a.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
472
Filename:
a.txt
Updated:
2009-10-24 03:20:09
Tags:
Nederlandse \'a\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. aanbevelen
    to recommend
  2. aanbeveling; de
    recommendation
  3. aanbieden
    to offer
  4. aanbieding; de
    offer
  5. aandacht
    attention
  6. aandachtig
    attentive
  7. aangaan
    concern; enter into
  8. aangenaam
    pleasant; pleased to meet you
  9. aangeven
    to hand; indicate
  10. aangezien
    since; seeing that
  11. aanhangselvraag; de
    tag question
  12. aanhouden
    arrest; keep on (coat); continue
  13. aanhoudende regen
    persistent rain
  14. aankijken
    to look at
  15. aankleden zich
    to get dressed
  16. aankomen
    arrive; put on weight
  17. aankomst; de
    arrival
  18. aanleg; de
    natural ability; talent
  19. aanleggen
    to construct (roads); manage
  20. aannaaien
    to sew on
  21. aannemen
    to accept; assume; answer (the phone)
  22. aanpakken
    to take; set about; deal with
  23. aanplakbiljet; het
    poster
  24. aanraden
    to advise; recommend
  25. aanraken
    to touch
  26. aanslag; de
    assault
  27. aansluiten
    to connect; queue up
  28. aansprakelijk
    liable; responsible
  29. aanspreken
    to address
  30. aanstaande
    coming (aanstaande vrijdag)
  31. aansteken
    to light (cigar;lamp); infect
  32. aansteker; de
    lighter
  33. aantekenen
    to make a note of; comment
  34. aantrekkelijk
    attractive
  35. aantrekken
    to attract; put on (clothes)
  36. aanvaarden
    to accept
  37. aanval; de
    attack; fit
  38. aanvallen
    to attack
  39. aanwezig
    present/here
  40. aanwezigheid; de
    presence
  41. aanwijzen
    to indicate; point out
  42. aanwijzing; de
    indication; clue
  43. aanzetten
    prompt; turn on
  44. aanzitten
    to sit (at table)
  45. aap; de
    ape; monkey
  46. aardappel; de
    potato
  47. aard; de
    nature; character
  48. aarde; de
    earth; soil
  49. aardig
    nice; pretty
  50. aarzelen
    to hesitate
  51. aarzelend
    hesitant
  52. abattoir; het
    slaughter-house
  53. abonnement; het
    subscription (op-to)
  54. abonneren zich
    to subscribe to
  55. absoluut
    absolute(ly)
  56. academie; de
    university
  57. academisch
    academic(al)
  58. accepteren
    to accept
  59. accountant; de
    accountant
  60. ach
    oh; ah
  61. achten
    to esteem; respect
  62. achter
    behind
  63. achterblijven
    to stay behind
  64. achtereind; het
    rear-end
  65. achterelkaar
    one after the other
  66. achteroverleunen
    to lean back
  67. achterste
    hindmost
  68. achterste; het
    backside
  69. achterstevoren
    back to front
  70. achtertuin; de
    back garden
  71. acrobaat; de
    acrobat
  72. acte; de
    act (of play); deed
  73. acteren
    to act
  74. acteur; de
    actor
  75. actrice; de
    actress
  76. adder; de
    adder; viper
  77. adres; het
    address
  78. advertentie; de
    ad
  79. advies; het
    advice
  80. adviseren
    to advise; recommend
  81. af
    off; down
  82. afbeelden
    to depict; represent
  83. afbeelding; de
    picture; image
  84. afblijven
    to keep (one's hands) off
  85. afbranden
    burn down
  86. afbreken
    to break off
  87. afdeling; de
    department
  88. afdrogen
    to dry; wipe
  89. affiche; het
    poster; play-bill
  90. afgelopen
    finished; last/past
  91. afgeven
    hand over; deliver
  92. afgrijselijk
    horrific; hideous
  93. afhalen
    to collect; take away
  94. afhangen (van)
    depend (on)
  95. afkorting; de
    abbreviation
  96. afleggen
    to cover (a distance)
  97. afleveren
    to deliver (goods)
  98. aflopen
    (come to an) end
  99. aflossen
    to pay off
  100. afmaken
    to finish; complete
  101. afscheid; het
    parting; leave
  102. afschrikken
    to frighten away
  103. afschuwelijk
    horrible; disgusting
  104. afslaan
    to decline; cut out
  105. afslanken
    to slim
  106. afsluiten
    to lock; cut off
  107. afspelen
    to play (a record)
  108. afspraak; de
    appointment
  109. afspreken
    to agree upon; arrange
  110. afstappen
    to step off
  111. afwas; de
    washing-up
  112. afwassen
    to wash up
  113. afwezig
    absent
  114. afwezigheid; de
    absence
  115. afwijzen
    to decline; reject
  116. agent; de
    policeman
  117. agressie
    aggression
  118. al
    already; yet
  119. al(le)
    all; every
  120. alfabet; het
    alphabet
  121. algemeen
    general; universal
  122. allebei
    both
  123. alleen
    alone; only
  124. allergisch
    allergic
  125. allerlei
    all sorts
  126. alles
    all; everything
  127. als
    as; like; when; if
  128. alsjeblieft
    please; here you are
  129. alsof
    as if
  130. alstublieft
    please; here you are
  131. altijd
    always
  132. ambassade; de
    embassy
  133. ambassadeur; de
    ambassador
  134. ambassadrice; de
    ambassadress
  135. ambtenaar; de
    civil servant
  136. ammoniak; de
    ammonia
  137. analfabeet
    illiterate
  138. ander
    other
  139. anderhalf
    one and a half
  140. anders
    otherwise; else; differently
  141. angst; de
    fear
  142. angstig
    afraid
  143. anijs
    anise
  144. antwoord; het
    answer
  145. antwoorden
    to answer
  146. aperitief; het
    aperitif
  147. apostel; de
    apostle
  148. apotheek; de
    pharmacy
  149. apotheker; de
    chemist
  150. apparaat; het
    apparatus
  151. appartement; het
    flat
  152. appel; de
    apple
  153. appel; het
    appeal; roll-call
  154. appelflap; de
    apple turnover
  155. appelmoes; de
    apple sauce
  156. april
    April
  157. arbeid; de
    labour
  158. arbeider; de
    worker
  159. archief; het
    archive
  160. aristocraat; de
    aristocrat
  161. arm
    poor
  162. armband; de
    bracelet
  163. armenhuis; de
    poorhouse
  164. arrest; het
    arrest
  165. arrestatie; de
    arrest
  166. arresteren
    to arrest
  167. arsenaal; het
    arsenal
  168. artiest; de
    artist
  169. artikel; het
    article
  170. arts; de
    doctor
  171. as; de
    ash
  172. asbak; de
    ashtray
  173. asperge; de
    asparagus
  174. atheist; de
    atheist
  175. atoom; het
    atom
  176. attentie; de
    attention
  177. augustus
    August
  178. auto; de
    car
  179. automobilist; de
    motorist
  180. avond; de
    evening; night
  181. avondeten; het
    supper
  182. avontuur; het
    adventure
  183. aanzien; de
    respect
  184. aanvankelijk
    initially

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview