Temps_Primitifs_201509.xls

Card Set Information

Author:
Qwaky42
ID:
306713
Filename:
Temps_Primitifs_201509.xls
Updated:
2015-08-23 12:41:39
Tags:
neerlandais templs primitifs
Folders:

Description:
temps primitifs La Brise 5eme
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Qwaky42 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. bakken / bakte/bakten / gebakken
    cuire
  2. bederven / bedierf/bedierven / bedorven
    gâter
  3. bedriegen / bedroog/bedrogen / bedrogen
    tromper
  4. beginnen / begon/begonnen / begonnen
    commencer
  5. bevelen / beval/bevalen / bevolen
    ordonner
  6. bidden / bad/baden / gebeden
    prier
  7. bieden / bood/boden / geboden
    offrir
  8. bijten / beet/beten / gebeten
    mordre
  9. binden / bond/bonden / gebonden
    lier
  10. blijken / bleek/bleken / gebleken
    sembler
  11. blijven / bleef/bleven / gebleven
    rester
  12. breken / brak/braken / gebroken
    casser
  13. brengen / bracht/brachten / gebracht
    apporter
  14. buigen / boog/bogen / gebogen
    courber
  15. denken / dacht/dachten / gedacht
    penser
  16. doen / deed/deden / gedaan
    faire
  17. dragen / droeg/droegen / gedragen
    porter
  18. drinken / dronk/dronken / gedronken
    boire
  19. duiken / dook/doken / gedoken
    plonger
  20. dwingen / dwong/dwongen / gedwongen
    forcer
  21. eten / at/aten / gegeten
    manger
  22. fluiten / floot/floten / gefloten
    siffler
  23. gaan / ging/gingen / gegaan
    aller
  24. gelden / gold/golden / gegolden
    valoir
  25. genezen / genas/genazen / genezen
    guérir
  26. genieten / genoot/genoten / genoten
    jouir
  27. geven / gaf/gaven / gegeven
    donner
  28. gieten / goot/goten / gegoten
    verser
  29. graven / groef/groeven / gegraven
    creuser
  30. grijpen / greep/grepen / gegrepen
    saisir
  31. hangen / hing/hingen / gehangen
    pendre
  32. hebben / had/hadden / gehad
    avoir
  33. helpen / hielp/hielpen / geholpen
    aider
  34. heten / heette/heetten / geheten
    s'appeler
  35. houden (van) / hield (van)/hielden (van) / gehouden (van)
    tenir (aimer)
  36. kiezen / koos/kozen / gekozen
    choisir
  37. kijken / keek/keken / gekeken
    regarder
  38. klimmen / klom/klommen / geklommen
    grimper
  39. klinken / klonk/klonken / geklonken
    résonner
  40. komen / kwam/kwamen / gekomen
    venir
  41. kopen / kocht/kochten / gekocht
    acheter
  42. krijgen / kreeg/kregen / gekregen
    recevoir
  43. kunnen / kon/konden / gekund
    pouvoir
  44. lachen / lachte/lachten / gelachen
    rire
  45. laden / laadde/laadden / geladen
    charger
  46. laten / liet/lieten / gelaten
    laisser
  47. lezen / las/lazen / gelezen
    lire
  48. liegen / loog/logen / gelogen
    mentir
  49. liggen / lag/lagen / gelegen
    être couché
  50. lijden / leed/leden / geleden
    souffrir
  51. lijken / leek/leken / geleken
    sembler
  52. lopen / liep/liepen / gelopen
    courir
  53. meten / mat/maten / gemeten
    mesurer
  54. moeten / moest/moesten / gemoeten
    devoir
  55. mogen / mocht/mochten / gemogen
    pouvoir
  56. nemen / nam/namen / genomen
    prendre
  57. prijzen / prees/prezen / geprezen
    louer
  58. raden / raadde/raadden / geraden
    deviner
  59. rijden / reed/reden / gereden
    rouler
  60. rijzen / rees/rezen / gerezen
    s'élever
  61. roepen / riep/riepen / geroepen
    crier
  62. ruiken / rook/roken / geroken
    sentir
  63. scheiden / scheidde/scheidden / gescheiden
    séparer
  64. scheppen / schiep/schiepen / geschapen
    créer
  65. schieten / schoot/schoten / geschoten
    tirer
  66. schijnen / scheen/schenen / geschenen
    briller
  67. schrijven / schreef/schreven / geschreven
    écrire
  68. schrikken / schrok/schrokken / geschroken
    s'effrayer
  69. slaan / sloeg/sloegen / geslagen
    frapper
  70. slapen / sliep/sliepen / geslapen
    dormir
  71. sluiten / sloot/sloten / gesloten
    fermer
  72. smelten / smolt/smolten / gesmolten
    fondre
  73. snuiten / snoot/snoten / gesnoten
    moucher
  74. spannen / spande/spanden / gespannen
    tendre
  75. spijten / speet/speten / gespeten
    causer du regret
  76. spreken / sprak/spraken / gesproken
    parler
  77. springen / sprong/sprongen / gesprongen
    sauter
  78. staan / stond/stonden / gestaan
    être debout
  79. steken / stak/staken / gestoken
    piquer
  80. stelen / stal/stalen / gestolen
    voler
  81. sterven / stierf/stierven / gestorven
    mourir
  82. stijgen / steeg/stegen / gestegen
    s'élever
  83. stinken / stonk/stonken / gestonken
    puer
  84. stoten / stotte/stotten / gestoten
    heurter
  85. strijken / streek/streken / gestreken
    repasser
  86. treden / trad/traden / getreden
    marcher
  87. treffen / trof/troffen / getroffen
    toucher
  88. trekken / trok/trokken / getrokken
    tirer
  89. vallen / viel/vielen / gevallen
    tomber
  90. vangen / ving/vingen / gevangen
    attraper
  91. varen / voer/voeren / gevaren
    naviguer
  92. vechten / vocht/vochten / gevochten
    se battre
  93. verbieden / verbood/verboden / verboden
    interdire
  94. verdwijnen / verdween/verdwenen / verdwenen
    disparaître
  95. vergelijken / vergeleek/vergeleken / vergeleken
    comparer
  96. vergeten / vergat/vergaten / vergeten
    oublier
  97. verkopen / verkocht/verkochten / verkocht
    vendre
  98. verlaten / verliet/verlieten / verlaten
    quitter
  99. verliezen / verloor/verloren / verloren
    perdre
  100. vermijden / vermeed/verlmedel / vermeden
    éviter
  101. verstaan / verstond/verstonden / verstaan
    comprendre
  102. vertrekken / vertrok/vertrokken / vertrokken
    partir
  103. verzinnen / verzon/verzonnen / verzonnen
    imaginer
  104. vinden / vond/vonden / gevonden
    trouver
  105. vliegen / vloog/vlogen / gevlogen
    voler
  106. vragen / vroeg/vroegen / gevraagd
    demander
  107. vriezen / vroor/vroren / gevroren
    geler
  108. wassen / waste/wasten / gewassen
    laver
  109. wegen / woog/wogen / gewogen
    peser
  110. werpen / wierp/wierpen / geworpen
    jeter
  111. weten / wist/wisten / geweten
    savoir
  112. wijten / weet/weten / geweten
    imputer
  113. wijzen / wees/wezen / gewezen
    indiquer
  114. willen / wilde/wilden / gewild
    vouloir
  115. winnen / won/wonnen / gewonnen
    gagner
  116. worden / werd/werden / geworden
    devenir
  117. wrijven / wreef/wreven / gewreven
    frotter
  118. zeggen / zegde / zei/zegden / zeiden / gezegd
    dire
  119. zenden / zond/zonden / gezonden
    envoyer
  120. zien / zag/zagen / gezien
    voir
  121. zijn / was/waren / geweest
    être
  122. zingen / zong/zongen / gezongen
    chanter
  123. zinken / zonk/zonk / gezonken
    sombrer
  124. zitten / zat/zaten / gezeten
    être assis
  125. zoeken / zocht/zochten / gezocht
    chercher
  126. zwemmen / zwom/zwommen / gezwommen
    nager
  127. zweren / zwoer/zwoeren / gezworen
    jurer
  128. zwerven / zwierf/zwierven / gezworven
    errer
  129. zwijgen / zweeg/zwegen / gezwegen
    se taire

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview