Vocabulaire_5

Card Set Information

Author:
erre
ID:
78586
Filename:
Vocabulaire_5
Updated:
2011-04-11 07:46:09
Tags:
Nederlands
Folders:

Description:
Nederlands vocabulaire
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user erre on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. aanvoelen
    intuir / tener tacto

    Dit material voelt prettig aan: het is lekker zacht.

    Voel je het altijd aan als anderen een probleem hebben?

    Sommige dingen kun je niet uitleggen ,die moet je aanvoelen.

    Ik voel het meteen aan als mijn vriend een probleem heeft.

    Ik en mijn vriend voelen elkaar goed aan.
  2. aflopen
    terminar / recorrer

    Ik heb alle winkels in de stad afgelopen, maar wat ik zocht was nergens verkrijgbaar.

    Vind je het belangrijk dat een film of een boek goed afloopt?

    Ik heb alle muziekwindels afgelopen maar die CD hadden ze niet.

    Ik heb net mijn huiswerk afgelopen.

    Toen ik op vakantie in Parijs was, liep ik alle straaten van het centrum af.

    De film is bijna afgelopen.

    Heb bloed liep hem van het gezicht af.
  3. het gemak
    la comodidad

    Een vaatwasser in huis vind ik een groot gemak.

    Als ik van hier op mijn gemak naar het estation loop, hoeveel tijd ben ik dan kwijt?

    Ik voel me daar niet op mijn gemak.

    Ik heb een afwasmichine voor mijn gemak gekocht.

    De boodschappen worden aan de deur gebracht, dat is voor mij een groot gemak.

    Ik liep op mijn gemak naar de winkel.
  4. opkomen
    salir, surgir, subir, crecer / opkomen voor = defender

    In de zomer komt de zon om ongeveer 5.00 uur op.

    Ken je organisaties die opkomen voor dieren?

    Zijn broertje en hij hebben vaak ruzie, maar als het nodig is, komen ze voor elkaar op.

    Toen de zon opkwam, waren we al een uur aan het wandelen.

    De gedachte kwam bij de man op om met zijn werk te stopen.

    Tijdens de ruzie kwam Gerda voor haar zus op.

    Toen ik studeerde, kwamen er vragen bij het lezen van de tekst op.
  5. opslaan
    almacenar, archivar

    Heb je alle wijzigingen in het computerbestand opgeslagen?

    Sla jij al je elektronische email op?

    Deze gegevens worden automatisch opgeslagen.

    De wijn werd in de kelder opgeslagen.

    Ik he b mijn laste foto's van mijn vakantie in mijn computer opgeslaan.
  6. slagen
    tener éxigo

    Het bedrijf is er afeglopen jaar niet in geslaagd om winst te boeken.

    Wanner vind je een feest geslaagd?

    We zijn geslagd om dat contracht te krijgen.

    Heb je jouw examen geslaagd?

    Die winkel is in geslagd, er zijn altijd veel klanten.

    S' avond slaagde ze er niet meer in om haar ogen open te houden.
  7. richten op
    dirigirse a/hacia

    De reclames rond 19.00 uur zijn rericht op kinderen.

    Tot wie moet ik me richten als ik een klacht heb over de huur?

    Deze kortingsactie is vooral gericht op studenten.

    Zijn ogen worden op haar gericht, ze is echt aantrekkelijk.
  8. toevoegen aan
    añadir, agregar en

    Wil iemand nog een punt aan de agenda toevoegen of zijn alle punten vermeld?

    Wat moet je toevoegen aan soep uit een pakje?

    Je hebt het verhaal volledig verteld. Daar kan ik niets aantoevroegen.

    Voeg drie eiren toe en roer het geheel goed.

    Dat gerecht smaakt niet zo goed, je moet een beetje zout eraan toevoegen.
  9. uitvinden
    inventar

    Hoeveel nieuwe dingen zouden er per jaar worden uitgevonden?

    Noem eens iets wat door een Nederlander is uitgevonden.

    Een cd in een film over jaren zestig! Onzin! toen was de CD niet uitgevonden.

    Edison heeft het elektrische licht uitgevonden.

    Heb je uitgevonden hoe laat je daar moet zijn?

    De CD is in Nederland uitgevonden.
  10. ertoe doen
    imprescindible, importante

    Op de gala-avond waren allerlei personnen die ertoe doen aanwezig, zoals de directeur van het bedrijf, de raad van commissarissen.

    Doet het ertoe voor jou wat voor muziek er gespeeld wordt in een restauant?

    Ik wil gewoon lekker een weekendje weg. Waar naartoe, het doet er niet toe voor mijn.

    Ik heb zin in een ijsje, de smaak doet er niet toe, ik vind alles lekker.
  11. lanceren
    lanzar

    de nieuwe reclamecampagne wordt volgende week gelanceerd.

    Vanaf welke plaats worden ruimtescheppen gelanceerd?

    Het nieuwe model van dit automerk is nog niet gelanceerd.

    Iederen was erg tevreden over het idee dat de minister had gelanceerd.

    De nieuwe lied van Lady Gaga word volgende week gelanceerd.
  12. voldoen (aan)
    satisfacer con

    Uw aanvraag is afgewezen, omdat hij niet aan de criteria voldoet.

    Voldoet je woning van dit moment aan al je wensen?

    Ik krijg die functie niet, want ik voldoe niet aan de criteria.

    De nieuwe medewerker voldeot niet aan de verwachtingen van de chef.
  13. aanschaffen
    comprar, adquirir

    Ik heb een poster van Escher aangeschaft, voor op mijn werkkamer. Hij was wel duur, maar hij is dan ook erg mooi!

    De school verstrekt geen atlassen. Die moeten de leerlingen zelf aanschaffen.

    Getuigde de vele positieve verhalen over deze dvd, zou ik hem maar aanschaffen.

    We hebbern een nieuwe tv aangeschaft.
  14. ontbreken
    faltar

    Richard wilde naar de kunstacadamie, maar hij is afgewezen. Het ontbrak hem aan talent, zeiden ze.

    Deze puzzel is niet compleet. Er ontbreken een paar stukjes.

    Hoewel hij op mijn bruiloft ontbrak, zijn we altijd vrienden. His is een beroemde acteur en hij heeft altijd druk.

    Ik heb alle kinderen in de bus geteld en er ontbreekt niemand.

    In de kassa van de Supermarkt: Meneer, er ontbreekt tien cents.
  15. ontwerpen
    diseñar

    Angela maakt haar eigen kleding. En dat niet alleen: ze ontwerpt zelf ook alles. Ze heft echt unieke kleding.

    Wie heeft de Erasmurbrug in Rotterdam ontwerpen?

    Hij ontwerpt de meubels van zijn huis, momenteel legt hij zich op een fantistiche slaapkamerinrichting toe.

    De Sagrada Familia in Barcelona is ontworpen door Gaudí.
  16. ophouden
    detener

    Al na twee weken hield hij op met de cursus. Hij vond het toch niet zo leuk als hij had gedacht.

    Toen ik buitenkwam, plaste de hond meteen. Hij kon het niet meer ophouden.

    Wat jammer dat je met je studie ben opgehouden!


    Wat een stom probleem! laten we erover ophouden.
  17. in de war (raken)
    confundido, trastornado, enferdado

    Ik raak in deze buurt altijd in de war. Alle straatnamen lijken op elkaar en alle straten ook. Ik rijd bijna altijd verkeerd!

    Rond kerstmis en Nieuwjaar ben ik altijd met de dagen in de war.

    Gedurende laaste jar van haar leven was mijn oma in de war en dement.

    In het centrum van Barcelona ben ik in de war, het is een doolhof.
  18. beroemd
    famoso

    De straten in deze wijk zijn allemaal genoemd naar beroemde componisten.

    Amsterdam is beroemd om zijn grachten.

    Hoewel hij op mijn bruiloft ontbrak, zijn we altijd vrienden. Hij is een beroemde acteur en hij heeft altijd druk.

    Franrijk is beroemd om zijn wijn.

    Rembrandt is in de hele wereld een beroemd schilder.

    Spanje is beromd om zijn eten.
  19. gedurende
    durante

    Gedurende zijn studententijd woonde hij bij vrienden in huis. Na zijn studie ging hij alleen wonen.

    Hij at bijna niets gedurende zijn verblijf in het ziekenhuis.

    Gedurende laaste jaar van haar leven was mijn oma in de war en dement.

    Na zijn ziekte moest de heer Willems gedurende drie jaar medicijnen gebruiken.

    Ik heb er gedurende mijn vakantie van genoeten.
  20. (de) getuige
    informe, testigo, muestra es, como demuestra

    Ons bedrijf is een succes, getuige de vele klanten die we in een half jaar binnen hebben gekregen.

    Hij is actief op zijn vakgebied, getuige de lange lijst publicaties.

    Getuige de rapporten heeft de minister zijn werk uitstekend gedaan.

    Getuige de examen heeft de student veel gestudeerd.
  21. zich toeleggen op
    dedicarse, especializarse, centrarse a/en

    In de tekenlessen wil ik me toeleggen op perspectief. Dat kan ik niet zo goed en ik wil het graag oefenen en verbeteren.

    Ik heb me toegelegd op yoga als manier om studenten te begeleiden.

    Hij ontwerpt de meubels van zijn huis , momenteel legt hij zich op een fantistiesch slaapkamerininrichting toe.

    Ik zal me op luisteropdracht toeleggen, ik vind het moeilijk en ik moet meer oefenen.
  22. uitbreiden
    extender, ampliar

    De supermarkt wordt uitgebreid met een afdeling waar je kant-en-klare maaltijden kunt kopen. Vanaf komende maandag is die afdeling geopend.

    Ik ken te weinig woorden, ik wil mijn woordenschat uitbreiden.

    De boer breidde zijn bedrijf steeds verder uit.
  23. wonderlijk
    extraño, singular

    Het was een wonderlijke film. Wel mooi, maar ongewoon. Zo'n film die maar eens in de paar jaar gemaakt wordt.

    Ik vind dat ze wonderlijk reageerde op het niews. Alsof het niet tot haar doordrong.

    Ik vind het nogal wonderlijk dat ze naar zijn feest niet is geweest, ze zijn erg goed vrienden.

    Een meisje die 12 jaar is, heeft een kind, wat een wonderlijke nieuw.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview