Taal Vital Vokabeln Lektion 4

Card Set Information

Author:
Tlaloc
ID:
49392
Filename:
Taal Vital Vokabeln Lektion 4
Updated:
2010-11-20 09:02:05
Tags:
dutch vocabulary
Folders:

Description:
Taal Vitaal Lektion 4 Vokabeln
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Tlaloc on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Ü (L4)
    hoeveel?
    wie viel?
  2. duizend
    Tausend
  3. miljoen
    Million
  4. 2 (L4)
    het cifer (n)
    Ziffer (f)
  5. lesen
    • lezen*
    • ik lees
    • jij leest
    • hij leest
    • wij lezen
    • jullie lezen
    • zij lezen
  6. schreiben
    • schrijven*
    • ik schrijft
    • jij schrijft
    • hij schrijft
    • wij schrijven
    • jullie schrijven
    • zij schrijven
  7. 3 (L4)
    Quiz (m)
    de quiz
  8. Provinz (f)
    de provincie
  9. Einwohner (m)
    de inwoner
  10. brechen
    breken*
  11. während
    tijdens
  12. Skiurlaub (m)
    de wintersportvakantie
  13. Alpen (f)
    Alpen
  14. Bein (n)
    het been
  15. 4 (L4)
    denken
    denken
  16. glauben
    geloof (geloven)
  17. wissen
    weet (weten*)
  18. 5 (L4)
    Richtig oder falsch?
    Waar of niet waar?
  19. Fahrkarte (f)
    het kaartje
  20. Baby (n)
    het baby
  21. Hut (m)
    de hoed
  22. 6 (L4)
    Nehmen Sie es mir nicht übel.
    Neemt u me niet kwalejk.
  23. Recht haben-
    gelijk hebben*
  24. eigentlich
    eigentlijk
  25. Amerika
    Amerika
  26. seit
    sinds
  27. Wow, Sie sprechen aber gut Niederländisch!
    Goh, wat spreekt u goed Nederlands!
  28. Tochter (f), Töchterchen (f)
    het dochtertje
  29. reisen
    reist (reizen)
  30. erst
    eerst
  31. Schaffner (m)
    de conducteur
  32. Fahrausweis (m)
    het plaatsbewijs
  33. bitte schön
    alstublieft
  34. 7 (L4)
    Stammbaum (m)
    de stamboom
  35. Familie (f)
    het gezin
  36. Hund (m)
    de hond
  37. Katze (f)
    de kat
  38. Haustier (n)
    het huisdier
  39. 10 (L4)
    formuleer (formuleren)
    formulieren Sie
  40. Art (f)
    de manier
  41. tatsächlich
    inderdaad
  42. Katze (f)
    de poes
  43. 11 (L4)
    Minute (f)
    de minuut
  44. Sekunde (f)
    de seconde
  45. Uhr (f)
    het uur
  46. Woche (f)
    de week
  47. Tag (m)
    de dag
  48. halb
    half
  49. Viertelstunde (f)
    het kwartier
  50. Monat (m)
    de maand
  51. Jahrhundert (n)
    de eeuw
  52. Jahr (n)
    het jaar
  53. 12 (L4)
    Wie spät ist es?
    Hoe laat is het?
  54. Viertel (n)
    het kwart
  55. nach
    over
  56. vor
    voor
  57. fast
    bijna
  58. morgens
    's ochtends
  59. morgens
    's morgens
  60. nachmittags
    's middags
  61. abends
    's avonds
  62. nachts
    's nachts
  63. heute Morgen
    vanmorgen
  64. heute Mittag
    vanmiddag
  65. heute Abend
    vanavond
  66. heute Nacht
    vannacht
  67. Montag
    maandag
  68. Dienstag
    dinsdag
  69. Mittwoch
    woensdag
  70. Donnerstag
    donderdag
  71. Freitag
    vrijdag
  72. Samstag
    zaterdag
  73. Sonntag
    zondag
  74. Wochenende
    het weekend
  75. 13 (L4)
    beginnen, anfangen
    begint (beginnen*)
  76. Film (m)
    de film
  77. also
    dus
  78. etwas
    iets
  79. (hier:) der
    die
  80. dauern
    duurt (duren)
  81. genau
    precies
  82. anderthalb
    anderhalf
  83. 14 (L4)
    geöffnet
    geopend
  84. Amsterdamer Tierpark
    Artis
  85. Museum (n)
    het museum
  86. Gracht (f), Kanal (m)
    het gracht
  87. Rundfahrt (f)
    de rondvaart
  88. täglich
    dagelijks
  89. N-a (L4)
    Statistik (f)
    de statistiek
  90. zwischen
    tussen
  91. Job (m), Arbeitsstelle (f)
    de baan
  92. pro Woche
    per week
  93. mehr
    meer
  94. gegenüber
    tegenover
  95. europäisch
    Europees
  96. höchst
    hoogst
  97. niedrigst
    laagst
  98. Ganztagsstelle (f)
    de volledige baan
  99. liegen
    ligt (liggen*)
  100. rund
    rond
  101. Teilzeit (f)
    part-time
  102. ungefähr
    ongeveer
  103. Quelle (f)
    de bron
  104. Fahrradfanatiker (m)
    de fietsfanaat
  105. Fahrrad (n)
    de fiets
  106. wurden verkauft
    • werden verkocht
    • (worden*, verkopen*)
  107. einnehmen
    behalen
  108. damit
    daarmee
  109. fünfte
    vijfde
  110. oben
    bovenaan
  111. insgesamt
    een totaal van
  112. Anzahl (f)
    het aantal
  113. Marktforschung (f)
    het marktonderzoek
  114. Schätzung
    de raming

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview