VOC_NL_201509.xls

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
306661
Filename:
VOC_NL_201509.xls
Updated:
2015-08-22 10:59:20
Tags:
vocabulaire francais neerlandais
Folders:

Description:
vocabulaire FR-NL La brise 2015-09
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. (aard)aandeel
    contribution (terrestre)
  2. aandagtig
    attentivement
  3. aangehaald
    caline
  4. aangenaam
    agréable
  5. aanpakken
    s'attaquer ŕ
  6. aanspreekpunt
    point de contact
  7. aanvaard
    accepté
  8. aanvullen
    renouveler
  9. afbreken
    se décomposer
  10. afhangen
    dépendre
  11. afhankelijk
    dépendant
  12. afkomstig
    originaire
  13. als
    Si / simplement
  14. alsmaar
    sans cesse, toujours
  15. amazonewoud
    foręt amazonienne
  16. bedrijf
    entreprise
  17. begaan zijn
    ętre engagé
  18. beďnvloeden
    influencer
  19. beschikbaar
    disponible
  20. beslaan
    recouvrir
  21. bestaan bedreigd
    existence menacée
  22. bevestigen
    confirmer
  23. bewoner
    un habitant
  24. bezig
    occupé
  25. bezorgen
    concerner
  26. bieden
    offrir
  27. bij uitstek
    par exellence
  28. bindend
    obligatoire
  29. bomen kappen
    abattre des arbres
  30. boot
    bateau
  31. bos
    foręt
  32. bovendien
    en outre,de plus
  33. brandstof
    combustible
  34. broeikaaseffect
    effet de serre
  35. Daar lig ik niet wakker van.
    Cela ne m'empęche pas de dormir.
  36. daarnaast
    ŕ coté de ça
  37. daarvoor
    pour cela
  38. dan
    alors
  39. dat
    ça
  40. de aardbol
    le globe terrestre
  41. de aardoppervlakte
    la surface terrestre
  42. De afgelopen tientallen jaren
    Les dizaines de derničres années
  43. de afhankelijkheid
    la dépendance
  44. De bedreiging
    la menace
  45. De droogte
    la sécheresse
  46. de groetenteteelt
    la culture des legumes
  47. de helft /de helfde
    la moitié
  48. de leerkrachten
    l'enseignant
  49. de lichtpunt
    l'attache
  50. de luchtvervuiling
    la pollution de l'air
  51. de olievoorraad
    les réserves de pétrole
  52. de oorzaak
    la cause
  53. de overbevolking
    la surpopulation
  54. de overstroming
    l'inondation
  55. de ozonlaag
    la couche d'ozone
  56. De regering
    gouvernement
  57. De stof
    la matičre , substance
  58. de stookolie
    le fuel
  59. de uitputting
    l'épuisement
  60. De verandering
    le changement
  61. De verbetering
    l'amélioration
  62. De vernieling
    la destruction
  63. de voedingsmiddelen
    les aliments
  64. De voedselhulp
    l'aide alimentaire
  65. de voorbije eeuw
    ce dernier sičcle
  66. dienen
    servir
  67. diepte
    profondeur
  68. doelstelling
    l'objectif
  69. dreigen
    menacer
  70. dringend
    urgent
  71. duidelijk zichtbaar
    clairement visible
  72. duizend
    mille
  73. dun//niet dik
    fin
  74. een aantal
    certains
  75. Een ware
    un vrai...
  76. eerlijk
    honnęte
  77. eigenlijk
    au fond,ŕ vrai dire
  78. energie besparen
    economiser de l'energie
  79. enkel
    seulement
  80. enkele
    quelques
  81. erkennen
    reconnaître,admettre
  82. ermee
    avec
  83. ernst
    gravité
  84. ernstig
    sérieux
  85. flink
    bien/fortement/sensiblement
  86. gaandeweg
    peu ŕ peu
  87. gebruiken
    utiliser
  88. gelegenheid
    opportunité
  89. gemiddelde
    moyenne
  90. gemidelde Nederlander (de)
    le néerlandophone moyen
  91. geweldig
    formidable
  92. gewoon
    simplement
  93. gezamenlijk
    commun
  94. giftig
    toxique
  95. grens/grenzen
    frontičre
  96. grootschalig
    ŕ grande échelle
  97. herbergen
    héberger
  98. het behoud
    la préservation
  99. het broeikaseffect
    l'effet de serre
  100. het Brussels Gewest
    la région bruxeloise
  101. het ding
    la chose
  102. het eind
    la fin
  103. het gebrek
    le manque
  104. het gevolg
    la conséquence
  105. het kringlooppapier
    le papier recyclé
  106. het onderwijs
    l'enseignement
  107. Het onderzoek
    recherche
  108. Het wezen
    L'ętre
  109. hierdoor
    c'est pourquoi
  110. hoger
    supérieur
  111. houtkap
    déforestation
  112. hulpverleners
    intervenant
  113. iemand aangaan
    concerner qqun
  114. In een notendop
    En bref, en résumé
  115. In overeensteming zijn met
    ętre conforme ŕ
  116. in stand houden
    subsister,se maintenir
  117. inheems
    indigčne
  118. inneemen
    occuper
  119. instelling
    institution
  120. invullen
    compléter, remplir
  121. jarenlang
    de longues années
  122. jeugdvereniging(en)
    association(s) de jeunesse
  123. kappen
    abattre
  124. koorts
    fičvre
  125. leeftijdgenoten
    compagnons d'âge
  126. leiden
    mener
  127. marteling
    torture
  128. meedoen
    participer
  129. mensenlijk
    humain
  130. met zijn allen
    avec tout, en totalité
  131. moeilijk
    difficilement
  132. naargelang
    ŕ mesure que
  133. namelijk
    en effet
  134. niet meer kunnen
    ne plus pouvoir
  135. nou
    maintenant
  136. ochtend
    matin
  137. oerwouden
    foręt vierge
  138. omrekenen
    convertir
  139. onbespoten
    non traité
  140. onbezorgd
    insouciant
  141. onder meer
    de plus
  142. onderscheiden
    distinguer
  143. onmisbaar
    indispensable
  144. op grote schaal
    ŕ grande échelle
  145. openbare plak,plekken
    endroit(s) public(s)
  146. opklimmen
    se développer
  147. opmaken
    finir
  148. opstappelen
    s'accumuler
  149. opwarmen 
    se réchauffer
  150. overblijvend
    restant
  151. overleven
    survivre ŕ
  152. overzicht
    un aperçu
  153. papiergebruik
    l'utilisation du papier
  154. poolgebieden
    régions polaires
  155. redelijk
    raisonable,passable
  156. reeds
    déja
  157. rooskleurig
    rose
  158. ruimte
    espace
  159. rustig
    calme
  160. Schade aanrichten
    provoquer des dégâts
  161. schadelijk
    nuisible
  162. schip(schepen)
    navire(s)
  163. schoon
    propre
  164. sfeer
    L'atmosphčre
  165. slag
    coup
  166. spaarzaam omgaan met
    ętre économe (de)
  167. stappen naar
    entreprendre
  168. steeds
    toujours
  169. sterk
    fort
  170. stijgen
    accroître
  171. stilaan
    petit a petit,progressivement
  172. strijd (de)
    le combat
  173. studiegebied
    domaine d'étude
  174. stuk
    morceau
  175. talrijk
    nombreux
  176. Tegen 2020
    Avant 2020
  177. tegenwoordig//nu
    ŕ l'heure actuelle
  178. ten opzichte van
    vis ŕ vis de
  179. Terug
    de retour
  180. toch
    cependant,quand męme
  181. toe
    vers, en direction de
  182. uiterst
    extręmement
  183. uitnodigen(nodigde uit, heeft uitgenodigd)
    inviter
  184. uitputten
    épuiser
  185. Van
    de
  186. van honger sterven
    mourir de faim
  187. vaststelling
    la constatation
  188. verbruiken
    consommer
  189. verdelen
    diviser
  190. vergelijken
    comparer
  191. vergelijking
    comparaison
  192. verlichten
    éclairer
  193. vermelden
    mentionner
  194. vernietigen
    dévaster, détruire
  195. veroorzaken
    provoquer,produire
  196. verspreiden
    répendre,propager
  197. vertrouwen
    confiance
  198. vervoer
    transport
  199. verwerken
    assumer
  200. vestigen
    installer
  201. vochtig
    humide
  202. voeding
    l'alimentation
  203. voedselketen
    la chaîne alimentaire
  204. voedselonveiligheid
    l'insécurité alimentaire
  205. voetafdruk
    emprunte
  206. vooraadkamer
    condition
  207. voorzichtig
    prudent
  208. vormen
    représenter/former
  209. waarbij
    pendant laquelle
  210. waarvan
    de quoi
  211. wakker
    réveillé
  212. we moeten er voorzichtig mee omgaan
    Nous devons ętre prudents avec
  213. weefsel
    le tissu
  214. wereldleiders
    dirigeants mondiaux
  215. wereldwijd
    mondial
  216. willen(de,den,h gewild)
    vouloir
  217. zeer
    trčs
  218. zelfs
    męme
  219. zich iets afvragen
    se demander qqch
  220. zich ontwikkelen
    se développer
  221. zoals
    comme,tel que
  222. Zodra
    dčs que
  223. zorgen
    se charger / s'occuper
  224. zwaar
    lourd

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview