DSS - Les 10

Card Set Information

Author:
josique
ID:
303802
Filename:
DSS - Les 10
Updated:
2015-06-18 00:11:36
Tags:
winkel
Folders:

Description:
DSS - Les 10
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user josique on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Can I help you?
    Kan ik je/u helpen?
  2. What can I do for you?
    Wat kan ik voor je/u doen?
  3. May I...?
    Mag ik...?
  4. Can I...?
    Kan ik...?
  5. Do you mind if...?
    Vind je het goed dat...?
  6. good
    goed
  7. beautiful
    mooi
  8. nice
    leuk
  9. splendid
    prachtig
  10. the shop assistant(s)
    de verkoopster(-s)
  11. the shop(s)
    de winkel(s)
  12. to look around, to browse
    rondkijken
  13. looked around (to look around, imperfect)
    keek rond (OVT)
  14. looked around (to look around, present perfect)
    (hebben) rondgekeken (VTT)
  15. the skirt(s)
    • de rok
    • de rokken
  16. the fashion(s)
    de mode(s)
  17. to try on, to fit
    passen
  18. tried on (to try on, imperfect)
    paste (OVT)
  19. tried on (to try on, present perfect)
    (hebben) gepast (VTT)
  20. to be in a hurry
    haast hebben
  21. the size(s)
    • de maat
    • de maten
  22. before
    voordat
  23. to presume, accept
    aannemen
  24. presumed/accepted (to presume/to accept, imperfect)
    nam aan (OVT)
  25. presumed/accepted (to presume/to accept, present perfect)
    (hebben) aangenomen (VTT)
  26. small
    klein
  27. by chance, as it happens
    toevallig
  28. to try, to try on
    proberen
  29. what do you think of....? (while fitting)
    hoe zit deze...?
  30. polite
    beleefd
  31. it looks very nice on you
    hij staat je heel goed
  32. the mirror(s)
    de spiegel(s)
  33. splendid, beautiful
    prachtig
  34. Can you help me please?
    Kun je/kunt u me (misschien) helpen?
  35. What a pity!
    Wat jammer!
  36. That's a (great) pity.
    Dat is (erg) jammer.
  37. It's a (great) pity that...
    Het is (erg) jammer dat...
  38. the sweater, pullover
    de trui(-en)
  39. the shop assistant(s) (man)
    de verkooper(s)
  40. to look for
    zoeken
  41. looked for (to look for, imperfect)
    zocht (OVT)
  42. looked for (to look for, present perfect)
    (hebben) gezocht (VTT)
  43. the last one
    de laatste
  44. in black
    in het zwart
  45. the line(s), the stripe(s)
    • de streep
    • de strepen
  46. I'll have both
    Doet u ze allebei maar
  47. both
    allebei
  48. anything else?
    anders nog iets?
  49. the shirt(s)
    het shirt(s)
  50. under, underneath
    onder
  51. the bookshop(s), the bookstore(s)
    de boekwinkel(s)
  52. the bookseller(s)
    de boekverkoper(s)
  53. the book(s)
    het boek(en)
  54. the history
    de geschiedenis
  55. the book(s) (of photographs)
    het (foto)boek(en)
  56. the photograph(s), the picture(s)
    de foto('s)
  57. simple
    eeenvoudig
  58. the text(s)
    de tekst(en)
  59. in Dutch
    in het Nederlands
  60. the centre(s), the downtown area(s)
    het centrum(s), de centra
  61. it is about
    het gaat over
  62. the war years
    de oorlogsjaren
  63. the war(s)
    de oorlog(en)
  64. particular(ly), special
    bijzonder
  65. the house(s) (living space)
    de woning(en)
  66. the architect(s)
    de architect(en)
  67. famous
    beroemd
  68. to build
    bouwen
  69. built (to build, imperfect)
    bouwde (OVT)
  70. built (to build, present perfect)
    (hebben) gebouwd (VTT)
  71. is
    staat
  72. the life, the lives
    het leven(s)
  73. quiet(ly), by all means
    rustig
  74. indeed
    inderdaad
  75. to choose
    kiezen
  76. chose (to choose, imperfect)
    koos (OVT)
  77. chose (to choose, present perfect)
    (hebben) gekozen (VTT)
  78. all, everybody, everything
    allemaal
  79. because, for
    want
  80. heavy
    zwaar
  81. to take along
    meenemen
  82. took along (to take along, imperfect)
    nam mee (OVT)
  83. took along (to take along, present perfect)
    (hebben) meegenomen (VTT)
  84. to send
    opsturen
  85. sent (to send, imperfect)
    stuurde op (OVT)
  86. sent (to send, present perfect)
    (hebben) opgestuurd (VTT)
  87. all three of them
    ze alle drie
  88. the (street) map(s)
    de plattegrond(en)
  89. the square(s)
    het plein(en)
  90. the exit(s)
    de uitgang(en)
  91. the school(s)
    • de school
    • de scholen
  92. the tobacconist's
    de sigarwinkel(s)
  93. I am sorry!
    • Het spijt me!
    • Neem me niet kwalijk!
  94. That's alright
    Het geeft niet
  95. It doesn't matter
    Het maakt niet uit
  96. Don't worry
    Maakt u zich geen zorgen

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview