NL_201509.xls

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
306711
Filename:
NL_201509.xls
Updated:
2015-08-23 12:20:06
Tags:
neerlandais vocabulaire temps primitifs
Folders:

Description:
tout le vocabulaire et temps primitifs NL 5eme/S2 La Brise
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. (aard)aandeel
    contribution (terrestre)
  2. aandagtig
    attentivement
  3. aangehaald
    caline
  4. aangenaam
    agréable
  5. aanpakken
    s'attaquer ŕ
  6. aanraden
    conseiller
  7. aanspreekpunt
    point de contact
  8. aantal
    nombre
  9. aanvaard
    accepté
  10. aanverwante
    d'autres
  11. aanvullen
    renouveler
  12. aanzienlijk
    considérable
  13. aardbol (de)
    le globe terrestre
  14. aardoppervlakte (de)
    la surface terrestre
  15. afbreken
    se décomposer
  16. afgelopen tientallen jaren (de)
    Les dizaines de derničres années
  17. afhangen
    dépendre
  18. afhankelijk
    dépendant
  19. afhankelijkheid (de)
    la dépendance
  20. afkomstig
    originaire
  21. afwiselen
    alterner
  22. al vaak
    souvent
  23. alemaal
    tout
  24. als
    Si / simplement
  25. alsmaar
    sans cesse, toujours
  26. alvorens
    avant de
  27. amazonewoud
    foręt amazonienne
  28. anderhalve liter
    un litre et 1/2
  29. bakken / bakte/bakten / gebakken
    cuire
  30. bederven / bedierf/bedierven / bedorven
    gâter
  31. bedreiging (de)
    la menace
  32. bedriegen / bedroog/bedrogen / bedrogen
    tromper
  33. bedrijf
    entreprise
  34. begaan zijn
    ętre engagé
  35. beginnen / begon/begonnen / begonnen
    commencer
  36. behoud (het)
    la préservation
  37. beďnvloeden
    influencer
  38. beperken
    limiter
  39. beschikbaar
    disponible
  40. beslaan
    recouvrir
  41. beslissen
    décider
  42. bestaan bedreigd
    existence menacée
  43. bevatten
    contenir
  44. bevelen / beval/bevalen / bevolen
    ordonner
  45. bevestigen
    confirmer
  46. bewegen
    bouger
  47. beweging
    mouvement
  48. bewoner
    un habitant
  49. bezig
    occupé
  50. bezorgen
    concerner
  51. bidden / bad/baden / gebeden
    prier
  52. bieden
    offrir
  53. bieden / bood/boden / geboden
    offrir
  54. bij uitstek
    par exellence
  55. bijten / beet/beten / gebeten
    mordre
  56. binden / bond/bonden / gebonden
    lier
  57. bindend
    obligatoire
  58. blijken / bleek/bleken / gebleken
    sembler
  59. blijven / bleef/bleven / gebleven
    rester
  60. bomen kappen
    abattre des arbres
  61. boot
    bateau
  62. bos
    foręt
  63. bovendien
    en outre,de plus
  64. brandstof
    combustible
  65. breken / brak/braken / gebroken
    casser
  66. brengen / bracht/brachten / gebracht
    apporter
  67. broeikaseffect (het)
    l'effet de serre
  68. broodbeleg
    la garniture
  69. Brussels Gewest (het)
    la région bruxeloise
  70. buigen / boog/bogen / gebogen
    courber
  71. Daar lig ik niet wakker van.
    Cela ne m'empęche pas de dormir.
  72. daarnaast
    ŕ coté de ça
  73. daarvoor
    pour cela
  74. dan
    alors
  75. dat
    ça
  76. denken / dacht/dachten / gedacht
    penser
  77. dienen
    servir
  78. diepte
    profondeur
  79. ding (het)
    la chose
  80. 0
    l'objectif
  81. doen / deed/deden / gedaan
    faire
  82. door
    en,ŕ travers
  83. dragen / droeg/droegen / gedragen
    porter
  84. dreigen
    menacer
  85. dringend
    urgent
  86. drinken / dronk/dronken / gedronken
    boire
  87. droogte (de)
    la sécheresse
  88. duidelijk zichtbaar
    clairement visible
  89. duiken / dook/doken / gedoken
    plonger
  90. duizend
    mille
  91. dun//niet dik
    fin
  92. dwingen / dwong/dwongen / gedwongen
    forcer
  93. een aantal
    certains
  94. Een ware
    un vrai...
  95. eenvoudig
    simple
  96. eerlijk
    honnęte
  97. eetgewoonten
    habitude alimentaire
  98. eigenlijk
    au fond,ŕ vrai dire
  99. eind (het)
    la fin
  100. energie besparen
    economiser de l'energie
  101. enkel
    seulement
  102. enkele
    quelques
  103. erkennen
    reconnaître,admettre
  104. ermee
    avec
  105. ernst
    gravité
  106. ernstig
    sérieux
  107. ervoor zorgen
    s'assurer que
  108. eten / at/aten / gegeten
    manger
  109. even
    un instant
  110. evenwicht
    équilibre
  111. fit
    en forme
  112. fitheid
    forme
  113. flink
    bien/fortement/sensiblement
  114. fluiten / floot/floten / gefloten
    siffler
  115. gaan / ging/gingen / gegaan
    aller
  116. gaandeweg
    peu ŕ peu
  117. gebrek (het)
    le manque
  118. gebruiken
    utiliser
  119. gelden / gold/golden / gegolden
    valoir
  120. gelegenheid
    opportunité
  121. gelijk
    égal
  122. gemiddelde
    moyenne
  123. gemidelde Nederlander (de)
    le néerlandophone moyen
  124. genezen / genas/genazen / genezen
    guérir
  125. genieten / genoot/genoten / genoten
    jouir
  126. geven / gaf/gaven / gegeven
    donner
  127. gevolg (het)
    la conséquence
  128. geweldig
    formidable
  129. gewoon
    simplement
  130. gezamenlijk
    commun
  131. gezond
    saint,en bonne santé
  132. gieten / goot/goten / gegoten
    verser
  133. giftig
    toxique
  134. graven / groef/groeven / gegraven
    creuser
  135. grens/grenzen
    frontičre
  136. grijpen / greep/grepen / gegrepen
    saisir
  137. groetenteteelt (de)
    la culture des legumes
  138. grootschalig
    ŕ grande échelle
  139. halen
    prendre
  140. hangen / hing/hingen / gehangen
    pendre
  141. hebben / had/hadden / gehad
    avoir
  142. Helft / helfde (de)
    la moitié
  143. helpen / hielp/hielpen / geholpen
    aider
  144. herbergen
    héberger
  145. heten / heette/heetten / geheten
    s'appeler
  146. hierdoor
    c'est pourquoi
  147. hoger
    supérieur
  148. houden (van) / hield (van)/hielden (van) / gehouden (van)
    tenir (aimer)
  149. houtkap
    déforestation
  150. huishouden
    ménage
  151. hulpverleners
    intervenant
  152. iemand aangaan
    concerner qqun
  153. In een notendop
    En bref, en résumé
  154. in hoeverre
    dans quel mesure
  155. In overeensteming zijn met
    ętre conforme ŕ
  156. in stand houden
    subsister,se maintenir
  157. inheems
    indigčne
  158. inneemen
    occuper
  159. instelling
    institution
  160. invullen
    compléter, remplir
  161. jarenlang
    de longues années
  162. je hoeft je niets te
    tu n'as rien ŕ...
  163. jeugdvereniging(en)
    association(s) de jeunesse
  164. kappen
    abattre
  165. kiezen / koos/kozen / gekozen
    choisir
  166. kijken / keek/keken / gekeken
    regarder
  167. klimmen / klom/klommen / geklommen
    grimper
  168. klinken / klonk/klonken / geklonken
    résonner
  169. komen / kwam/kwamen / gekomen
    venir
  170. koorts
    fičvre
  171. kopen / kocht/kochten / gekocht
    acheter
  172. krijgen / kreeg/kregen / gekregen
    recevoir
  173. kringlooppapier (het)
    le papier recyclé
  174. kunnen / kon/konden / gekund
    pouvoir
  175. lachen / lachte/lachten / gelachen
    rire
  176. laden / laadde/laadden / geladen
    charger
  177. lager
    inférieur
  178. laten / liet/lieten / gelaten
    laisser
  179. leefgewoonten
    habitudes
  180. leeftijdgenoten
    compagnons d'âge
  181. leerkrachten (de)
    l'enseignant
  182. leiden
    mener
  183. lezen / las/lazen / gelezen
    lire
  184. lichtpunt (de)
    l'attache
  185. liegen / loog/logen / gelogen
    mentir
  186. liggen / lag/lagen / gelegen
    ętre couché
  187. lijden / leed/leden / geleden
    souffrir
  188. lijken / leek/leken / geleken
    sembler
  189. lopen / liep/liepen / gelopen
    courir
  190. luchtvervuiling (de)
    la pollution de l'air
  191. mager
    maigre
  192. marteling
    torture
  193. meedoen
    participer
  194. meestal
    la plupart du temps
  195. mensenlijk
    humain
  196. met zijn allen
    avec tout, en totalité
  197. meten / mat/maten / gemeten
    mesurer
  198. moeilijk
    difficilement
  199. moeten / moest/moesten / gemoeten
    devoir
  200. mogen / mocht/mochten / gemogen
    pouvoir
  201. mondeling
    oral
  202. naargelang
    ŕ mesure que
  203. nadenken
    réfléchir
  204. namelijk
    en effet
  205. nemen / nam/namen / genomen
    prendre
  206. niet meer kunnen
    ne plus pouvoir
  207. niets
    ne...rien
  208. nochtans
    pourtant
  209. noodzaak
    nécéssité
  210. nou
    maintenant
  211. ochtend
    matin
  212. oerwouden
    foręt vierge
  213. olievoorraad (de)
    les réserves de pétrole
  214. omrekenen
    convertir
  215. onbespoten
    non traité
  216. onbezorgd
    insouciant
  217. onder meer
    de plus
  218. onderscheiden
    distinguer
  219. onderwijs (het)
    l'enseignement
  220. onderzoek (het)
    recherche
  221. onmisbaar
    indispensable
  222. ontwikkeling
    développement
  223. ontwikkelingslanden
    pays en voie de développement
  224. ontzeggen
    interdire, refuser
  225. ontzetten
    terrible
  226. onvoldoende garanties bieden
    offrir des garanties insuffisantes
  227. oorzaak (de)
    la cause
  228. op grote schaal
    ŕ grande échelle
  229. op korte termijn
    un court délai
  230. op te krikken
    améliorer
  231. openbare plak,plekken
    endroit(s) public(s)
  232. opklimmen
    se développer
  233. opmaken
    finir
  234. opstappelen
    s'accumuler
  235. opwarmen 
    se réchauffer
  236. overbevolking (de)
    la surpopulation
  237. overblijvend
    restant
  238. overeenstemming
    en conformité
  239. overleven
    survivre ŕ
  240. overnemen
    reprendre
  241. overstroming (de)
    l'inondation
  242. overzicht
    un aperçu
  243. ozonlaag (de)
    la couche d'ozone
  244. papiergebruik
    l'utilisation du papier
  245. poolgebieden
    régions polaires
  246. prijzen / prees/prezen / geprezen
    louer
  247. raad opvolgen
    suivre un conseil
  248. raden / raadde/raadden / geraden
    deviner
  249. redden
    sauver
  250. redelijk
    raisonable,passable
  251. reeds
    déja
  252. regering (de)
    gouvernement
  253. rijden / reed/reden / gereden
    rouler
  254. rijzen / rees/rezen / gerezen
    s'élever
  255. roepen / riep/riepen / geroepen
    crier
  256. rooskleurig
    rose
  257. ruiken / rook/roken / geroken
    sentir
  258. ruimte
    espace
  259. rustig
    calme
  260. samenwerkingprograma
    programme de collaboration
  261. Schade aanrichten
    provoquer des dégâts
  262. schadelijk
    nuisible
  263. scheiden / scheidde/scheidden / gescheiden
    séparer
  264. scheppen / schiep/schiepen / geschapen
    créer
  265. schieten / schoot/schoten / geschoten
    tirer
  266. schijnen / scheen/schenen / geschenen
    briller
  267. schip(schepen)
    navire(s)
  268. schoon
    propre
  269. schrijven / schreef/schreven / geschreven
    écrire
  270. schrikken / schrok/schrokken / geschroken
    s'effrayer
  271. sfeer
    L'atmosphčre
  272. slaan / sloeg/sloegen / geslagen
    frapper
  273. slag
    coup
  274. slapen / sliep/sliepen / geslapen
    dormir
  275. sluiten / sloot/sloten / gesloten
    fermer
  276. smelten / smolt/smolten / gesmolten
    fondre
  277. snuiten / snoot/snoten / gesnoten
    moucher
  278. spaarzaam omgaan met
    ętre économe (de)
  279. spannen / spande/spanden / gespannen
    tendre
  280. spijsvertering (de)
    La digestion
  281. spijten / speet/speten / gespeten
    causer du regret
  282. spreken / sprak/spraken / gesproken
    parler
  283. springen / sprong/sprongen / gesprongen
    sauter
  284. staan / stond/stonden / gestaan
    ętre debout
  285. stappen naar
    entreprendre
  286. steeds
    toujours, encore
  287. steken / stak/staken / gestoken
    piquer
  288. stelen / stal/stalen / gestolen
    voler
  289. sterk
    fort
  290. sterven / stierf/stierven / gestorven
    mourir
  291. stijgen
    accroître
  292. stijgen / steeg/stegen / gestegen
    s'élever
  293. stilaan
    petit a petit,progressivement
  294. stinken / stonk/stonken / gestonken
    puer
  295. stof (de)
    la matičre , substance
  296. stookolie (de)
    le fuel
  297. stoten / stotte/stotten / gestoten
    heurter
  298. straks
    tout ŕ l'heure
  299. strijd (de)
    le combat
  300. strijken / streek/streken / gestreken
    repasser
  301. studiegebied
    domaine d'étude
  302. stuk
    morceau
  303. talrijk
    nombreux
  304. Tegen 2020
    Avant 2020
  305. tegenwoordig//nu
    ŕ l'heure actuelle
  306. ten opzichte van
    vis ŕ vis de
  307. Terug
    de retour
  308. toch
    cependant,quand męme
  309. toe
    vers, en direction de
  310. treden / trad/traden / getreden
    marcher
  311. treffen / trof/troffen / getroffen
    toucher
  312. trekken / trok/trokken / getrokken
    tirer
  313. twee ons
    deux cents grammes
  314. uiterst
    extręmement
  315. uitnodigen(nodigde uit, heeft uitgenodigd)
    inviter
  316. uitputten
    épuiser
  317. uitputting (de)
    l'épuisement
  318. vak
    compartiment
  319. vallen / viel/vielen / gevallen
    tomber
  320. Van
    de
  321. van honger sterven
    mourir de faim
  322. vangen / ving/vingen / gevangen
    attraper
  323. varen / voer/voeren / gevaren
    naviguer
  324. vaststelling
    la constatation
  325. vechten / vocht/vochten / gevochten
    se battre
  326. verandering (de)
    le changement
  327. verbetering (de)
    l'amélioration
  328. verbieden / verbood/verboden / verboden
    interdire
  329. verbruiken
    consommer
  330. verdelen
    diviser
  331. verdwijnen / verdween/verdwenen / verdwenen
    disparaître
  332. vergelijken / vergeleek/vergeleken / vergeleken
    comparer
  333. vergelijking
    comparaison
  334. vergeten / vergat/vergaten / vergeten
    oublier
  335. verkopen / verkocht/verkochten / verkocht
    vendre
  336. verlaten / verliet/verlieten / verlaten
    quitter
  337. verlichten
    éclairer
  338. verliezen / verloor/verloren / verloren
    perdre
  339. vermelden
    mentionner
  340. vermijden / vermeed/verlmedel / vermeden
    éviter
  341. vernieling (de)
    la destruction
  342. vernietigen
    dévaster, détruire
  343. veroorzaken
    provoquer,produire
  344. verpleegkundigen
    infirmier
  345. verslag
    rapport,compte rendu
  346. verspreiden
    répendre,propager
  347. verstaan / verstond/verstonden / verstaan
    comprendre
  348. vertegenwoordigen
    représenter
  349. vertrekken / vertrok/vertrokken / vertrokken
    partir
  350. vertrouwen
    confiance
  351. vervoer
    transport
  352. verwerken
    assumer
  353. verzekeren
    assurer
  354. verzinnen / verzon/verzonnen / verzonnen
    imaginer
  355. verzorgenden
    les soignants
  356. vestigen
    installer
  357. vet
    graisse
  358. vezel
    fibre
  359. vinden / vond/vonden / gevonden
    trouver
  360. vliegen / vloog/vlogen / gevlogen
    voler
  361. vochtig
    humide
  362. voeding
    l'alimentation
  363. voedingdeskundigen
    les nutritionnistes
  364. voedingsmiddelen (de)
    les aliments
  365. voedselhulp (de)
    l'aide alimentaire
  366. voedselketen
    la chaîne alimentaire
  367. voedselonveiligheid
    l'insécurité alimentaire
  368. voetafdruk
    emprunte
  369. voldoende
    suffisamment
  370. volledige
    complet
  371. vooraadkamer
    condition
  372. voorbije eeuw (de)
    ce dernier sičcle
  373. voorkeur
    préférence
  374. voorstellen
    se représenter
  375. voorzichtig
    prudent
  376. vormen
    représenter/former
  377. vragen / vroeg/vroegen / gevraagd
    demander
  378. vriezen / vroor/vroren / gevroren
    geler
  379. vrijgemaakt
    libéré
  380. vroedvrouwen
    Sage-femme
  381. vroeger
    avant
  382. waarbij
    pendant laquelle
  383. waardoor
    par quoi
  384. waarschijnlijk
    probablement
  385. waarvan
    de quoi
  386. wakker
    réveillé
  387. want(=omdat)
    parce que
  388. wassen / waste/wasten / gewassen
    laver
  389. we moeten er voorzichtig mee omgaan
    Nous devons ętre prudents avec
  390. weefsel
    le tissu
  391. wegen / woog/wogen / gewogen
    peser
  392. wereldleiders
    dirigeants mondiaux
  393. wereldwijd
    mondial
  394. werpen / wierp/wierpen / geworpen
    jeter
  395. weten / wist/wisten / geweten
    savoir
  396. wezen (het)
    L'ętre
  397. wijk
    quartier
  398. wijten / weet/weten / geweten
    imputer
  399. wijze
    conseil
  400. wijzen / wees/wezen / gewezen
    indiquer
  401. willen / wilde/wilden / h. Gewild
    vouloir
  402. winnen / won/wonnen / gewonnen
    gagner
  403. worden / werd/werden / geworden
    devenir
  404. wrijven / wreef/wreven / gewreven
    frotter
  405. zeer
    trčs
  406. zeggen / zegde / zei/zegden / zeiden / gezegd
    dire
  407. zelfs
    męme
  408. zenden / zond/zonden / gezonden
    envoyer
  409. zich iets afvragen
    se demander qqch
  410. zich ontwikkelen
    se développer
  411. zien / zag/zagen / gezien
    voir
  412. zijn / was/waren / geweest
    ętre
  413. zingen / zong/zongen / gezongen
    chanter
  414. zinken / zonk/zonk / gezonken
    sombrer
  415. zitten / zat/zaten / gezeten
    ętre assis
  416. zoals
    comme,tel que
  417. Zodra
    dčs que
  418. zoeken / zocht/zochten / gezocht
    chercher
  419. zoiets
    une chose pareille
  420. zorgen
    se charger / s'occuper
  421. zulke
    tel
  422. zwaar
    lourd
  423. zwemmen / zwom/zwommen / gezwommen
    nager
  424. zweren / zwoer/zwoeren / gezworen
    jurer
  425. zwerven / zwierf/zwierven / gezworven
    errer
  426. zwijgen / zweeg/zwegen / gezwegen
    se taire

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview