conversation.game.L1.txt

Card Set Information

Author:
sb
ID:
812
Filename:
conversation.game.L1.txt
Updated:
2009-11-08 12:29:33
Tags:
Dutch
Folders:

Description:
Conversation Game - Level One Je leert: jezelf of iemand anders voorstellen een adres vragen en geven groeten als je komt, groeten als je weggaat een formulier invullen Je ook leert: zeggen wanneer je kunt vragen en zeggen hoe laat het is roosters en dienstregelingen lezen iemand feliciteren
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user sb on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Jezelf voorstellen.
    Hoe je heet, waar je woont, waar je komt vandaan, hoe oud je bent, als je een man, een vrouw, een vriendin of kinderen heeft, waar je werkt of studeer..
  2. Stelt iemand anders voor aan de groep.
    Zeg wie dit is, hoe jullie kennen elkaar, waar ze woont, waar ze komt uit, waar ze wekkt...
  3. Geef jouw naam, address, telefoonnummer. en e-mailadres.
    Zeg je voornaam en achternaam, straat, huisnummer, postcode, plaats, en e-mailaddress.
  4. Praat over wat je 's ochtends doet.
    • Welke uur word je wakker?
    • As de telefoon gaat, met wie praat je?
    • Ga je naar de douche?
    • Ga je weg?
    • Hoe laat moet je naar jouw les of werk gaat?
    • Hoe laat bent je daar aankomen?
  5. Praat over wat je vandaag gaan doen.
    • ____ heeft gebeeld, zo om tien uur ik moet hem terug-bellen.
    • Ik wil ....
    • Ik moet....
    • Ik mag....
    • Ik kan...
    • Ik zou...
    • Ik ga naar...
    • Ik lunch met...
    • Ik heb een afspraak met...
  6. Overleeg met jouw vriend: Je wil dinsdagmiddag koffie hebben. Kan dat?
    • Kun jij op...?
    • Ja, ik kan / Nee, ik kan niet / Kun jij ook...?
    • Wil je met mij dinsdagmiddag koffie hebben?
    • Goed. Dan kom ik even.
  7. Vertel elkaar wat je morgen gaan doen.
    • Ik ga morgen naar nederlands les.
    • Ik ga morgen sporten en studeeren.
  8. Vragen elkaar over de agenda voor dit week.
    • Op welke dag heeft je jouw examen?
    • Op welke dagen heeft je jouw les?
    • Op welke dag sport je?
    • Op welke dag werk je?
  9. Zeg hoe laat het is nu.
    • Het is zeven uur.
    • Het is kwart over zeven.
    • Het is vijf voor half acht.
    • Het is half acht.
    • Het is vijf over half acht.
    • Het is kwart voor acht.
    • Het is tien voor acht.
  10. Praten met elkaar over hoe laat je...
    • Je moet vandaag naar jouw les, toch? Hoe laat ga je weg?
    • Hoe laat bent je aankomen?
    • Hoe laat eeten we?
  11. Kijk in een televisiegids, in een krant, of op internet. Welke films of programma's wil je graag zien? Hoe laat beginnen de programma's? Hoe laat zijn de programma's afgelopen?
    • Welk programma wil je zien?
    • Welke film wil je zien?
    • Ik wil... zien.
  12. Hoe laat begint het programma?
    Hoe laat begint de film?
  13. Het programma begint om...
    De film begint om....
  14. En hoe laat is het programma afgelopen?
    En hoe laat is de film afgelopen?
  15. Het programma is om .... afgelopen.
    De film is om .... afgelopen.
  16. Vertel wat jouw vrienden dit week doet.
    • Op maandag, woensdag, en zaterdag mijn vriend (gaat, studeert, werkt, doet)...
    • Hij / zij (wil, moet, kan, zou) ____ (doen, bellen, maken, koken, etc).
  17. De les begint om tien uur. Je komt precies op tijd. Bespreek samen als je dit vaak doet.
    • Ik kom altijd om tijd...
    • of
    • Ik kom niet altijd om tijd...
  18. Je gaat naar de verjaardag van een vriend. De vriend zegt hoe laat je moet komen. Bespreek samen over hoe je moet preparen.
    • We kopen een cadeau voor hem en...
    • We gaan weg om...
    • We halen het cadeau met ons naar...
    • We komen aan om...
  19. Je hebt om negen uur een afstpraak op je werk. Je kunt niet te laat komen. Kom je om 9.01 uur? Dan ben je te laat. Wat zou je nu doen? Wat doe je de volgende keer?
    De volgende keer ik (preperar, word wakker, ga weg)...
  20. Je hebt om elf uur een afspreaak met een vriendin. Om half twaalf komen is ook goed. Wat zeg je dan?
    Ok, ik zie je om elf uur of om half twaalf dan. Zal ik iets brengen?
  21. Je hebt om tien uur een afspraak met de huisarts. Om vijf over tien ben je te laat. Wat zeg je nu?
    Ik zeg...
  22. Een collega is jarig. Hij geeft een feest. Het feest begint om acht uur. Je kunt ook om half negen komen. Hoe laat wil je komen?
    • Ik liever om ____ uur komen omdat....
    • Ik liever om ____ uur komen want....
  23. Het is acht uur. Over half uur is het...
    Over half uur is het half negen.
  24. Wanneer hebben jullie vakantie?
    Volgende week hebben we vakantie.
  25. Hoe vaak heb je les?
    Twee keer per week.
  26. Jouw les is van half vier tot vijf uur. Hoe lang duurt jouw les?
    De les duurt anderhalf uur.
  27. Praten over de bus / tram / trein. Bijvoorbeld, op welke dag gaat bus 85? Hoeveel keer per uur gaat de bus? Hoe lang duurt de rit van Amsterdam naar Alemere?
    • Bus 85 gaat Mandaag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag en Vrijdag vaan Amsterdam naar Alemere.
    • Het gaat een keer per uur.
    • Het rit duurt anderhalf uur.
  28. Je woont bij Station Muideport. Je hebt om hald vier een afspraak in Rotterdam. Hoe laat moet je de trein vanaf station Muidepoort nemen?
    De rit duurt twee uur, daarvoor ik moet de trein om half twee uur van station Muidepoort nemen.
  29. Je zit in tram veertien. Je bent in Dam Square. Het is zestien eenentwintig uur. Over hoeveel minuten ben je thuis?
    Ik ben over twintig minuten in thuis.
  30. Waneer heb je vakantie? Zijn er nog andere vrije dagen?
    • Ik heb zestien december vakantie. Ik heb nog andere vrije dagen
    • vanaf vijftien januari tot vier (februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november).
  31. Jouw vriend vier vanavond zijn verjaardag. Je wil hem feliciteeren en je wil weten hoe oud ze nu is. Wat zeg je waneer je hem ziet?
    • Hartelijk gefeliciteerd (met je verjaardag!)
    • Gefeliciteerd!
    • Hoe oud ben je geworden?
    • Ben je _____ (jaar) geworden?
    • Ben je vandaag jarig?
    • Waneer ben je geboren?
    • Nog vijf jaar en je bent honderd jaar oud!
    • Ik heb een verjaardagskaart / cadeutje voor je.
  32. Een vriend vraagt: Wanneer ben je jarig? Wat zeg je?
    • Op vierentwentig juni.
    • Vierentwentig juni negentienhonderdzevenenzeventig.
    • Ik ben vandaag jarig.
    • Het is vandaag mijn verjaardag.
    • Dertig jaar alweer!
  33. Praat over het werk van jouw vriend.
    Niko werkt een een bar. Hij werkt op woensdagavond van zes tot drie uur. Hij werkt ook vrijdagavond of zaterdagavond van zes uur tot vijf uur. Hij eet daar elke nacht dat hij werkt.
  34. Je jebt afgesproken met jouw vriend. Jullie hebben een afspraak gemaakt. Hoe schrijf je de afspraak op in jouw agenda?
    maandag 15 juni: Ik heb over drie dagen een afspraak met ____ in Spargo, een restaurant bij het oosterpark, om kwart over zeven.
  35. Je wilt jouw vrienden feliciteeren over zijn nieuwe baby. Je stuur hem een email. Wat schrijf je?
    • Beste ____,
    • Harteljik gefeliciteerd met de geboorte van jullie zoon Oscar. Ik kom snel een keer kijken.
    • Groeten,
    • Skylar

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview