2. Bijvoeglijk naamwoord persoonlijk voornaamwoord en werkwoord

Card Set Information

Author:
szil
ID:
303253
Filename:
2. Bijvoeglijk naamwoord persoonlijk voornaamwoord en werkwoord
Updated:
2015-05-27 15:09:08
Tags:
het bijvoeglijk naamwoord persoonlijk voornaamwoord werkwoord
Folders:
Grammatica
Description:
Het bijvoeglijk naamwoord, het persoonlijk voornaamwoord, het werkwoord
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user szil on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is de eerste manier om een bijvoeglijk naamwoord te kunnen herkennen?
    Zegt iets over het zelfstandig naamwoord waar het bij staat.
  2. Wat is de tweede manier om een bijvoeglijk naamwoord te kunnen herkennen?
    Kan in z'n eentje tussen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord in staan.
  3. Wat is de derde manier om een bijvoeglijk naamwoord te kunnen herkennen?
    Kan in z'n eentje op de plaats van de puntjes staan in een zin als: "het zelfstandig naamwoord" is ... .
  4. Wat is de eerste vormverandering van een bijvoeglijk naamwoord?
    Kan met of zonder -e voorkomen.
  5. Wat is de tweede vormverandering van een bijvoeglijk naamwoord en hoe noemen we die?
    • De trappen van vergelijking:
    • de stellende trap
    • de vergrotende trap (met er)
    • de overtreffende trap (met st)
  6. Wat is gouden voor soort bijvoeglijk naamwoord?
    Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord.
  7. Voor welke woordsoort kan het persoonlijk voornaamwoord in de plaats staan?
    Zelfstandig naamwoord.
  8. Noem drie belangrijke kenmerken van een persoonlijk voornaamwoord.
    • 1. Kan in de plaats van een zelfstandig naamwoord (zelfstandignaamwoordgroep) staan.
    • 2. Komt alleen zelfstandig voor.
    • 3.Verwijst ergens naar.
  9. Hoeveel "personen" kent het persoonlijk voornaamwoord?
    • Onderwerpsvormen:
    • Enkelvoud:
    • eerste persoon: ik
    • tweede persoon: jij, je, u
    • derde persoon mannelijk: hij
    • derde persoon vrouwelijk: zij, ze
    • derde persoon onzijdig: het

    • Meervoud:
    • eerste persoon: wij
    • tweede persoon: jullie, u
    • derde persoon: zij, ze


    • Voorwerpsvormen:
    • Enkelvoud:
    • eerste persoon: mij, me
    • tweede persoon: jou, je, u
    • derde persoon mannelijk: hem
    • derde persoon vrouwelijk: haar
    • derde persoon onzijdig: het

    • Meervoud:
    • eerste persoon: ons
    • tweede persoon: jullie, u
    • derde persoon: hen, hun, ze
  10. Noem de drie hoofdvormen van het werkwoord.
    • 1. de infinitief (het hele werkwoord)
    • 2. de persoonsvorm
    • 3. het voltooid deelwoord
  11. Noem drie kenmerken van de infinitief.
    • 1. Eindigt meestal op -en.
    • 2. Is nooit het enige werkwoord in een zin.
    • 3. Verandert nooit van vorm.
  12. Wat zijn de eigenschappen van de persoonsvorm?
    • 1. Kan als enige werkwoord in een zin voorkomen.
    • 2. Vorm verandert met het onderwerp en de tijd.
    • 3. Als het vooraan in de zin gezet wordt, krijgen we een vraagzin.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview