagement is gelegen in het feit dat het de kans op fouten bij
    • projecten vermindert, waardoor de kans op een succesvolle afronding wordt
    • vergroot.
  14. 3 kernelementen van projectmanagement zijn:
    • 1. Oriëntatie
    • 2. Goede Planning
    • 3. Goede Communicatie
  15. Wat zijn de belangrijke redenen voor het
    mislukken van een project?:
    • 1.Geen duidelijke projectdoelstelling 
    • 2.Te optimistische planning
    • 3. Te weinig mensen of middelen
    • 4. Projectdoelen die zich uitbreiden
    • 5. Slechte communicatie
  16. Scope creep:
    • Het sluipenderwijs uitbreiden
    • van de projectdoelen en de reikwijdte
  17. Struisvogel-syndroom:
    • Teamleiders en teamleden willen
    • niet toegeven dat er een probleem is, maar wachten tot een ander zijn mond
    • opentrekt. Het laatste probleem dat te vaak onbesproken blijft betreft
    • medewerkers die niet kunnen of willen werken aan het project, wat nog verergert
    • als hun teamleider hen niet op het matje weet te roepen.
  18. Harde kant projectmanagement
    • waarbij de volgorde van
    • verrichten zeer belangrijk is. 

    • Hiervoor worden speciaal ontwikkelde wiskundige technieken
    • gebruikt en zijn er tegenwoordig speciale softwareprogramma’s beschikbaar.

    Ook horen planning en budgettering bij de harde kant.
  19. Zachte kant projectmanagement
    • Goede communicatie, aandacht,
    • motivatie van medewerkers, e.d.)
  20. Speciale methoden projectmanagement
    • PRINCE-methode (uit
    • Groot-Brittannië, ontwikkeld door de Government Office of Commerce)

    PRojects IN a Controlled Environment.

    •  PMI: Project Management Institute (In de VS en heeft de
    • PMBOK uitgegeven

    • IPMA: International Project Management
    • Institute, heeft een methode ontwikkeld die uitgaat van de benodigde
    • competenties die een projectleider moet bezitten.
  21. Programmamanagement:
    • Programmamanagement
    • is een term die samenhangt met projectmanagement. Hieronder wordt verstaan een
    • samenhangend geheel van projecten, dat aanvullend is op de reguliere
    • activiteiten van een organisatie.
  22. Er zijn 3 managementniveaus
    • -  Strategisch
    • management

    • -  Tactisch
    • management

    • -  Operationeel
    • management
  23. Kwaliteitsmanagement:
    • Het kwaliteitsmanagement heeft
    • als principe dat systematisch en methodisch wordt gewerkt aan het verbeteren
    • van de kwaliteit van diensten en producten die een organisatie levert.
  24. Cirkel van Deming:
    • -  Plan
    • (stand van zaken bekijken met betrekking
    • tot een bepaald doel, wat moet er gebeuren?)

    • -  Do
    •                 (beoogde
    • verbetering wordt ingevoerd)

    • -  Check
    •           (gemeten of er verbetering
    • plaatsvindt)

    • -  Act   (zo
    • nodig, bijstellingen verrichten)
  25. Relatie kwaliteitsmanagement en
    projectmanagement:
    • De relatie met projectmanagement
    • is dat verbeteracties in het kader van kwaliteitsmanagement worden vaak als
    • project uitgevoerd.
  26. Stakeholders
    • alle personen of
    • (afdelingen/onderdelen van) organisaties met een duidelijke en aanwijsbaar
    • belang bij het projectresultaat
  27. Projectsucces:
    • de mate waarin het
    • projectresultaat de stakeholders tevreden stelt.
  28. Stakeholderanalyse
    • een analyse van alle relevante
    • stakeholders die bij een project betrokken zijn.
  29. Projectdoel
    • het uiteindelijke beoogde
    • resultaat van het project, uitgedrukt in een wijziging of verbetering van een
    • bestaande situatie, of een gecreëerde nieuwe situtie.
  30. Producten:
    • de deliverables of deelresultaten
    • van het project, waarmee het eindresultaat zal worden bereikt.
  31. Deze moet SMART geformuleerd
    zijn:
    • -  Specifiek
    • (geen vage formulering)

    • -  Meetbaar
    • (projectdoelen in meetbare zaken formuleren)

    • -  Acceptabel
    • (er moet bij het team en bij stakeholders voldoende draagvlak zijn)

    • -  Realistisch
    • (haalbare doelen)

    • -  Tijdgebonden
    • (binnen een bepaalde termijn)
  32. De interventiecyclus:
    Probleemanalyse        Probleemdiagnose      Vormgeven oplossing           Implementatie Evaluatie     Probleemanalyse etc. etc. etc.
  33. Fasering:
    • Met fasering bedoelen we dat een
    • project in fases wordt ingedeeld, waarbij aan het einde van elke fase de
    • tussenstand gerapporteerd wordt aan de opdrachtgever en een plan wordt overlegd
    • voor de volgende projectfase. Opdrachtgever geeft na iedere fase en
    • go/nogo-beslissing.
  34. Doel fasering
    • De opdrachtgever op de
    • hoogte houden van de voortgang en hem in de gelegenheid te stellen het project
    • zo nodig bij te sturen of te beëindigen.
  35. Een indeling in projectfases kan
    zijn, bij interne projecten:
    -  Aanloopfase


    -  Oriëntatiefase


    -  Planningsfase


    -  Voorbereidingsfase


    -  Uitvoeringsfase


    • -  Evaluatie-
    • en nazorgfase.
  36. No-go/go-beslissing
    • hiermee wordt bedoeld dat als de opdrachtgever
    • niet overtuigd wordt door het resultaat van de vorige fase en het plan voor de
    • volgende fase dan eindigt in het project automatisch.
  37. Management by execption:
    • alleen als er sprake is van
    • een uitzondering hoeft de opdrachtgever speciaal om toestemming te worden
    • gevraagd
  38. Micromanagen:
    • managers die zich met de
    • kleinste details willen bezighouden
  39. De projectleider is degene
    die:
    • -  Opdrachten
    • kan geven aan projectleden

    • -  Het
    • projectteam vertegenwoordigd

    • -  Verantwoordelijk
    • is voor de rapportage naar de opdrachtgever.
  40. Het verschil tussen leiderschap
    en management:
    • Leiderschap is de goede dingen
    • doen en management is de dingen goed doen
  41. Projectteam:
    • Een projectteam moet multidisciplinair zijn wanneer het project
    • veel verschillende aspecten verbind.
  42. Taken en bevoegdheden van
    projectleden:
    • Een projectlid kan bijvoorbeeld
    • verantwoordelijk zijn voor:

    • -  de
    • planning van het project

    • -  het
    • bijhouden van de informatie en documentatie rondom het project - de financiën
    • van het project - de communicatie van het project.
  43. Teambuilding
    • de projectleider weet een goede
    • sfeer te creëren en zorgt dat projectleden zich gewaardeerd voelen… Sfeer binnen
    • het project.
  44. Stuurgroep
    • dit is een groep die als
    • opdrachtgever van het project optreedt, doorgaans samengesteld uit de
    • belangrijkste stakeholders.
  45. Klankboordgroep:
    • is samengesteld uit gebruikers
    • die met het projectresultaat zullen gaan werken of op andere wijze bij het
    • projectresultaat betrokken stakeholders. Deze adviseert bijvoorbeeld over
    • gebruiksaspecten
  46. Bermudadriehoek:
    • Deze driehoek bestaat uit de
    • essentiële beheersaspecten

    • -  Geld:
    • het totale budget dat bepaalt welke
    • middelen en personen kunnen worden ingezet

    • -  Kwaliteit:
    • de kwaliteitsnormen waaraan de producten
    • moeten voldoen. (Hoe hoger kwaliteit, des te 
    •                    meer
    • geld en tijd het kost)

    • -  Tijd:
    • hoe hoger de tijdsdruk is des te lager
    • zal de kwaliteit doorgaans zijn, tenzij het budget evenredig                 wordt
    • verhoogd.

    Hiernaast zijn er nog een aantal beheersaspecten:


    • -  Informatie:
    • de gegevens en kennis die noodzakelijk
    • zijn om het project goed ten einde te brengen - Communicatie: ligt in het verlengde van informatie… de
    • wijze waarop in het projectteam onderling 
    •                 en
    • met de omgeving buiten het project wordt gecommuniceerd.

    • -  Organisatie:
    • de wijze waarop het projectteam zelf is
    • georganiseerd alsmede hoe de relatie met de 
    •                         opdrachtgever en andere stakeholders is
    • vormgegeven.
  47. GOKICT
    • Geld, Organisatie, Kwaliteit,
    • Informatie, Communicatie, Tijd.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview