NL_201509.xls

Card Set Information

Author:
Qwaky42
ID:
306712
Filename:
NL_201509.xls
Updated:
2015-08-23 12:36:04
Tags:
vocabulaire neerlandais
Folders:
NDL
Description:
tout le vocabulaire NL et TP La Brise 5S2
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Qwaky42 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. (aard)aandeel
    contribution (terrestre)
  2. aandagtig
    attentivement
  3. aangehaald
    caline
  4. aangenaam
    agréable
  5. aanpakken
    s'attaquer à
  6. aanraden
    conseiller
  7. aanspreekpunt
    point de contact
  8. aantal
    nombre
  9. aanvaard
    accepté
  10. aanverwante
    d'autres
  11. aanvullen
    renouveler
  12. aanzienlijk
    considérable
  13. aardbol (de)
    le globe terrestre
  14. aardoppervlakte (de)
    la surface terrestre
  15. afbreken
    se décomposer
  16. afgelopen tientallen jaren (de)
    Les dizaines de dernières années
  17. afhangen
    dépendre
  18. afhankelijk
    dépendant
  19. afhankelijkheid (de)
    la dépendance
  20. afkomstig
    originaire
  21. afwiselen
    alterner
  22. al vaak
    souvent
  23. alemaal
    tout
  24. als
    Si / simplement
  25. alsmaar
    sans cesse, toujours
  26. alvorens
    avant de
  27. amazonewoud
    forêt amazonienne
  28. anderhalve liter
    un litre et 1/2
  29. bakken / bakte/bakten / gebakken
    cuire
  30. bederven / bedierf/bedierven / bedorven
    gâter
  31. bedreiging (de)
    la menace
  32. bedriegen / bedroog/bedrogen / bedrogen
    tromper
  33. bedrijf
    entreprise
  34. begaan zijn
    être engagé
  35. beginnen / begon/begonnen / begonnen
    commencer
  36. behoud (het)
    la préservation
  37. beďnvloeden
    influencer
  38. beperken
    limiter
  39. beschikbaar
    disponible
  40. beslaan
    recouvrir
  41. beslissen
    décider
  42. bestaan bedreigd
    existence menacée
  43. bevatten
    contenir
  44. bevelen / beval/bevalen / bevolen
    ordonner
  45. bevestigen
    confirmer
  46. bewegen
    bouger
  47. beweging
    mouvement
  48. bewoner
    un habitant
  49. bezig
    occupé
  50. bezorgen
    concerner
  51. bidden / bad/baden / gebeden
    prier
  52. bieden / bood/boden / geboden
    offrir
  53. bij uitstek
    par excellence
  54. bijten / beet/beten / gebeten
    mordre
  55. binden / bond/bonden / gebonden
    lier
  56. bindend
    obligatoire
  57. blijken / bleek/bleken / gebleken
    sembler
  58. blijven / bleef/bleven / gebleven
    rester
  59. bomen kappen
    abattre des arbres
  60. boot
    bateau
  61. bos
    forêt
  62. bovendien
    en outre, de plus
  63. brandstof
    combustible
  64. breken / brak/braken / gebroken
    casser
  65. brengen / bracht/brachten / gebracht
    apporter
  66. broeikaseffect (het)
    l'effet de serre
  67. broodbeleg
    la garniture
  68. Brussels Gewest (het)
    la région bruxeloise
  69. buigen / boog/bogen / gebogen
    courber
  70. Daar lig ik niet wakker van.
    Cela ne m'empêche pas de dormir.
  71. daarnaast
    à coté de ça
  72. daarvoor
    pour cela
  73. dan
    alors
  74. dat
    ça
  75. denken / dacht/dachten / gedacht
    penser
  76. dienen
    servir
  77. diepte
    profondeur
  78. ding (het)
    la chose
  79. doel (de)
    l'objectif
  80. doen / deed/deden / gedaan
    faire
  81. door
    en, à travers
  82. dragen / droeg/droegen / gedragen
    porter
  83. dreigen
    menacer
  84. dringend
    urgent
  85. drinken / dronk/dronken / gedronken
    boire
  86. droogte (de)
    la sècheresse
  87. duidelijk zichtbaar
    clairement visible
  88. duiken / dook/doken / gedoken
    plonger
  89. duizend
    mille
  90. dun//niet dik
    fin
  91. dwingen / dwong/dwongen / gedwongen
    forcer
  92. een aantal
    certains
  93. Een ware
    un vrai...
  94. eenvoudig
    simple
  95. eerlijk
    honnête
  96. eetgewoonten
    habitude alimentaire
  97. eigenlijk
    au fond,à vrai dire
  98. eind (het)
    la fin
  99. energie besparen
    économiser de l'energie
  100. enkel
    seulement
  101. enkele
    quelques
  102. erkennen
    reconnaître,admettre
  103. ermee
    avec
  104. ernst
    gravité
  105. ernstig
    sérieux
  106. ervoor zorgen
    s'assurer que
  107. eten / at/aten / gegeten
    manger
  108. even
    un instant
  109. evenwicht
    équilibre
  110. fit
    en forme
  111. fitheid
    forme
  112. flink
    bien/fortement/sensiblement
  113. fluiten / floot/floten / gefloten
    siffler
  114. gaan / ging/gingen / gegaan
    aller
  115. gaandeweg
    peu à peu
  116. gebrek (het)
    le manque
  117. gebruiken
    utiliser
  118. gelden / gold/golden / gegolden
    valoir
  119. gelegenheid
    opportunité
  120. gelijk
    égal
  121. gemiddelde
    moyenne
  122. gemidelde Nederlander (de)
    le néerlandophone moyen
  123. genezen / genas/genazen / genezen
    guérir
  124. genieten / genoot/genoten / genoten
    jouir
  125. geven / gaf/gaven / gegeven
    donner
  126. gevolg (het)
    la conséquence
  127. geweldig
    formidable
  128. gewoon
    simplement
  129. gezamenlijk
    commun
  130. gezond
    sain, en bonne santé
  131. gieten / goot/goten / gegoten
    verser
  132. giftig
    toxique
  133. graven / groef/groeven / gegraven
    creuser
  134. grens/grenzen
    frontière
  135. grijpen / greep/grepen / gegrepen
    saisir
  136. groetenteteelt (de)
    la culture des legumes
  137. grootschalig
    à grande échelle
  138. halen
    prendre
  139. hangen / hing/hingen / gehangen
    pendre
  140. hebben / had/hadden / gehad
    avoir
  141. Helft / helfde (de)
    la moitié
  142. helpen / hielp/hielpen / geholpen
    aider
  143. herbergen
    héberger
  144. heten / heette/heetten / geheten
    s'appeler
  145. hierdoor
    c'est pourquoi
  146. hoger
    supérieur
  147. houden (van) / hield (van)/hielden (van) / gehouden (van)
    tenir (aimer)
  148. houtkap
    déforestation
  149. huishouden
    ménage
  150. hulpverleners
    intervenant
  151. iemand aangaan
    concerner quelqu'un
  152. In een notendop
    En bref, en résumé
  153. in hoeverre
    dans quell mesure
  154. In overeensteming zijn met
    être conforme à
  155. in stand houden
    subsister,se maintenir
  156. inheems
    indigène
  157. inneemen
    occuper
  158. instelling
    institution
  159. invullen
    compléter, remplir
  160. jarenlang
    de longues années
  161. je hoeft je niets te
    tu n'as rien à...
  162. jeugdvereniging(en)
    association(s) de jeunesse
  163. kappen
    abattre
  164. kiezen / koos/kozen / gekozen
    choisir
  165. kijken / keek/keken / gekeken
    regarder
  166. klimmen / klom/klommen / geklommen
    grimper
  167. klinken / klonk/klonken / geklonken
    résonner
  168. komen / kwam/kwamen / gekomen
    venir
  169. koorts
    fièvre
  170. kopen / kocht/kochten / gekocht
    acheter
  171. krijgen / kreeg/kregen / gekregen
    recevoir
  172. kringlooppapier (het)
    le papier recyclé
  173. kunnen / kon/konden / gekund
    pouvoir
  174. lachen / lachte/lachten / gelachen
    rire
  175. laden / laadde/laadden / geladen
    charger
  176. lager
    inférieur
  177. laten / liet/lieten / gelaten
    laisser
  178. leefgewoonten
    habitudes
  179. leeftijdgenoten
    compagnons d'âge
  180. leerkrachten (de)
    l'enseignant
  181. leiden
    mener
  182. lezen / las/lazen / gelezen
    lire
  183. lichtpunt (de)
    l'attache
  184. liegen / loog/logen / gelogen
    mentir
  185. liggen / lag/lagen / gelegen
    être couché
  186. lijden / leed/leden / geleden
    souffrir
  187. lijken / leek/leken / geleken
    sembler
  188. lopen / liep/liepen / gelopen
    courir
  189. luchtvervuiling (de)
    la pollution de l'air
  190. mager
    maigre
  191. marteling
    torture
  192. meedoen
    participer
  193. meestal
    la plupart du temps
  194. mensenlijk
    humain
  195. met zijn allen
    avec tout, en totalité
  196. meten / mat/maten / gemeten
    mesurer
  197. moeilijk
    difficilement
  198. moeten / moest/moesten / gemoeten
    devoir
  199. mogen / mocht/mochten / gemogen
    pouvoir
  200. mondeling
    oral
  201. naargelang
    à mesure que
  202. nadenken
    réfléchir
  203. namelijk
    en effet
  204. nemen / nam/namen / genomen
    prendre
  205. niet meer kunnen
    ne plus pouvoir
  206. niets
    ne...rien
  207. nochtans
    pourtant
  208. noodzaak
    nécéssité
  209. nou
    maintenant
  210. ochtend
    matin
  211. oerwouden
    forêt vierge
  212. olievoorraad (de)
    les réserves de pétrole
  213. omrekenen
    convertir
  214. onbespoten
    non traité
  215. onbezorgd
    insouciant
  216. onder meer
    de plus
  217. onderscheiden
    distinguer
  218. onderwijs (het)
    l'enseignement
  219. onderzoek (het)
    recherche
  220. onmisbaar
    indispensable
  221. ontwikkeling
    développement
  222. ontwikkelingslanden
    pays en voie de développement
  223. ontzeggen
    interdire, refuser
  224. ontzetten
    terrible
  225. onvoldoende garanties bieden
    offrir des garanties insuffisantes
  226. oorzaak (de)
    la cause
  227. op grote schaal
    à grande échelle
  228. op korte termijn
    un court délai
  229. op te krikken
    améliorer
  230. openbare plak,plekken
    endroit(s) public(s)
  231. opklimmen
    se développer
  232. opmaken
    finir
  233. opstappelen
    s'accumuler
  234. opwarmen 
    se réchauffer
  235. overbevolking (de)
    la surpopulation
  236. overblijvend
    restant
  237. overeenstemming
    en conformité
  238. overleven
    survivre à
  239. overnemen
    reprendre
  240. overstroming (de)
    l'inondation
  241. overzicht
    un aperçu
  242. ozonlaag (de)
    la couche d'ozone
  243. papiergebruik
    l'utilisation du papier
  244. poolgebieden
    régions polaires
  245. prijzen / prees/prezen / geprezen
    louer
  246. raad opvolgen
    suivre un conseil
  247. raden / raadde/raadden / geraden
    deviner
  248. redden
    sauver
  249. redelijk
    raisonable,passable
  250. reeds
    déja
  251. regering (de)
    gouvernement
  252. rijden / reed/reden / gereden
    rouler
  253. rijzen / rees/rezen / gerezen
    s'élever
  254. roepen / riep/riepen / geroepen
    crier
  255. rooskleurig
    rose
  256. ruiken / rook/roken / geroken
    sentir
  257. ruimte
    espace
  258. rustig
    calme
  259. samenwerkingprograma
    programme de collaboration
  260. Schade aanrichten
    provoquer des dégâts
  261. schadelijk
    nuisible
  262. scheiden / scheidde/scheidden / gescheiden
    séparer
  263. scheppen / schiep/schiepen / geschapen
    créer
  264. schieten / schoot/schoten / geschoten
    tirer
  265. schijnen / scheen/schenen / geschenen
    briller
  266. schip(schepen)
    navire(s)
  267. schoon
    propre
  268. schrijven / schreef/schreven / geschreven
    écrire
  269. schrikken / schrok/schrokken / geschroken
    s'effrayer
  270. sfeer
    L'atmosphère
  271. slaan / sloeg/sloegen / geslagen
    frapper
  272. slag
    coup
  273. slapen / sliep/sliepen / geslapen
    dormir
  274. sluiten / sloot/sloten / gesloten
    fermer
  275. smelten / smolt/smolten / gesmolten
    fondre
  276. snuiten / snoot/snoten / gesnoten
    moucher
  277. spaarzaam omgaan met
    être économe (de)
  278. spannen / spande/spanden / gespannen
    tendre
  279. spijsvertering (de)
    La digestion
  280. spijten / speet/speten / gespeten
    causer du regret
  281. spreken / sprak/spraken / gesproken
    parler
  282. springen / sprong/sprongen / gesprongen
    sauter
  283. staan / stond/stonden / gestaan
    être debout
  284. stappen naar
    entreprendre
  285. steeds
    toujours, encore
  286. steken / stak/staken / gestoken
    piquer
  287. stelen / stal/stalen / gestolen
    voler
  288. sterk
    fort
  289. sterven / stierf/stierven / gestorven
    mourir
  290. stijgen
    accroître
  291. stijgen / steeg/stegen / gestegen
    s'élever
  292. stilaan
    petit à petit, progressivement
  293. stinken / stonk/stonken / gestonken
    puer
  294. stof (de)
    la matière , substance
  295. stookolie (de)
    le fuel
  296. stoten / stotte/stotten / gestoten
    heurter
  297. straks
    tout à l'heure
  298. strijd (de)
    le combat
  299. strijken / streek/streken / gestreken
    repasser
  300. studiegebied
    domaine d'étude
  301. stuk
    morceau
  302. talrijk
    nombreux
  303. Tegen 2020
    Avant 2020
  304. tegenwoordig//nu
    à l'heure actuelle
  305. ten opzichte van
    vis à vis de
  306. Terug
    de retour
  307. toch
    cependant,quand même
  308. toe
    vers, en direction de
  309. treden / trad/traden / getreden
    marcher
  310. treffen / trof/troffen / getroffen
    toucher
  311. trekken / trok/trokken / getrokken
    tirer
  312. twee ons
    deux cents grammes
  313. uiterst
    extrêmement
  314. uitnodigen(nodigde uit, heeft uitgenodigd)
    inviter
  315. uitputten
    épuiser
  316. uitputting (de)
    l'épuisement
  317. vak
    compartiment
  318. vallen / viel/vielen / gevallen
    tomber
  319. Van
    de
  320. van honger sterven
    mourir de faim
  321. vangen / ving/vingen / gevangen
    attraper
  322. varen / voer/voeren / gevaren
    naviguer
  323. vaststelling
    la constatation
  324. vechten / vocht/vochten / gevochten
    se battre
  325. verandering (de)
    le changement
  326. verbetering (de)
    l'amélioration
  327. verbieden / verbood/verboden / verboden
    interdire
  328. verbruiken
    consommer
  329. verdelen
    diviser
  330. verdwijnen / verdween/verdwenen / verdwenen
    disparaître
  331. vergelijken / vergeleek/vergeleken / vergeleken
    comparer
  332. vergelijking
    comparaison
  333. vergeten / vergat/vergaten / vergeten
    oublier
  334. verkopen / verkocht/verkochten / verkocht
    vendre
  335. verlaten / verliet/verlieten / verlaten
    quitter
  336. verlichten
    éclairer
  337. verliezen / verloor/verloren / verloren
    perdre
  338. vermelden
    mentionner
  339. vermijden / vermeed/verlmedel / vermeden
    éviter
  340. vernieling (de)
    la destruction
  341. vernietigen
    dévaster, détruire
  342. veroorzaken
    provoquer, produire
  343. verpleegkundigen
    infirmier
  344. verslag
    rapport, compte rendu
  345. verspreiden
    répendre, propager
  346. verstaan / verstond/verstonden / verstaan
    comprendre
  347. vertegenwoordigen
    représenter
  348. vertrekken / vertrok/vertrokken / vertrokken
    partir
  349. vertrouwen
    confiance
  350. vervoer
    transport
  351. verwerken
    assumer
  352. verzekeren
    assurer
  353. verzinnen / verzon/verzonnen / verzonnen
    imaginer
  354. verzorgenden
    les soignants
  355. vestigen
    installer
  356. vet
    graisse
  357. vezel
    fibre
  358. vinden / vond/vonden / gevonden
    trouver
  359. vliegen / vloog/vlogen / gevlogen
    voler
  360. vochtig
    humide
  361. voeding
    l'alimentation
  362. voedingdeskundigen
    les nutritionnistes
  363. voedingsmiddelen (de)
    les aliments
  364. voedselhulp (de)
    l'aide alimentaire
  365. voedselketen
    la chaîne alimentaire
  366. voedselonveiligheid
    l'insécurité alimentaire
  367. voetafdruk
    emprunte
  368. voldoende
    suffisamment
  369. volledige
    complet
  370. vooraadkamer
    condition
  371. voorbije eeuw (de)
    ce dernier siècle
  372. voorkeur
    préférence
  373. voorstellen
    se représenter
  374. voorzichtig
    prudent
  375. vormen
    représenter/former
  376. vragen / vroeg/vroegen / gevraagd
    demander
  377. vriezen / vroor/vroren / gevroren
    geler
  378. vrijgemaakt
    libéré
  379. vroedvrouwen
    Sage-femme
  380. vroeger
    avant
  381. waarbij
    pendant laquelle
  382. waardoor
    par quoi
  383. waarschijnlijk
    probablement
  384. waarvan
    de quoi
  385. wakker
    réveillé
  386. want(=omdat)
    parce que
  387. wassen / waste/wasten / gewassen
    laver
  388. we moeten er voorzichtig mee omgaan
    Nous devons être prudents avec
  389. weefsel
    le tissu
  390. wegen / woog/wogen / gewogen
    peser
  391. wereldleiders
    dirigeants mondiaux
  392. wereldwijd
    mondial
  393. werpen / wierp/wierpen / geworpen
    jeter
  394. weten / wist/wisten / geweten
    savoir
  395. wezen (het)
    L'être
  396. wijk
    quartier
  397. wijten / weet/weten / geweten
    imputer
  398. wijze
    conseil
  399. wijzen / wees/wezen / gewezen
    indiquer
  400. willen / wilde/wilden / h. Gewild
    vouloir
  401. winnen / won/wonnen / gewonnen
    gagner
  402. worden / werd/werden / geworden
    devenir
  403. wrijven / wreef/wreven / gewreven
    frotter
  404. zeer
    très
  405. zeggen / zegde / zei/zegden / zeiden / gezegd
    dire
  406. zelfs
    même
  407. zenden / zond/zonden / gezonden
    envoyer
  408. zich iets afvragen
    se demander quelque chose
  409. zich ontwikkelen
    se développer
  410. zien / zag/zagen / gezien
    voir
  411. zijn / was/waren / geweest
    être
  412. zingen / zong/zongen / gezongen
    chanter
  413. zinken / zonk/zonk / gezonken
    sombrer
  414. zitten / zat/zaten / gezeten
    être assis
  415. zoals
    comme,tel que
  416. Zodra
    dès que
  417. zoeken / zocht/zochten / gezocht
    chercher
  418. zoiets
    une chose pareille
  419. zorgen
    se charger / s'occuper
  420. zulke
    tel
  421. zwaar
    lourd
  422. zwemmen / zwom/zwommen / gezwommen
    nager
  423. zweren / zwoer/zwoeren / gezworen
    jurer
  424. zwerven / zwierf/zwierven / gezworven
    errer
  425. zwijgen / zweeg/zwegen / gezwegen
    se taire

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview