Vocabulaire 4_2

Card Set Information

Author:
erre
ID:
75611
Filename:
Vocabulaire 4_2
Updated:
2011-03-29 16:19:35
Tags:
Nederlands op Niveau
Folders:

Description:
Nederlands op Niveau Thema 4
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user erre on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. afleiden
    distraer

    Juist in deze nare periode vind ik het prettig dat ik mijn baantje nog heb. Dat leidt een beetje af van alle problemen.

    De muziek leidt mijn van mijn werk af.
  2. afmaken
    liquidar, matar, terminar

    Dat paard was zo ziek, dat de eigenaar hem heeft laten afmaken.

    Eerst ga ik mijn huiswerk afmaken en daarna ga ik naar de bioscoop.
  3. behoren
    deber (segun lo norma)

    Je behoort voorzichtig om te gaan met dingen die je geleend hebt.

    De medewerkers behoren nette kleren dragen.
  4. overkomen
    venir / pasar, suceder

    Eerst gaat Anton alleen naar Maleisië, en als hij daar een huis heeft, komt zijn gezin ook over.

    Volgende juni komt mijn moeder uit Spanje over.
  5. verwijten
    reprochar

    Er is vannacht ingebroken in ons huis. Mijn huisgenoten verwijten mij dat ik de voordeur niet op het nachtslot heb gedaan, maar zelf doen ze dat ook nooit.

    Je kan mij niets verwijten omdat ik mijn best heb gedaan.
  6. beledigen
    ofender

    Door rotdingen te zeggen over iemands land van herkomst, beledig je die persoon.

    John beledigd Paula toen hij zei dat blonde vrouwen stom zijn.
  7. bespugen
    escupir

    Ze werd zelfs bespuugd. Ze voelde zich zo vies, ze wilde zich meteen douchen.

    De man zegt tegen zijn zoon dat hij andere kinderen niet moet bespugen.
  8. iets in gang zeten
    esta sobre la mesa

    Deze ruzie tussen de twee bevolkingsgroepen heeft nog wel een voordeel: er is nu een discussie in gang gezet. Eerder hadden die groepen helemaal geen contact met elkaar.

    Na de eerste vergadering, zette de anderhandeling in gang.
  9. iemand de huid volschelden
    maldecir

    Toen Michel een dief betrapte in zijn schuurtje, schold hij hem de huid vol. Michel wist van zichzelf niet dat hij zo veel scheldwoorden, vloeken en beledigingen kende!

    Hij schold zijn buurman de huid vol omdat de buurman altijd te veel lawaai maakt.
  10. naschreeuwen
    berrear

    Op straat werd ze nageschreewd door allerlei mensen. Achter haar rug hoorde ze de vreselijkste dingen.

    De voetballer werd nageschreeuwd door de tegenstanders.
  11. de spot drijven
    bromear

    In dat tv-programma wordt de spot gedreven met politici. Die worden nagedaan met heel gekke stemmetjes een overdreven gebaren.

    Ik vind het niet netjes dat je de spot met gehandicapte drijft.
  12. verontschuldigen
    disculparse

    Allereerst wil ik me verontschuldigen voor het feit dat jullie zo lang moesten wachten. Er was iemand aan de telefoon met en dringende vraag.

    Ik wil mij voor mijn gedrag verontschuldigen, ik was niet netjes.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview