o.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
487
Filename:
o.txt
Updated:
2009-10-24 03:27:01
Tags:
Nederlandse \'o\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. o.a
    onder andere among other things
  2. ober; de
    waiter
  3. ochtend; de
    morning
  4. oefening; de
    exercise; practice
  5. of
    or; if;whether
  6. officieel
    official
  7. officier; de
    officer
  8. officieus
    unofficial; semi-official
  9. ogenblik; het
    moment
  10. oksel; de
    armpit
  11. olie; de
    oil
  12. oli(e")n
    lubricate
  13. olifant; de
    elephant
  14. olijf; de
    olive
  15. o.m
    onder meer among other things
  16. om
    round; about; at; for
  17. oma; de
    nanna
  18. omdat
    because
  19. omdraaien
    to turn around
  20. omgaan
    to go round
  21. omgang; de
    intercourse; association
  22. omgangstaal; de
    everyday speech
  23. omgekeerd
    upside; down; reverse
  24. omgeving; de
    surroundings
  25. omhoog
    up(wards); aloft
  26. omkeren
    to turn (over)
  27. omstandigheid; de
    circumstance
  28. omstreeks
    about; around
  29. omstreken; de
    neighbourhood; environs
  30. omvallen
    to fall over
  31. omweg; de
    roundabout way
  32. onbekend
    unknown
  33. onbelangrijk
    unimportant
  34. onbeleefd
    impolite
  35. onbetaalbaar
    unaffordable; priceless
  36. onbewoond
    uninhabited
  37. onbewust
    unconsious; unaware
  38. ondanks
    in spite of
  39. onder
    under; beneath; amidst; among
  40. onderbreken
    to interrupt
  41. onderbroek; de
    underpants
  42. ondergaan
    to undergo
  43. ondergetekende; de
    the undersigned
  44. ondergoed; het
    underwear
  45. ondergronds; de
    underground
  46. onderjurk; de
    petticoat
  47. ondersteboven
    upside down
  48. onderwerp; het
    subject
  49. onderwerpen
    to subject; subdue
  50. onderwijs; het
    education; schooling
  51. onderwijzen
    to teach
  52. onderwijzer; de
    teacher
  53. onderzoeken
    to examine; investigate
  54. oneerlijk
    dishonest; unfair
  55. ongeduld; het
    impatience
  56. ongeduldig
    impatient
  57. ongehoorzaam
    disobedient
  58. ongekleed
    undressed
  59. ongelijk
    unequal
  60. ongelofelijk
    unbelievable
  61. ongeluk; het
    unhappiness; misfortune; accident
  62. ongelukkig
    unhappy; unlucky
  63. ongeschonden
    undamaged; intact
  64. ongeveer
    about; approximately
  65. ongevraagd
    unasked
  66. ongezellig
    unsociable
  67. ongezond
    unhealthy
  68. onmiddellijk
    immediate(ly)
  69. onmogelijk
    impossible
  70. onnatuurlijk
    unnatural
  71. onregelmatig
    irregular
  72. onroerend
    immovable
  73. onroerend goed
    real estate
  74. onschuld; de
    innocence
  75. onschuldig
    innocent
  76. ontbijt; het
    breakfast
  77. ontdekken
    to discover
  78. ontdekking; de
    discovery
  79. ontmoeten
    to meet
  80. ontroeren
    to move; affect
  81. ontroerend
    moving; touching
  82. ontrouw
    unfaithful
  83. ontrouw; de
    unfaithfulness
  84. ontslaan
    to dismiss; fire
  85. ontslag; het
    dismissal; resignation
  86. ontsnappen
    to escape
  87. ontstaan
    to arise; come into being
  88. ontstaan; het
    origin; genesis
  89. ontvangen
    to receive
  90. ontwaken
    to wake up
  91. ontwikkelen
    to develop; evolve
  92. ontwikkeling; de
    development
  93. ontwikkelingshulp; de
    development aid
  94. ontzettend
    terrible; appalling
  95. onverwacht
    unexpected(ly)
  96. onweer; het
    thunderstorm
  97. onweersbui; de
    thunder shower
  98. onweren
    to thunder
  99. onzeker
    uncertain
  100. onzin; de
    nonsense
  101. oog; het
    eye
  102. ooievaar; de
    stork
  103. ooit
    ever; at one time
  104. ook
    also; too; as well
  105. oom; de
    uncle
  106. oor; het
    ear
  107. oorbel; de
    earring
  108. oordeel; het
    judgement; verdict
  109. oordelen
    to judge
  110. oorlog; de
    war
  111. oorsprong; de
    origin
  112. oorspronkelijk
    originally
  113. oorverdovend
    deafening
  114. oorzaak; de
    cause
  115. oost
    east
  116. oosten; het
    east
  117. oostenwind; de
    east wind
  118. oosterling; de
    oriental
  119. op
    on; upon; up; at; finished
  120. opa; de
    granddad
  121. opbellen
    to ring up
  122. opbergen
    to store
  123. opblijven
    to stay up
  124. opdracht; de
    assignment; task
  125. opdragen
    to charge; commission
  126. opeens
    all at once; suddenly
  127. open
    open
  128. openbaar
    public
  129. openbaren
    to reveal; disclose
  130. openbaring; de
    revelation
  131. opendoen
    to open
  132. openen
    to open
  133. opener; de
    opener
  134. openlucht; de
    open air
  135. opera; de
    opera
  136. opeten
    to eat up
  137. opgaan
    to go up; run out
  138. opgang; de
    rise; success
  139. opgeven
    to give up
  140. opgewonden
    excited
  141. ophalen
    to draw up; shrug
  142. ophangen
    to hang up
  143. opheffen
    to lift; raise; abolish
  144. opheldering; de
    clarification
  145. ophouden
    to hold up; keep up
  146. opinie; de
    opinion
  147. opiniepeiling; de
    opinion poll
  148. opklaren
    to clear up
  149. opklaring; de
    bright period
  150. opkomen
    to come up; rise
  151. oplage; de
    impression; circulation
  152. opleiding; de
    education; training
  153. opletten
    to pay attention
  154. oplossen
    to dissolve; solve
  155. oplossing; de
    solution
  156. opluchten
    to relieve
  157. opluchting; de
    relief
  158. opmerken
    to notice; remark
  159. opmerking; de
    observation; remark
  160. opname; de
    recording
  161. opnemen
    to take up; pick up; record
  162. oppakken
    to pick up
  163. oppas; de
    babysitter
  164. oppassen
    to take care of
  165. oppompen
    to pump up
  166. oprecht
    sincere; upright
  167. oprechtheid; de
    sincerity; candour
  168. oprichten
    to set up; erect
  169. opruimen
    to clean
  170. opruiming; de
    clearance sale
  171. opschieten
    to hurry up
  172. opsnuiven
    to sniff up
  173. opstaan
    to get up; rise
  174. opstand; de
    rising; revolt
  175. opstappen
    to mount; get on
  176. opstijgen
    to rise; take off
  177. opvegen
    to sweep up
  178. opvoeden
    to educate; rear
  179. opvoeren
    to bring on the stage; perform
  180. opvoering; de
    performance
  181. opwinden
    to excite
  182. opzetten
    to set up; to turn on
  183. opzien
    to look up
  184. opzij
    aside
  185. opzoeken
    to lookup (dictionary)
  186. oranje
    orange; amber
  187. order; de
    order
  188. organisch
    organic
  189. orgel; het
    (music) organ
  190. origineel
    original
  191. orkaan; de
    hurricane
  192. orkest; het
    orchestra; band
  193. oud
    old
  194. oudbakken
    stale
  195. oudejaarsavond; de
    new year's eve
  196. ouder; de
    parent
  197. ouderdom; de
    old age
  198. ouderloos
    parentless; orphaned
  199. ouderwets
    old-fashioned
  200. oven; de
    oven
  201. over
    across; over; about; on
  202. overal
    everywhere
  203. overblijven
    to be left over; remain
  204. overdrijven
    to exaggerate
  205. overhemd; het
    shirt
  206. overig
    remaining
  207. overigens
    for the rest
  208. overleven
    to outlive
  209. overlijden
    to die
  210. overmorgen
    day after tomorrow
  211. overslaan
    to skip; pass over
  212. overstappen
    to step over; change (trains)
  213. oversteken
    to cross (over)
  214. overtreffen
    to surpass
  215. overtuigen
    to convince
  216. overtuiging; de
    conviction
  217. overweg; de
    level crossing
  218. overwerken
    to work overtime
  219. overwinnen
    to conquer
  220. overwinning; de
    victory

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview