Verbs 2

Card Set Information

Author:
jorisgrave
ID:
307634
Filename:
Verbs 2
Updated:
2015-12-02 16:13:06
Tags:
verbs
Folders:

Description:
verbs
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user jorisgrave on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. dělat





    dělám
    děláš
    dělá
    děláme
    doen/maken


    • ik doe
    • jij doet
    • hij/zij doet
    • wij doen
    • jullie doen
    • zij doen
  2. vstávat





    vstávám
    vstáváš
    vstává
    vstáváme
    opstaan

    • ik sta op
    • jij staat op
    • hij/zij staat op
    • wij staan op
    • jullie staan op
    • zij staan op
  3. snídat





    snídám
    snídáš
    snídá
    snídáme
    ontbijten

    • ik ontbijt
    • jij ontbijt
    • hij/zij ontbijt
    • wij ontbijten
    • jullie ontbijten
    • zij ontbijten
  4. obědvat





    obědvám
    obědváš
    obědvá
    obědváme
    lunchen


    • ik lunch
    • jij luncht
    • hij/zij luncht
    • wij lunchen
    • jullie lunchen
    • zij lunchen
  5. odpočívat





    odpočívám
    odpočíváš
    odpočívá
    odpočíváme
    rusten

    • ik rust
    • jij rust
    • hij/zij rust
    • wij rusten
    • jullie rusten
    • zij rusten
  6. mít





    mám
    máš

    máme
    hebben

    • ik heb
    • jij hebt
    • hij/zij heeft
    • wij hebben
    • julllie hebben
    • zij hebben
  7. moct





    můžu
    můžeš
    může
    můžeme
    in staat zijn

    • ik ben in staat
    • jij bent in staat
    • hij/zij is in staat
    • wij zijn in staat
    • jullie zijn in staat
    • zij zijn in staat
  8. znát





    znám
    znáš
    zná
    známe
    kennen

    • ik ken
    • jij kent
    • hij/zij kent
    • wij kennen
    • jullie kennen
    • zij kennen
  9. rozumět





    rozumím
    rozumíš
    rozumí
    rozumíme
    begrijpen

    • ik begrijp
    • jij begrijpt
    • hij/zij begrijpt
    • wij begrijpen
    • jullie begrijpen
    • zij begrijpen
  10. večeřet





    večeřím
    večeříš
    večeří
    večeříme
    dineren

    • ik dineer
    • jij dineert
    • hij/zij dineert
    • wij dineren
    • jullie dineren
    • zij dineren
  11. vařit





    vařím
    vaříš
    vaří
    vaříme
    koken

    • ik kook
    • jij kookt
    • hij/zij kookt
    • wij koken
    • jullie koken
    • zij koken
  12. uklizet





    uklizím
    uklizíš
    uklizí
    uklizíme
    opruimen

    • ik ruim op
    • jij ruimt op
    • hij/zij ruimt op
    • wij ruimen op
    • jullie ruimen op
    • zij ruimen op
  13. spát





    spím
    spíš
    spí
    spíme
    slapen

    • ik slaap
    • jij slaapt 
    • hij/zij slaapt
    • wij slapen
    • jullie slapen
    • zij slapen
  14. jíst





    jím
    jíš

    jíme
    eten

    • ik eet
    • jij eet
    • hij/zij eet
    • wij eten
    • jullie eten
    • zij eten
  15. stát





    stojím
    stojíš
    stojí
    stojíme
    staan

    • ik sta
    • jij staat
    • hij/zij staat
    • wij staan
    • julllie staan
    • zij staan
  16. vědět





    vím
    víš

    víme
    weten

    • ik weet
    • jij weet
    • hij/zij weet
    • wij weten
    • jullie weten
    • zij weten
  17. pracovat





    pracuju
    pracuješ
    pracuje
    pracujeme
    werken

    • ik werk
    • jij werkt
    • hij/zij werkt
    • wij werken
    • jullie werken
    • zij werken
  18. nakupovat





    nakupuju
    nakupuješ
    nakupuje
    nakupujeme
    kopen

    • ik koop
    • jij koopt
    • hij/zij koopt
    • wij kopen
    • jullie kopen
    • zij kopen
  19. tancovat





    tancuju
    tancuješ
    tancuje
    tancujeme
    dansen

    • ik dans
    • jij danst
    • hij/zij danst
    • wij dansen
    • zij dansen
  20. cestovat





    cestuju
    cestuješ
    cestuje
    cestujeme
    reizen

    • ik reis
    • jij reist
    • hij/zij reist
    • wij reizen
    • jullie reizen
    • zij reizen
  21. lyžovat





    lyžuju
    lyžuješ
    lyžuje
    lyžujeme
    skieën

    • ik ski
    • jij skiet
    • hij/zij skiet
    • wij skieën
    • jullie skieën
    • zij skieën
  22. malovat





    maluju
    maluješ
    maluje
    malujeme
    verfen

    • ik verf
    • jij verft
    • hij/zij verft
    • wij verfen
    • jullie verfen
    • zij verfen
  23. sportovat





    sportuju
    sportuješ
    sportuje
    sportujeme
    sporten

    • ik sport
    • jij sport
    • hij/zij sport
    • wij sporten
    • jullie sporten
    • zij sporten
  24. telefonavat





    telefonuju
    telefonuješ
    telefonuje
    telefonujeme
    bellen

    • ik bel
    • jij belt
    • hij/zij belt
    • wij bellen
    • jullie bellen
    • zij bellen
  25. chtít





    chci
    chceš
    chce
    chceme
    willen

    • ik wil
    • jij wilt
    • hij/zij wilt
    • wij willen
    • jullie willen
    • zij willen
  26. číst





    čtu
    čteš
    čte
    čteme
    lezen

    • ik lees
    • jij leest
    • hij/zij leest
    • wij lezen 
    • jullie lezen
    • zij lezen
  27. psát





    píšu
    píšeš
    píše
    píšeme
    schrijven

    • ik schrijf
    • jij schrijft
    • hij/zij schrijft
    • wij schrijven
    • jullien schrijven
    • zij schrijven
  28. plavat





    plavu
    plaveš
    plave
    plaveme
    zwemmen

    • ik zwem
    • jij zwemt
    • hij/zij zwemt
    • wir zwemmen
    • jullie zwemmen
    • zij zwemmen
  29. hrát





    hraju
    hraješ
    hraje
    hrajeme
    spelen

    • ik speel
    • jij speelt
    • hij/zij speelt
    • wij spelen
    • jullie spelen
    • zij spelen
  30. pít





    piju
    piješ
    pije
    pijeme
    drinken

    • ik drink
    • jij drinkt
    • hij/zij drinkt
    • wij drinken
    • jullie drinken
    • zij drinken
  31. jet





    jedu
    jedeš
    jede
    jedeme
    gaan

    • ik ga
    • jij gaat
    • hij/zij gaat
    • wij gaan
    • jullie gaan
    • zij gaan
  32. jít





    jdu
    jdeš
    jde
    jdeme
    gaan (lopen)

    • ik loop
    • jij loopt
    • hij/zij loopt
    • wij lopen
    • jullie lopen
    • zij lopen

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview