Zinnen2 NL-SP.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
81617
Filename:
Zinnen2 NL-SP.txt
Updated:
2011-04-25 07:01:37
Tags:
Zinnen2 NL SP
Folders:

Description:
Zinnen2 NL-SP
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Hallo, mijn naam is Olaf
    Hola, me llamo Olaf
  2. Bent u van Amsterdam
    Es de Amsterdam?
  3. Ja, ik ben van Amsterdam
    Sí, soy de Amsterdam
  4. We gaan naar huis. Tot ziens!
    Vamos a casa. Hasta luego!
  5. Ik werk met Pedro in Palma
    Trabajo con Pedro en Palma
  6. Hebt u een Mercedes?
    Tiene un Mercedes?
  7. Nee, helaas niet.
    No, desgracidamente no
  8. We hebben een huis in Marbella
    Tenemos una casa en Marbella
  9. Hoe is het werk, goed?
    Qué tal el trabajo, bueno?
  10. Saai, maar het salaris is goed.
    Aburrido, pero el sueldo es bueno.
  11. Ik heet
    Me llamo
  12. Ik kom uit Amsterdam
    Soy de Amsterdam
  13. Ik ben in Barcelona geweest in mei
    He estado en Barcelona en mayo
  14. Ik heb drie jaar bij Nuon gewerkt
    He trabajado en Nuon, tres años
  15. Nu werk ik bij Eneco
    Ahora trabajo en Eneco
  16. Ik heb een groot huis in Barcelona
    Tengo una casa grande en Barcelona
  17. In september gaan we naar Barcelona
    En septiembre vamos a Barcelona
  18. Hoe is Zuidhorn in januari, mooi of vreselijk?
    Qué tal Zuidhorn en enero, bueno o aburrido?
  19. Ik heet Peter Vermeulen
    Me llamo Peter Vwermeulen
  20. Hallo, Wij zijn Bassie en Adriaan
    Hola, somos Bassie en Adriaan.
  21. Ik ben van Amsterdam. En u?
    Soy de Amsterdam. Y Usted?
  22. Ana is een goede vriendin
    Ana es una buena amiga
  23. Ik ga altijd naar huis in juni
    Siempre voy a casa en junio
  24. We werken in Barcelona in augustus
    Trabajamos en Barcelona en agosto
  25. Gaat u altijd naar Zuidhorn in maart?
    Usted va siempre an Zuidhorn en marzo?
  26. Wat voor werk doet u?
    En qué trabaja usted?
  27. Werkt u met computers?
    Trabaja usted con ordenadores?
  28. Zij is in Londen met de kinderen
    Está en Londres con los niños
  29. Een ogenblik, alstublieft
    Un momento por favor
  30. Wat is het? Kost het veel?
    Qué es? Cuesta mucho?
  31. Heeft het huis een telefoon? Nee, helaas niet.
    La casa tiene teléfono? No, desgraciadamente no
  32. Goedendag, bent u meneer López uit Madrid?
    Buenos díaz. Es usted el señor López de Madrid?
  33. Ik werk zonder loon bij een Amerikaans bedrijf
    Trabajo sin sueldo en una empresa americana.
  34. Nu heb ik een betere baan.
    Ahora tengo un trabajo mejor
  35. Ik werk voor drie grote banken
    Trabajo para tres bancos grandes
  36. Paco! Hoe haat het met je?
    Paco! Qué tal?
  37. Gaan we naar Barcelona?
    Vamos a Barcelona?
  38. We hebben goede zitplaatsen in het vliegtuig
    Tenemos buenos asientos en el avión
  39. Heb ik een Mercedes? Komaan!
    Yo tengo un Mercedes? Qué va!
  40. Mijn vriendin spreeks spaans, maar niet veel.
    Mi amiga habla español, pero no mucho
  41. Ik ga op vakantie met Moekie.
    Voy de vacaciones con Moekie
  42. Hebt u een kamer?
    Tiene usted una habitación?
  43. Het is een beetje groot
    Es un poco grande
  44. Hoe laat is het ontbijt?
    A qué hora es el desayuno?
  45. De computers zijn duur
    Los ordenadores son caros
  46. We zouden graag iets eten
    Quisiéramos comar algo.
  47. Hoeveel kost de thee?
    Cuánto cuesta el té?
  48. Waar is het koffiehuis, rechts?
    Dónde está la cafetería? A la derecha?
  49. We gaan naar Tossa om twee uur
    Vamos a Tossa a las dos
  50. Excuseer, de rekening alstublieft
    Perdone, la cuenta, por favor
  51. Is er een bank hier in de buurt?
    Hay un banco aquí cerca?
  52. Waar is er een telefoon? Rechts?
    Dónde hay un teléfono? A la derecha?
  53. Kunnen we hier toast eten?
    Podemos comer unas tostadas aquí?
  54. Zijn er zitplaatsen voor vier?
    Hay asientos para cuatro?
  55. Hebt u een tafel? Voor half negen?
    Tiene una mesa? A las ocho y media?
  56. We zijn met zes
    Somos seis
  57. We gaan naar de bank en daarna naar het koffiehuis, goed?
    Vamos al banco y luego a la cafetería, vale?
  58. Kunt u de Seat herstellen? Hij is stuk
    Puede reparar el Seat? Está roto.
  59. Wij zijn in de kamer. Waar bent u?
    Estamos en la habitiación. Dónde está usted?
  60. De Spaanse snacks zijn uitstekend
    Las tapas están estupendas.
  61. Ik kan er veel van eten
    Puedo comer mucho
  62. Mag ik u iets vragen?
    Puedo preguntarle?
  63. Wij kunnen niet met vakantie gaan in juli
    No podemos ir de vacaciones en junio
  64. We hebben geen geld
    No tenemos dinero
  65. Waar is de kelner? Heeft hij mijn rekening?
    Dónde está el camarero. Tiene mi cuenta?
  66. Waar zijn de toiletten? Links?
    Dónde están los servicios? A la izquierda?
  67. Moekie en ik zouden graag naar Barcelona gaan
    Moekie y yo quisiéramos ir a Barcelona.
  68. Excuseer, ik heb slechts 30 euro en een creditcard
    Perdone, tengo sólo treinta euros y una tarjeta de crédito
  69. 4 euro voor een koude tortilla? Dat is heel duur
    Cuatro euros para una tortilla fría? Es muy cara
  70. Ik ben in Sevilla geweest voor 1 nacht
    He estado en Sevilla para una noche.
  71. Het kost minder dan in november
    Cuesta menos en noviembre
  72. Mevrouw López ziet er heel knap uit.
    La Señora López es muy guapa.
  73. Waar werkt ze? Vlakbij?
    Dónde trabaja? Muy cerca?
  74. Akkoord! We nemen de Seat voor april.
    De acuerdo! Tomamos el Seat para abril
  75. Zuidhorn is niet mooi in november
    Zuidhorn no es bonito en noviembre
  76. Ik heb een beetje gewerkt met computers.
    He trabajado un poco con ordenadores.
  77. Het is niet gemakkelijk
    No es fácil.
  78. Hoeveel maanden zijn we hier geweest? Veertien?
    Cuántos meses hemos estado aquí? Catorce?
  79. wit
    blanco
  80. geel
    amarillo
  81. zwart
    negro
  82. bruin
    marrón
  83. rood
    rojo
  84. grijs
    gris
  85. blauw
    azul
  86. oranje
    naranja
  87. groen
    verde
  88. roze
    rosa
  89. ik kocht, heb gekocht
    he comprado
  90. jij kocht, hebt gekocht
    has comprado
  91. hij kocht, heeft gekocht
    ha comprado
  92. u kocht, hebt gekocht
    usted ha comprado
  93. wij kochten, hebben gekocht
    hemos comprado
  94. jullie kochten, hebben gekocht
    habéis comprado
  95. zij kochten, hebben gekocht
    han comprado
  96. u kocht, hebt gekocht (mv)
    han comprado
  97. ik ging, ik ben gegaan
    he ido
  98. ik zag, ik heb gezien
    he visto
  99. ik had, ik heb gehad
    he tenido
  100. Het spijt me, ik moet gaan
    Lo sient, tengo que ir
  101. We zouden graag gaan winkelen
    Quisiéramos ir de compras
  102. Waar zijn er winkels?
    Dónde hay tiendas?
  103. Hoe laat zijn ze open?
    A qué hora están abiertas?
  104. Ik zou graag brood kopen
    Quisiera comprar pan
  105. Vandaag is het heel koud
    Hoy hace mucho frío
  106. Hemeltjelief! Heb je het gezien?
    Madre mía! Lo ha visto?
  107. We moeten melk kopen
    Tenemos que comprar leche
  108. We hebben veel gegeten
    Hemos comido mucho
  109. U hebt geen tv? Geen probleem
    No tiene una tele? No importa
  110. We kunnen postzegels kopen in de tabakswinkel, niet?
    Podemos comprar sellos en el estanco, verdad?
  111. Heb je het tennis gezien op de televisie? Ja ik heb alles gezien
    Has visto el tenis en la tele? Sí, he visto todo
  112. Ze was heel vriendelijk, zoals altijd
    Era muy amable, como siempre
  113. Hemeltjelief! Alle eieren zijn stuk! Geen probleem.
    Madre mía! Todos los huevos están rotos! No importa
  114. Gisteren was een tamelijk goede dag.
    Ayer era un día bastante bueno.
  115. De Nederlandse kranten waren niet goedkoop.
    Los periódicos neerlandeses no eran baratos
  116. Ik geloof dat ik een stomerij heb gezien in El Corte Ingés
    Creo que he visto una tintorería en El Corte Inlés
  117. Tot hoe laat moet je werken? Tot acht uur?
    Hasta qué hora tienes que trabajar? Hasta las ocho?
  118. Wanneer moeten we gaan?
    Cuándo tenemos que ir?
  119. Ik kan niet gaan, tot later
    No puedo ir, hasta más tarde
  120. In november is het altijd slecht weer in Holland
    En noviembre siempre hace mal tiempo en Holanda
  121. Wat hebt u gekocht?
    Qué ha comprado?
  122. Zes flessen rode wijn? Schitterend!
    Seis botellas de vino tinto? Estupendo!
  123. Maat 38: is dat te groot?
    Talla 38: es demasiado grande?
  124. Het is heel koud in dit huis
    Hace mucho frío en esta casa.
  125. Ik moet iets kopen
    Tengo que comprar algo
  126. Eerst ben ik gaan winkelen en daarna hebben we gegeten met vrienden
    Primero he ido de compras y después hemos comido con amigos
  127. We hebben de nieuwe tv sinds gisteren. En vandaag is hij stuk!
    Tenemos la nueva tele desde ayer. Y hoy está rota!
  128. U hebt een zwarte koffer gekocht, geen rode, niet?
    Ha comprado una maleta negra, no roja, verdad?
  129. Alles was te duur. En dus hebben we niets gekocht
    Todo era demasiado caro. Entonces no hemos comprado nada
  130. Wie is de verkoper? Waar is er melk?
    Quién es el dependiente? Dónde hay leche?
  131. We hebben het T-shirt niet in (het) groen en voor dezelfde prijs
    No tenemos la camiseta en verde y al mismo precio
  132. Ik zou graag iets kopen voor mij. Maar niets te duur.
    Quisiera comprar algo para mí. Pero nada demasiado caro

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview