vocabulaire 4_1

Card Set Information

Author:
erre
ID:
74264
Filename:
vocabulaire 4_1
Updated:
2011-03-29 15:01:21
Tags:
Dutch Nederlands Netherland holandes
Folders:

Description:
Vocabulaire Nederlands op niveau thema 4
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user erre on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. de bekeuring
    la multa

    Alleen de politie mag bekeuringen geven voor overtredingen. Je moet dan een bepaald bedrag betalen.

    Als je te snel rijdt, ga je een bekeuring krijgen.
  2. overgeven (zich)
    entregarse

    Na een lange strijd gaven de soldaten zich over. Her verlies was duidelijk.

    De soltaden hebben zich na een lange strijd overgegeven.
  3. zich schamen
    avergonzarse

    Ik schaam me dood want ze hoorde dat ik over haar roddelde.

    Jij bent klein, daar hoef je je niet voor te schamen.
  4. schuldig
    culpable

    Als je als automobilist een fietse raanrijdt, ben je in principe altijd schuldig, bijvoorbeeld ook als die fietser zonder licht rijdt, of op de verkeerde weghelft.

    Ik voel me zo schuldig dat ik je niet geholpen heb.
  5. stelen
    robar

    Mijn scooter is gestolen tussen half acht en half tien. Toen ik na mijn werk buitenkwam, was hij weg.

    Waar is mijn fiets? hij is gestolen.
  6. verdenken (van)
    Sospechar

    Ik verdenk die fietsenmaker ervan dat hij de banden expres niet goed plakt, zodat je na een week weer een lekke band hebt. Je kunt zoiets natuurlijk moeilijk bewijzen.

    De politie verdacht de vrouw van moord op haar man.
  7. vloeken
    blasfemar, soltar tacos

    Toen Agnes merkte dat ze de trein had gemist, vloekte ze. Een man op het perron keek haar aan. "Wat een taal voor een jongedame!" zei hij.

    Ik begon meteen te vloeken toen ik zag dat mijn fiets was gestolen.
  8. jatten
    mangar,

    Let goed op je spullen want in deze discotheek wordt veel gejat. Vorige week ben ik mijn jas hier kwijtgeraakt.

    Let goed op jouw portemonnee, iemand kan hem jatten.
  9. het op een lopen zetten
    salir pitando

    Toen de inbreker merkte dat er iemant thuis was, rende hij de straat op en zette et op een lopen. We hebben dus niet gezien hoe hij eruitzag.

    Ik zette het op een lopen toen ik zag dat de tram kwam.
  10. peddelen
    pedalear

    We hadden de wind in de rug en zo peddelden we rustig richting Lelystad. Op die manier is fietsen aangenaam!

    Ik peddel snel naar mijn werk.
  11. de pest in hebben
    Estar de mala leche

    Mijn broer heeft de pest in want zijn baas wil zijn contract niet verlengen.

    Ik heb er de pest in omdat mijn fiets is gestolen.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview