Taal Vital Vokabeln Lektion 3

Card Set Information

Author:
Tlaloc
ID:
49462
Filename:
Taal Vital Vokabeln Lektion 3
Updated:
2010-11-20 09:01:36
Tags:
dutch vocabulary
Folders:

Description:
Taal Vitaal Lektion 3 Vokabeln
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Tlaloc on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. 1
    Wie ist sie?
    Hoe is ze?
  2. Charaktereigenschaft (f)
    de karaktereigenschap
  3. Beschreibung (f)
    de beschrijving
  4. passen
    past (passen)
  5. unordentlich
    slordig
  6. lebhaft (adj)
    druk
  7. sportlich (adj)
    sportief
  8. romantisch
    romantisch
  9. pessimistisch
    pessimistisch
  10. lustig
    grappig
  11. 2
    sehr
    erg
  12. 3
    meiner Meinung nach
    volgens mij
  13. tun, (hier:) machen
    doe (doen*)
  14. Persönlichkeitstest (m)
    de persoonlijkheidstest
  15. Typ (m)
    het type
  16. ruhig, zurückhaltend
    stil
  17. ordentlich
    netjes
  18. ernst(haft)
    serieus
  19. optimistisch
    optimistisch
  20. realistisch
    realistisch
  21. sensibel
    gevoelig
  22. 4
    Wort (n)
    het woord
  23. ein bisschen
    een beetje
  24. ganz (schön)
    heel (erg)
  25. überhaupt nicht
    helemaal niet
  26. 5
    so ziemlich
    best wel
  27. 6
    dann
    dan
  28. beide
    allebei
  29. 7
    beschreiben
    beschrijven
  30. blond
    blond
  31. Mädchen (n)
    het meisje
  32. Kopiergerät (n)
    het kopieerapparaat
  33. neben
    naast
  34. schlank
    slank
  35. klein
    klein
  36. Ort (m), Örtchen (m)
    het plaatsje (de plaats)
  37. schauen, sehen
    kijkt (kijken*)
  38. nett
    aardig
  39. tja
    tja
  40. jede(r)
    iedereen
  41. wie
    zoals
  42. 8
    beantworten
    beantwoord (beantwoorden)
  43. Aussehen (n)
    het uiterlijk
  44. sieht...aus (sehen)
    ziet... eruit (zien*)
  45. gross
    groot
  46. Kind (n)
    het kind
  47. 9
    brainstormen
    brainstormen
  48. verwenden
    gebruikt (gebruiken)
  49. gemütlich
    gezellig
  50. höflich
    beleefd
  51. lieb
    lief
  52. 10
    Vater (m)
    de vader
  53. Bruder (m)
    de broer
  54. Sohn (m)
    de zoon
  55. Onkel (m)
    de oom
  56. Neffe (m), Vetter (m)
    de neef
  57. Opa (m)
    de opa
  58. Schwager (m)
    de zwager
  59. Mutter (f)
    de moeder
  60. Schwester (f)
    de zus
  61. Tante (f)
    de tante
  62. Nicht (f), Cousine (f)
    de nicht
  63. Schwägerin (f)
    de schoonzus
  64. 11
    über
    over
  65. ihren
    hun
  66. beste(r)
    beste
  67. Information (f)
    de informatie
  68. Beziehung (f)
    de relatie
  69. 12
    Klassenkamerad (m)
    de klasgenoot
  70. Nachbarin (f)
    de buurvrouw
  71. mein(e)
    mijn
  72. (Ehe-) Frau
    de vrouw
  73. 13
    wissen
    weten*
  74. etwas erfahren
    te weten komen*
  75. 14
    Partner (m)
    de partner
  76. fehlend
    ontbrekend
  77. Seite (f)
    de pagina
  78. alle
    allemaal
  79. Amsterdamer Flughafen
    Schiphol
  80. arbeiten
    werken
  81. Vorname (m)
    de voornaam
  82. Herkunft (f)
    de kerkomst
  83. Eigenschaft (f)
    de eigenschap
  84. 15
    nach diesem Schema
    volgens dit schem
  85. paar
    het paar
  86. 16
    das Aussehen beschreiben
    het uiterlijk beschrijven*
  87. blau
    blauw
  88. Auge (n)
    het oog
  89. dunkel
    donker
  90. lang
    lang
  91. Schnurrbart (m)
    de snor
  92. braun
    bruin
  93. attraktiv
    attractief
  94. Bart (m)
    de baard
  95. tragen
    draagt (dragen*)
  96. Brille (f)
    de bril
  97. kurz
    kort
  98. schön
    mooi
  99. kahl
    kaal
  100. dick
    dik
  101. hübsch
    knap
  102. 17
    dabei
    erbij
  103. 18
    Meine Schwestern?
    Mijn zussen?
  104. Ich finde sie sehr schön.
    Ik find ze erg knap.
  105. Zwillinge
    de tweeling
  106. Unterschied (m)
    het verschil
  107. Wie ich aussehe?
    Hoe ik eruit zie?
  108. auffalllen
    valt op (opvallen*)
  109. Größe (f), Statur (f)
    de lengte
  110. stehen
    staat (staan*)
  111. 19
    zeichnen
    teken (tekenen)
  112. suchen
    zoek (zoeken*)
  113. Buch (n)
    het boek
  114. Abbildung (f)
    het plaatje
  115. vergleichen
    vergelijk (vergelijken*)
  116. Resultat (n)
    het resultaat
  117. N-a
    liebe Grüsse
    liefs
  118. Hilfe (f)
    de hulp
  119. Tausenden
    duizenden
  120. enorm
    enorm
  121. helfen
    geholpen (helpen*)
  122. vergangen
    afgelopen
  123. Zeit(raum) (m)
    de tijd
  124. werden
    zal (zullen*)
  125. nie
    nooit
  126. vergessen
    vergeten*
  127. liebst
    liefst
  128. Mama (f)
    de mama
  129. danke
    bedankt
  130. Freundschaft (f)
    de vriendschap
  131. viel
    veel
  132. bedeuten
    betekend (betekenen)
  133. Unterstützung
    de steun
  134. Nachbar (m)
    de buur
  135. Gemütlichkeit (f)
    de gezelligheid
  136. verrückt
    gek
  137. allerliebst
    allerliefst
  138. allerschönst
    mooist
  139. gemütlichst
    gezelligst
  140. die es gibt
    die er bestaat (bestaan*)
  141. Küsschen (n)
    het kusje (de kus)
  142. fein
    fijn
  143. so ein(e)
    zo'n
  144. Schwester(chen) (n)
    het zusje (de zus)
  145. bleiben
    blijf (blijven*)
  146. S
    verheiratet (heiraten)
    getrouwd (trouwen)
  147. Rasse (f)
    het ras
  148. falsch, bösartig
    vals

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview