Belangrijke zinnen en woorden

Home > Preview

The flashcards below were created by user gosebi on FreezingBlue Flashcards.


  1. Kann ich zum WC gehen?
    Mag ik naar de WC gaan?
  2. mogen
    dürfen, können
  3. Wo willst du hin gehen?
    Waar wil je naartoe gaan?
  4. Ist das nötig?
    Moet dat?
  5. Ist das möglich?
    Kan dat?
  6. ja, das ist möglich
    Ja, dat kan
  7. nein, dass ist nicht möglich
    Nee, dat kan niet
  8. Ist das erlaubt?
    Mag dat?
  9. before
    voordat
  10. after
    nadat
  11. as soon as
    zodra
  12. while
    terwijl
  13. when
    als
  14. when
    wanneer
  15. if
    als
  16. when
    wanneer
  17. if
    indien
  18. waiter, may i ask you a question?
    ober, mag ik u een vraag stellen?
  19. Yes, of course
    Ja hoor, natuurlijk
  20. Das kommt durch die Geschichte
    Dat komt door de geschiedenis
  21. Every Dutchman knows these dishes
    Iederen Nederlander kent deze gerechten
  22. Because we are not Dutch
    Want wij zijn geen Nederlanders
  23. Or can you recommend something
    Of kunt u ons iets aanbeleven
  24. I'll show you
    Ik laat jullie het zien
  25. This menu is completly vegetarian
    Dit menu is helemaal vegetarisch
  26. What did you want to say?
    Wat wilde je zeggen?
  27. What was that?
    Wat was dat?
  28. Es ist schönes Wetter, daher sitzen sie draussen
    Het is mooi weer, dus ze zitten buiten
  29. I dont know
    Dat weet ik niet
  30. I promise to call Martin tomorrow
    Ik beloof Martin vandaag nog te bellen
  31. That evening Lars calls Martin
    Die avond belt Lars met Martin
  32. My teacher was really pretty
    Mijn docent was heel erg knap
  33. Ich finde meinen Nachbarn nett
    Ik vind mijn buurman aardig
  34. I find het difficult to do
    Ik vind het moeilijk om te doen
  35. Herausforderung
    uitdaging
  36. She is making tea
    Ze is thee aan het maken
  37. He was watching TV als ich nach Hause kam
    Hij was TV aan het kijken toen ik thuiskwam
  38. She was sleeping when I called
    Ze was aan het slapen toen ik belde
  39. to change
    veranderen
  40. I saw my friend at the market yesterday
    Ik zag mijn vriend gisteren op de markt
  41. I watch that movie every year
    Ik kijk die film ieder jaar
  42. What a difficult word!
    Wat een moeilijk woord!
  43. EU citizens can live and work in any other EU country
    EU burgers kunnen in elk ander EU land wonen en werken
  44. It is not that easy
    Is het niet zo makkelijk
  45. Was it difficult or easy?
    Was het moeilijk of makkelijk?
  46. heute
    heden, vandaag
  47. sinken, abfallen
    dalen
  48. nur, bloss
    slechts
  49. böse, schlimm, schlecht
    kwad
  50. nur, bloss, lediglich
    slechts
  51. schon wieder
    alweer
  52. Ich wasche mich
    Ik was me
  53. Ihr kennt euch schon sehr lange
    Jullie kennen elkaar al heel lang
  54. heute morgen
    vanmorgen
  55. verheugen
    freuen
  56. langweilen
    vervelen
  57. neidisch
    jaloers
  58. Ich traue mich nicht, das zu fragen
    Ik durf me het niet te vragen
  59. Er will sich bewerben
    Hij wil zich solliciteren
  60. Sie fragt sich, ob das gut ist
    Zij vraagt zich af of dat zo goed is
  61. oder, ob
    of
  62. Entschuldigung, ich habe mich geirrt
    Sorry, ik heb me vergist
  63. mögen, dürfen
    mogen
  64. wagen, trauen
    durven
  65. Die ist ein Tag den ich niemals vergessen soll
    Die is een dag die ik nooit zal vergeten

Card Set Information

Author:
gosebi
ID:
335540
Filename:
Belangrijke zinnen en woorden
Updated:
2017-10-30 09:03:44
Tags:
NL
Folders:

Description:
dutch
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview